Papias had waardering voor de uitspraken van de Heer
„NIET in wie veel te zeggen hebben, heb ik behagen geschept, . . . maar in wie de waarheid leren.” Dat schreef Papias, een belijdend christen uit de tweede eeuw van onze gewone tijdrekening.
Papias leefde in de periode vlak na de dood van de apostelen van Jezus Christus. Ja, hij was een metgezel van Polycarpus, die naar verluidt door de apostel Johannes is onderwezen. Deze geloofsbrieven maken het, in combinatie met Papias’ methode om kennis te vergaren, aannemelijk dat hij goed ingelicht was.
Zorgvuldige methode
Papias’ dorst naar waarheid blijkt duidelijk uit de vijf boeken waaruit zijn werk over de uitspraken van de Heer bestaat. In zijn beginjaren heeft Papias ongetwijfeld veel van de woorden van waarheid die hij had gehoord in zijn geheugen opgeslagen. Later won Papias, vanuit zijn woning in de Frygische stad Hiërapolis, in Klein-Azië, bij ouderen inlichtingen in om na te gaan of zij ooit een van Jezus’ apostelen hadden gezien of gehoord. Hij stelde hun gretig vragen en schreef op wat zij te zeggen hadden.
Papias legt uit: „Ik zal niet aarzelen al wat ik ooit van de oudsten voortreffelijk geleerd en deugdelijk in mijn geheugen geprent heb . . . op te schrijven, terwijl ik de waarheid ervan bevestig. Want niet in wie veel te zeggen hebben, heb ik behagen geschept, zoals de meeste mensen, maar in wie de waarheid leren, en niet in wie van vreemde voorschriften gewag maken, maar in degenen die de voorschriften vermelden die door de Heer tot geloof zijn gegeven en van de waarheid zelf afkomstig zijn. Indien er dan soms iemand kwam die de oudsten gevolgd had, deed ik onderzoek naar de woorden van de oudsten: wat Andreas of wat Petrus gezegd had, of wat Filippus of wat Thomas of Jakobus, of wat Johannes of Mattheüs gezegd had of iemand anders van de discipelen van de Heer.”
Zijn werk
Ongetwijfeld stond Papias een rijkdom aan geestelijke kennis ter beschikking. Wij kunnen ons er alleen maar een voorstelling van maken hoe aandachtig hij moet hebben geluisterd naar de bijzonderheden in verband met het persoonlijke leven en de bediening van elk van de apostelen. Rond 135 G.T. tekende Papias dat wat hij te zeggen had in een door hemzelf geschreven boek op. Jammer genoeg is dit boek verdwenen. Het werd geciteerd door Irenaeus, een belijdend christen uit de tweede eeuw G.T., en door de vierde-eeuwse historicus Eusebius. Het werd zelfs in de negende eeuw G.T. nog gelezen en is wellicht tot de veertiende eeuw blijven bestaan.
Papias geloofde in de komende duizendjarige regering van Christus (Openbaring 20:2-7). Volgens Irenaeus schreef hij over een tijd waarin „de schepping, vernieuwd en bevrijd, een overvloed van allerlei spijs als vrucht zal voortbrengen, uit de dauw des hemels en uit de vruchtbaarheid van de aarde; zoals de oudsten, die Johannes, de discipel van de Heer, zagen, vermeldden gehoord te hebben hoe de Heer over die tijden onderricht gaf”. Papias schreef verder: „Dit nu is geloofwaardig voor de gelovigen. En toen Judas, de verrader, het niet geloofde en vroeg: ’Hoe kunnen dan dergelijke scheppingen door de Heer volbracht worden?’ zei de Heer: ’Degenen die in die tijd zullen leven, zullen het zien.’”
Papias schreef in een tijd waarin het gnosticisme welig tierde. De gnostici verweefden filosofie, bespiegelingen en heidens mysticisme met het afvallige christendom. In feite was Papias’ uiteenzetting van de spreuken, of uitspraken, van de Heer een poging om het tij van het gnosticisme te keren. Na hem ging Irenaeus ermee voort de valse en overdreven spiritualiteit van de gnostici te weerstaan. Er moet heel veel gnostische literatuur zijn geweest, wat Papias tot de sarcastische zinspeling bracht op degenen die „veel te zeggen hebben”. Zijn doelstelling was duidelijk — leugens met waarheid bestrijden. — 1 Timotheüs 6:4; Filippenzen 4:5.
Opmerkingen over de Evangeliën
In de fragmenten van Papias’ geschriften die nog bestaan, wordt melding gemaakt van de verslagen die Mattheüs en Markus hebben geschreven. Papias zegt bijvoorbeeld over Markus’ geschrift: „Markus, die de tolk van Petrus was, schreef nauwkeurig . . . op wat hij zich herinnerde.” Verder getuigend van de nauwkeurigheid van dit evangelie, vervolgt Papias: „Zo heeft Markus dan volstrekt niet gefaald toen hij sommige dingen zo optekende als hij zich die herinnerde. Voor één ding droeg hij zorg, dat hij niets van wat hij gehoord had achterwege liet of in deze verslagen een onjuist beeld van iets gaf.”
Papias verschaft een niet uit de bijbel zelf afkomstig bewijs dat Mattheüs zijn evangelie oorspronkelijk in het Hebreeuws schreef. Papias zegt: „Hij schreef de leringen in de Hebreeuwse taal, en ieder vertolkte ze zo goed hij kon.” Het is aannemelijk dat Papias naar de evangelieverslagen van Lukas en Johannes heeft verwezen, alsook naar andere delen van de christelijke Griekse Geschriften. Als dat het geval is geweest, zou hij een van de vroegste getuigen zijn die de authenticiteit van deze verslagen en het feit dat ze door God geïnspireerd zijn, staaft. Maar jammer genoeg zijn slechts povere fragmenten van de geschriften van Papias bewaard gebleven.
Bewust van zijn geestelijke nood
Als opziener in de gemeente in Hiërapolis was Papias een onvermoeibaar navorser. Hij was niet alleen een ijverig onderzoeker, maar toonde ook grote waardering voor de Schrift. Papias was terecht van oordeel dat het veel waardevoller was een leerstellige verklaring van Jezus Christus of van Zijn apostelen uit te leggen dan de grillige verklaringen die in de literatuur van zijn tijd te lezen waren. — Judas 17.
Naar verluidt onderging Papias in 161 of 165 G.T. in Pergamum de marteldood. Hoe sterk de leringen van Jezus Christus het leven en gedrag van Papias in werkelijkheid hebben beïnvloed, kan niet met zekerheid worden gezegd. Maar hij had een vurig verlangen om de Schrift te bestuderen en te bespreken. Dat geldt ook voor christenen in deze tijd, want zij zijn zich bewust van hun geestelijke nood (Mattheüs 5:3). En net als Papias hebben zij waardering voor de uitspraken van de Heer.