Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w63 15/11 blz. 689-691
  • Papias en de evangeliën van Matthéüs en Markus

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Papias en de evangeliën van Matthéüs en Markus
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1963
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • ZIJN GESCHRIFTEN
  • VERWIJSBRONNEN
  • Papias had waardering voor de uitspraken van de Heer
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1993
  • Christelijke Griekse Geschriften
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
  • Christelijke Griekse Geschriften
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • Canon
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1963
w63 15/11 blz. 689-691

Papias en de evangeliën van Matthéüs en Markus

HOUDT u van de bijbel? Indien dit zo is, zal de naam Papias u belang inboezemen. Waarom? Omdat zijn geschriften de vroegste inlichtingen bevatten die wij over de oorsprong van enkele boeken van de christelijke Griekse Geschriften bezitten, dat wil zeggen, buiten het getuigenis van de Schrift zelf.1

Zowel voor de geboorte als voor de dood van Papias worden verscheidene datums genoemd, maar „er is geen enkel feit bekend dat strijdig is met ca. 60-135 [n. Chr.] als de periode waarin Papias heeft geleefd”.2 Hij was een metgezel van Polycarpus, die, naar men zegt, persoonlijk enkelen van de apostelen had gekend,3 en woonde in het landschap Frygië in de provincie Asia, thans bekend als Klein-Azië.

Volgens de tweede-eeuwse religieuze schrijver Irenaeus was Papias een geleerd man en stond hij in hoog aanzien als een betrouwbaar kanaal voor de apostolische leer.4 Eusebius, een vooraanstaand kerkhistoricus uit de vierde eeuw, legt echter een tegenstrijdig getuigenis ten aanzien van Papias af. Eerst zegt hij dat Papias „zeer bekwaam in allerlei wetenschappen en goed bekend met de Schrift” was, terwijl hij hem later beschrijft als een man „met beperkt verstand” en iemand die „zekere vreemde gelijkenissen van onze Heer en zijn leer, en enkele andere aangelegenheden die wat te fabelachtig zijn”1 had verzameld.

De reden waarom Eusebius het niet met Papias eens was, schuilde klaarblijkelijk in het feit dat deze in een duizendjarige regering van Christus op aarde geloofde.2 Deze mening overheerste echter bij degenen die het christendom in de tweede eeuw beleden.5 In feite waren zij van oordeel dat de wereld zoals ze was zesduizend jaar zou blijven bestaan en dat daarna het duizendjarig rijk zou komen, dat de zevende duizend jaar zou bestrijken.6 Zij waren tevens van mening dat enkele christenen een hemelse beloning zouden ontvangen, terwijl anderen met leven op een paradijsachtige aarde beloond zouden worden.4 Ook al was Papias, zoals Eusebius impliceert, geneigd zinnebeeldige taal een letterlijke betekenis toe te kennen, dan nog duidt het verslag betreffende hem erop dat „hij er nauwlettend op stond goed bewijsmateriaal te hebben voor wat hij als Christus’ eigen leer aanvaardde, en dit ondanks destijds gangbare, niet geautoriseerde meningen”.2

ZIJN GESCHRIFTEN

Wat zijn werken betreft, deze omvatten voornamelijk een uit vijf boeken bestaand commentaar (hoogstwaarschijnlijk vijf hoofdstukken, daar de boeken meer weg hadden van de kortere „boeken” van de christelijke Griekse Geschriften dan van gewone boeken), getiteld „Verklaringen van de woorden des Heren”. Dit werk is door een aantal schrijvers geciteerd en zelfs in 1218 n. Chr. bestonden er nog afschriften van, maar sindsdien is het volkomen verdwenen.7

In zijn voorwoord of inleiding verklaarde Papias welke methode hij had gevolgd. Hij had zorgvuldig inlichtingen verzameld van mensen die persoonlijk apostelen als Andréas, Petrus, Filippus, Thomas, Jakobus, Johannes en Matthéüs hadden gekend. Hij merkte tevens op dat hij geen behagen schiep in personen die veel spraken maar in degenen die de waarheid leerden, en dat hij zijn inlichtingen liever uit de eerste hand van levende getuigen verwierf dan uit geschreven bronnen.8 Het belangrijkste van de fragmenten van zijn werk die ons zijn overgeleverd, is het gedeelte dat handelt over het schrijven van de evangeliën van Markus en Matthéüs:

„De presbyter [die, zoals sommigen zeggen, de apostel Johannes geweest kan zijn] heeft het volgende gezegd: Markus, die de tolk van Petrus was geworden, schreef nauwkeurig alles wat hij zich herinnerde op. Hij verhaalde de uitspraken of daden van Christus echter niet in de juiste volgorde. Want hij had de Heer noch horen spreken noch Hem vergezeld. Later, zoals ik reeds heb gezegd, vergezelde hij Petrus echter, die zijn onderricht aan de behoeften [van zijn toehoorders] aanpaste, zonder dat het echter in zijn bedoeling lag de uitspraken van de Heer systematisch weer te geven. Om die reden maakte Markus geen fout toen hij aldus enkele dingen schreef zoals hij zich die herinnerde. Iets was er waarop hij speciaal toezag, en wel dat hij niets wat hij had gehoord, wegliet, en niets onechts in de verklaringen opnam.” „Matthéüs verzamelde de uitspraken [van de Heer] in de Hebreeuwse taal, en iedereen vertolkte ze zo goed mogelijk.”8

Op andere plaatsen doet Papias aanhalingen uit de eerste brieven van zowel Petrus als Johannes, waaruit blijkt dat deze in zijn tijd werden gebruikt. Vooral zijn getuigenis ten gunste van het boek Openbaring is opmerkenswaardig, want daardoor is hij een van de oudsten die van de inspiratie en verdienstelijkheid ervan getuigen.5 Hij maakt tevens melding van het Evangelie volgens de Hebreeën, dat naar de mening van sommigen Matthéüs’ evangelie in de oorspronkelijke taal was.

De opmerkingen van Papias betreffende de evangeliën van Markus en Matthéüs vinden in de evangeliën zelf ondersteuning. Wat hij over Markus’ evangelie vertelt, verklaart de levendige stijl ervan, klaarblijkelijk die van een ooggetuige; en de vaart waarmee alles wordt gebracht, is precies wat wij zouden verwachten indien het door Petrus was verteld of van hem was ontvangen. Wat Papias in verband met Matthéüs’ evangelie verklaarde, is ook in overeenstemming met de feiten, want het is duidelijk dat Matthéüs eerst in het Hebreeuws schreef, daar hij liever aanhalingen deed uit het Hebreeuws zelf dan uit de Griekse Septuaginta, wat bij de overige schrijvers van de christelijke Griekse Geschriften de gewoonte was. Ongetwijfeld heeft Matthéüs het evangelie later zelf in het Grieks vertaald opdat het een grotere verspreiding zou hebben. Dit zou een verklaring vormen van het feit dat men niet de indruk krijgt een vertaling te lezen.

Deze vroege religieuze schrijvers, onder wie Papias, die vóór het in 325 n. Chr. bijeengeroepen Concilie van Nicea leefden, worden wel de „Ante-Niceense Vaders” genoemd. Betreffende hun getuigenissen is gezegd: „Deze geschriften . . . zijn elementaire bewijzen voor de canon en de verdienstelijkheid van het Nieuwe Testament. . . . Naar algemeen wordt erkend zijn deze discipelen inferieur aan hun Meesters, zij spreken met de stemmen van zwakke en feilbare mannen, en niet — zoals de schrijvers van het Nieuwe Testament — met de vurige tongen van de Heilige Geest.” Toch zijn hun geschriften waardevol.9

Van deze schrijvers kan worden gezegd dat zij een tweeledig getuigenis ten aanzien van de geïnspireerde christelijke Geschriften afleggen. Enerzijds vermelden zij historische feiten betreffende het optekenen van deze Geschriften en anderzijds onderstrepen zij door hun tekortkomingen het feit dat de christelijke Griekse Geschriften inderdaad door God zijn geïnspireerd. De krachtigste bewijzen voor de inspiratie van de christelijke Griekse Geschriften treffen wij echter juist in die geïnspireerde geschriften zelf aan.

VERWIJSBRONNEN

1 M’Clintock & Strong’s Cyclopædia, Deel 1, blz. 638.

2 The Encyclopædia Britannica (Uitgave van 1961), Deel 17, blz. 238A.

3 Idem, Deel 18, blz. 180.

4 A Literary History of Early Christianity, Crutwell, blz. 102-108.

5 History of the Christian Church, Schaff, Deel 2, blz. 696.

6 History of the Christian Religion and Church, Neander, blz. 650.

7 The New Schaff-Herzog Religious Encyclopedia, Deel 8, blz. 336-339.

8 The Ante-Nicene Fathers, Coxe, Deel 1, blz. 151-155.

9 Idem, blz. 1.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen