Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w68 1/3 blz. 133-135
  • Waardering voor Jehovah’s organisatie

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Waardering voor Jehovah’s organisatie
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1968
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • BELANGSTELLING OPGEWEKT
  • HET KEERPUNT BEREIKT
  • EEN RUIMERE HORIZON
  • In Jehovah’s dienst voorwaarts gaan
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1967
  • Voldoening door Jehovah te dienen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1963
  • Georganiseerd om God te loven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1973
  • Mijn doel in het leven nastreven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1959
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1968
w68 1/3 blz. 133-135

Waardering voor Jehovah’s organisatie

ZOALS VERTELD DOOR JOHANNES WEBER

ALS kleine jongen had ik al een grote belangstelling voor de bijbel. Zowel de wereldlijke als de bijbelse geschiedenis behoorden op school tot mijn lievelingsvakken. Omstreeks de eeuwwisseling werden op onze scholen in de Elzas — destijds Duitsland, nu een deel van Frankrijk — de belangrijkste bijbelse verhalen verteld. Het godsdienstonderricht door de predikant was voornamelijk op de bijbel gebaseerd. Wij moesten grote gedeelten van de Hebreeuwse Geschriften als huiswerk uit ons hoofd leren of in onze eigen woorden in een schrift schrijven. Onze grote, oude gezinsbijbel werd mijn leerboek. Het verhaal van Jozef en zijn broers trok mij bijzonder sterk, hoewel ik iedere keer dat ik het las, tot tranen toe werd bewogen.

De onderwijzers merkten al gauw dat ik op het gebied van deze vakken — wereldlijke en bijbelse geschiedenis — gewoonlijk goed werk leverde; het was zelfs zo sterk dat als ik, door nalatigheid, mijn huiswerk niet had gemaakt, zij dit onmiddellijk ontdekten en naar de reden vroegen. In die dagen moesten wij de namen van de zesenzestig bijbelboeken uit ons hoofd leren, iets wat in later jaren bijzonder nuttig voor mij bleek te zijn.

Zelfs toen ik nog erg jong was, dacht ik vaak na over de onderwerpen „hel” en „de ziel”. Als onze predikant bij een begrafenis zei: „Als het lichaam tot stof begint te vergaan, zweeft de geest of de ziel naar de hemel”, koesterde ik vaak de wens dat ik iets van deze ontwikkeling kon zien, hoewel dit natuurlijk nooit gebeurde.

Na de school verlaten te hebben, kwam ik als aankomend bediende bij een firma in Straatsburg te werken, en hoewel de kerk aan de overkant van de straat was, ging ik er zelden naar toe. Ik gaf er de voorkeur aan vanuit mijn uitkijkpunt in de winkel de anderen de kerk te zien binnengaan. Ook sloeg ik de uitnodiging af om lid te worden van de jeugdclub. Zoals zovele andere jongeren begon ik van de religie af te drijven. Toch voelde ik de drang om zo af en toe in de bijbel te lezen.

Onze zaak ging in andere handen over, en de zuster van de nieuwe eigenaar, die in een rustig dal van de Vogezen ging wonen, gaf mij een prospectus van de lectuur van het Wachttorengenootschap en raadde mij aan het boek Het goddelijke plan der eeuwen te kopen en te lezen. Dit heb ik gedaan. Ik heb het boek grondig gelezen en opgemerkt dat de leerstellingen die erin werden onderwezen, veel verschilden van die van de kerk. Ongelukkig genoeg kwam de dame na die tijd zelden in de stad, zodat ik niet veel gelegenheid had om over de inhoud van het boek te spreken.

BELANGSTELLING OPGEWEKT

Mijn belangstelling om nog meer te lezen, werd opgewekt door een aankondiging op de achterzijde van dit boek, waarin de volgende aanhaling uit Deel II van dezelfde serie voorkwam: „De tijden der heidenen eindigen in 1914.” Ik dacht bij mijzelf: ’Men kan zo’n positieve bewering toch niet uiten zonder er zekere bewijzen voor te hebben.’ Ik bestelde dus het tweede deel, en vele dingen werden mij nu duidelijker. Ik begon te beseffen dat Jehovah God een organisatie van toegewijde dienstknechten op aarde heeft, door bemiddeling van wie hij geestelijk ’voedsel te rechter tijd’ uitdeelde (Matth. 24:45-47). Spoedig daarna, 1910-1911, bestelde ik alle andere boeken die destijds beschikbaar waren en abonneerde ik mij ook op de Duitse uitgave van De Wachttoren. Ik kan mij herinneren dat ik zelf naar het postkantoor ging om het pakket op te halen en dat ik het op weg naar huis uit pure nieuwsgierigheid openmaakte.

Ik heb al deze publikaties twee maal gelezen en trouw alle schriftplaatsen in mijn eigen bijbel opgezocht. Vooral de chronologie vond ik erg interessant, want hierdoor werd bewezen dat wij dicht genaderd waren bij „de tijden van het herstel van alle dingen, waarover God bij monde van zijn heilige profeten van oudsher heeft gesproken” (Hand. 3:21). Toch had ik niemand met wie ik over deze uiterst belangrijke waarheden kon spreken, en mijn begrip over vele onderwerpen, zoals de militaire kwestie, was niet bepaald duidelijk. Zo raakte ik al spoedig in militaire bezigheden verwikkeld, want de oorlog was nu in volle gang. Eén ding had ik mij echter vast voorgenomen — dat ik beslist niet zou doden en dat ik mij nauwlettend zou houden aan Gods raad in Genesis 9:5, 6 en Exodus 20:13. En ik was vreemd genoeg in staat mij aan dit besluit te houden, terwijl ik vaak uit de meest kritieke situaties werd gered. De andere mannen maakten hier vaak grapjes over en zeiden: „Waar Weber is, ben je veilig!”

Aan het einde van de oorlog hunkerde ik ernaar weer met het Wachttorengenootschap in contact te komen. De tijd scheen verschrikkelijk lang te duren voordat de grenzen werden geopend en ik De Wachttoren weer uit Zwitserland kon ontvangen. Ik was er destijds niet van op de hoogte dat een klein groepje bijbelonderzoekers geregeld in Straatsburg bijeenkwam. Ik bleef echter zoeken. Toen zag ik op zekere dag een groot aanplakbiljet met een afbeelding van pastor Charles T. Russell, de eerste president van het Wachttorengenootschap, waarop een filmvertoning getiteld, „Fotodrama der schepping” werd aangekondigd.

Het bleek het schitterendste en indrukwekkendste bijbeldrama te zijn dat ik ooit had gezien. En eindelijk was ik in aanraking gekomen met anderen die er belangstelling voor hadden de bijbel aan de hand van de bijbelse hulpmiddelen van het Genootschap te bestuderen. De vertoning van het Drama trok telkens volle zalen, en vaak werd de film door een vraag-en-antwoordbespreking van wel meer dan twee uur lang gevolgd.

De volgende bijzondere gebeurtenis was de alom bekendgemaakte lezing door J. F. Rutherford, de tweede president van het Wachttorengenootschap, over het onderwerp „Miljoenen nu levende mensen zullen nimmer sterven”. De vergadering was een groot succes, hoewel minder mensen een werkelijke belangstelling voor de bijbel schenen te hebben.

HET KEERPUNT BEREIKT

Het keerpunt in mijn leven kwam in 1920, toen ik mij aan de waterdoop onderwierp als een symbool van de opdracht van mijn leven aan God. In 1922 werd er in Straatsburg een congres van Bijbelonderzoekers gehouden, en bij deze gelegenheid ontving ik een uitnodiging om op het bijkantoor van het Genootschap in Bern, Zwitserland, te komen werken. Dit was een grote verrassing voor mij, want ik was van mening dat vele anderen meer bekwaamheden bezaten dan ik. In de overtuiging dat dit heel goed de leiding van de Heer kon zijn, nam ik de uitnodiging echter aan, hoewel ik nog niet wist hoe ik mijn zaken met mijn wereldse werkgever zou regelen. Alles liep naar wens, want er werd al gauw een vervanger voor mij gevonden en ik was vrij om de volle-tijddienst bij het Genootschap op mij te nemen. Sommigen hebben inderdaad geprobeerd mij te overreden en mij ervan te doordringen dat ik aan mijn toekomstige zekerheid moest denken. De opziener in onze gemeente heeft mij echter in mijn besluit gesterkt en aangemoedigd.

Toen ik in Bern aankwam, waren de broeders bezig met de voorbereidingen voor de verspreiding van een speciale uitgave van het tijdschrift Het Gouden Tijdperk (nu Ontwaakt!). Sneeuw en ijs konden niet verhinderen dat er een krachtige actie werd gevoerd waarin wij de boodschap wijd en zijd in dit bergachtige land verbreidden.

Op het bijkantoor van het Genootschap te Bern kreeg ik ten slotte de toewijzing in de boekbinderij te werken, waar ik als het ware een tweede vak leerde. Het schonk mij altijd een zeer bijzondere voldoening aan de eindproduktie van de gebonden boeken mee te werken, omdat ik wist dat deze door medebijbelonderzoekers in vele landen verspreid zouden worden. Er moest in die tijd nog veel met de hand worden gedaan, hetgeen vele extra uren werk betekende, maar het was altijd een genoegen onze tijd op deze wijze door te brengen.

Met het verstrijken der jaren en de groei van het werk werd het mogelijk onze drukkerij van de ene machine na de andere te voorzien. De jaren zijn snel voorbijgegaan en nu kan ik vreugdevol terugzien op zesenveertig jaren van dienst met het Genootschap. Het heeft mij veel vreugde geschonken de vooruitgang in het inzicht in de bijbel en de grote toename van het Koninkrijkswerk in alle delen van de aarde te hebben mogen meemaken.

EEN RUIMERE HORIZON

Het jaar 1953 bleek weer een bijzondere periode in mijn leven te zijn. Te zamen met anderen, die ook een lang dienstbericht achter zich hadden, werden mijn vrouw en ik uitgenodigd om het internationale congres in New York bij te wonen. Onze vreugde kende geen grenzen! Wij slaagden erin de laatste tweepersoons hut op de „Queen Elizabeth” te bespreken en gedurende de reis genoten wij van de hartelijke omgang met Engelse Getuigen, terwijl wij samen met hen de studies volgden die aan boord werden gehouden.

Wij zullen het congres in New York nooit vergeten. Het viel ons op dat vele Newyorkers erg vriendelijk en welwillend waren, terwijl wij vooral blij verrast waren te zien hoe allerlei firma’s aan de aankondiging van het congres hadden meegewerkt. Een kort bezoek aan het hoofdbureau van het Genootschap in Brooklyn, en ook een reis naar de Wachttoren Bijbelschool Gilead (die destijds in South Lansing, in de staat New York, was gevestigd) waren zeer verfrissend. Het droeg er allemaal toe bij dat wij ons nog meer verbonden voelden met de wonderbare organisatie die door Jehovah wordt gebruikt.

De tijd is verder gegaan en het werk is blijven groeien. Door de toename in Duitsland is het nodig geworden het bijkantoor in Wiesbaden uit te breiden. De president van het Genootschap, N. H. Knorr, trof er regelingen voor onze boekbinderij naar Wiesbaden over te brengen. Tot mijn grote vreugde werd aan mij gevraagd mee te gaan en hulp te bieden bij het installeren ervan. Het verschafte mij een wonderbare gelegenheid vele van mijn geliefde geloofsbroeders in Duitsland te leren kennen.

Als ik terugzie over de jaren waarin Jehovah mij goedgunstig heeft toegestaan hem te dienen, kan ik zeggen dat ’de meetsnoeren mij in liefelijke dreven vielen’ (Ps. 16:6). Het is waar dat mijn leeftijd zich nu doet gevoelen en dat ik met fysieke moeilijkheden heb te kampen. Ik betreur het soms dat ik niet meer over mijn vroegere energie beschik. Toch doet het mij goed te weten dat ik nog steeds een weliswaar klein, maar toch nuttig aandeel kan hebben aan het bekendmaken van Jehovah’s naam.

Ik dank Jehovah voor al zijn barmhartigheden, voor zijn leiding en voor het grootse voorrecht dat mij ten deel mocht vallen om samen met andere opgedragen dienstknechten aan zijn grootse werk een aandeel te hebben. Moge hij allen in zijn gelukkige organisatie blijven steunen en sterken.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen