Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w65 1/6 blz. 340-343
  • Toegewijde dienst schenkt rijke beloningen

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Toegewijde dienst schenkt rijke beloningen
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1965
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • ZENDINGSDIENST IN HET BUITENLAND
  • DE OORLOGSJAREN
  • ONDERGRONDSE PREDIKING
  • DE NAOORLOGSE TOENAME
  • Mijn doel in het leven nastreven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1959
  • Mijn doel in het leven nastreven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1961
  • ’Ik ben niet te rade gegaan bij vlees en bloed’
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1975
  • „Uw liefderijke goedheid is beter dan het leven”
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1998
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1965
w65 1/6 blz. 340-343

Toegewijde dienst schenkt rijke beloningen

Verteld door Mona Brzoska

DE TRANEN sprongen mij in de ogen toen ik in augustus 1961 mijn blik liet gaan over het grote stadion bij Parijs dat met tienduizenden aanbidders van Jehovah gevuld was. Precies dertig jaar voordien, toen ik met mijn zendingsdienst in Frankrijk en België begon, was er in deze landen slechts een handjevol getuigen van Jehovah. Het scheen mij ongelooflijk toe dat zij die deel uitmaakten van deze reusachtige menigte in die korte dertig jaar dienstknechten van Jehovah waren geworden. Wat een voorrecht dat ik aan deze grote bijeenvergadering een aandeel had mogen hebben! Hoezeer heb ik Jehovah gedankt dat hij mij heeft geholpen om hem van mijn jeugd af aan te gedenken.

Kort voor de Wapenstilstand in 1918 werd de aandacht van mijn ouders getrokken door een aanplakbiljet waarop de lezing „Waar zijn de doden?” stond aangekondigd. Deze toespraak ging uit van de „International Bible Students Association”. Wat moeder tijdens die lezing vernam, wierp een bijzonder helder licht op de Schrift. Zij was ervan overtuigd dat dit de waarheid was, en ook vader besloot zich erin te verdiepen, waarna er al spoedig in ons huis wekelijks een studie werd gehouden.

Ik werd van de zondagsschool afgenomen, en moeder legde mij uit dat wat ik over de ziel, hel en drieëenheid had geleerd, niet waar was. Elke zondag werd ik meegenomen naar de Londense „Tabernakel” en geleidelijk nam ik toe in kennis en geloof. In 1925 begon ik er ernstig over na te denken welke persoonlijke verantwoordelijkheid ik tegenover Jehovah had. Vanwege de enthousiaste geest die er dat jaar op het in Londen gehouden congres heerste, voelde ik mij gelukkig dat ik de waarheid kende en mijn leven nog vóór mij had om het tot eer van Jehovah te gebruiken. Alhoewel ik nog op school was, nam ik het besluit mij aan God op te dragen.

Ten tijde van mijn opdracht kwam het echter nog niet bij mij op, de volle-tijd-dienst als loopbaan te kiezen, daar ik heel veel succes had bij mijn studie en zo juist een studiebeurs had verworven waardoor ik verder kon gaan. Toen moeder ziek werd, kwam ik voor een probleem te staan: Zou ik mijn studie voortzetten of zou ik ermee ophouden en moeder verzorgen? Ik bad vurig om leiding en spoedig werd het mij duidelijk wat Jehovah’s wil voor mij was.

Het afscheid van de school viel mij zwaar, maar al gauw zag ik wat een verandering dit voor mij kon betekenen. Toen ik eenmaal bij mijn vroegere kameraden weg was, kwam ik nauwer in contact met jonge broeders en zusters die reeds in de volle-tijd-dienst stonden. De broeders die door de president van het Wachttorengenootschap werden uitgekozen om naar India en Spanje te gaan, maakten een bijzonder diepe indruk op mij, en ik begon te beseffen dat er in vele landen een grote behoefte bestond aan werkers.

Ongeveer in die tijd hoorde ik een congreslezing die ik nooit heb vergeten. De inhoud ervan was gebaseerd op 2 Kronieken 31:21 (PC): „Al het werk, dat [Hizkia] . . . ondernam voor de dienst in de tempel, om zijn God te vereren, heeft hij met volle toewijding en met gunstige uitslag verricht.” Ik nam het vaste besluit dat ik, indien moeder haar gezondheid zou herwinnen, de volle-tijd-dienst als mijn loopbaan zou opnemen en dat ik dit net als Hizkia vol toewijding zou doen ten einde een „gunstige uitslag” ofte wel succes te hebben.

Eerst was ik in de gelegenheid het destijds zo genoemde „hulp”-pionierswerk te verrichten, een tak van dienst die mij veel vreugde bracht. In 1928 kon ik het Genootschap meedelen dat ik overal naartoe kon waar werkers nodig waren. Enkelen van ons werden uitgekozen om in verschillende grote steden van Engeland het zakengebied te bewerken. Mijn eerste gedachte was dat ik een dergelijke taak nooit aan zou kunnen daar het mij al heel wat moeite kostte om van huis weg te gaan, maar voorbeelden als die van Mozes en Jeremia schoten mij te binnen en ik voelde dat indien Jehovah dit werk van mij vroeg, hij mij zou helpen mijn taak te volbrengen als ik mij er vol toewijding van kweet. En hij hééft mij geholpen, en juist dit besef heeft mij vaak aangespoord wanneer mij nieuwe taken werden toegewezen die mijn eigen kracht te boven gingen.

Ik maakte zo veel vreugdevolle en versterkende ervaringen mee dat ik, toen er vrijwilligers werden gevraagd om op het Europese vasteland te werken, wel moest reageren met de woorden: „Hier ben ik! Zend mij!” Het Genootschap aanvaardde mij, en nu zou het ideaal van mijn kinderjaren — zendeling te zijn — verwezenlijkt worden.

ZENDINGSDIENST IN HET BUITENLAND

Op een koude morgen in januari van het jaar 1931, toen er een dikke laag sneeuw lag, zetten mijn partner en ik op Franse bodem voet aan wal. Hoe blij was ik nu dat ik op school Frans had gestudeerd! Dit was in de ware zin des woords „Pionieren”, want zendingshuizen waren er toen nog niet. Alles was zo heel anders, vanaf de kleine dingen zoals het eten en drinken (ik ontdekte dat niemand thee dronk!) en het fietsen aan de rechterkant van de weg, tot de belangrijkere dingen zoals de religie van de mensen. De taal vormde een vrij groot probleem, maar doordat wij constant oefenden, werden wij er steeds bedrevener in.

Het was iets nieuws voor mij om naar het politiebureau te gaan en een identiteitskaart te halen. Ik vermoed dat de politiebeambte dacht dat wij bescherming nodig hadden, want toen ik hem vroeg of hij een geschikte kamer voor ons wist, gaf hij een van zijn mannen snel enige instructies en zei ons die te volgen. Stelt u zich onze verbazing voor toen wij ons even later in de ontvangsthal van een rooms-katholiek klooster bevonden waar jonge vrouwen kost en onderdak konden krijgen! Na dit en nog veel meer avonturen vonden wij ten slotte een kamer die wij konden bekostigen.

De verwarming vormde in de wintertijd een groot probleem. Heel dikwijls moesten wij het ijs in onze waterkan stukslaan voordat wij ons ’s ochtends konden wassen. Op een petroleumstelletje kookten wij onze eenvoudige maaltijden. Dikwijls fietsten wij vijftien tot vijfentwintig kilometer op en neer naar ons gebied. Wij verspreidden er lectuur en trokken dan naar nieuwe, nog niet bewerkte gebieden. Toch begonnen katholieke en protestantse kerkbladen al voor ons te waarschuwen. Vele malen werkten deze waarschuwingen als een boemerang en er werd in werkelijkheid belangstelling door opgewekt.

In Europa kwam het volk van de Heer ondertussen bekend te staan bij hun nieuwe naam, Jehovah’s getuigen. Wat een voorrecht was het een aandeel te hebben aan die eerste inspannende werkzaamheden. Wij zagen bijna alleen maar andere Getuigen wanneer wij op de congressen bijeenkwamen en wanneer wij voor onze jaarlijkse vakantie naar huis gingen. Wij wisselden echter wel aanmoedigende brieven uit met onze medezendelingen in de andere delen van Frankrijk en in Spanje. Alhoewel wij geïsoleerd waren, sloegen wij nooit onze Wachttoren-studie op zondag over. Het vormde voor ons een bescherming dat wij zo geregeld dit geestelijke voedsel nuttigden.

In 1935 kregen wij met verscheidene andere gelukkigen België als toewijzing, waar in totaal maar zestig Getuigen waren. De priesters waren erover gebelgd dat wij hun weiden verstoorden, en zij gebruikten alle middelen die hun ter beschikking stonden om ons kwijt te raken. Zij waarschuwden hun kudden, dreigden ons, riepen de rijkspolitie, stuurden kinderen op ons af om ons lastig te vallen, lieten met stenen gooien of onze fietsbanden doorprikken en gingen achter ons aan om de lectuur te verzamelen die wij hadden verspreid. Niettemin zeiden dorpsbewoners heel vaak tegen mij: „Geef mij een paar van uw brochures; als de priester dan komt, kan ik er een aan hem geven om hem tevreden te stellen en de rest kan ik zelf lezen!” Aangezien België kleiner is dan Frankrijk, konden wij van tijd tot tijd op het Bijkantoor bijeenkomen. De gelukkige omgang met onze mededienaren was stimulerend en bezielend. De toestanden werden echter steeds moeilijker naarmate de Tweede Wereldoorlog naderde.

DE OORLOGSJAREN

In de zomer van 1939 brak de oorlog uit en moesten wij van de grens wegtrekken. Wij leefden constant in spanning. Dikwijls werden wij voor overheidspersonen gesleept en ervan beschuldigd dat wij spionnen waren of tot de vijfde colonne behoorden. Meer dan ooit tevoren voelde ik dat het een tijd was om onze dienst toegewijd te verrichten. Op mei 1940 werd België binnengevallen en moesten wij ons terugtrekken voor de snel oprukkende nazi-legers. Wij moesten heel wat keren al onze moed bijeenrapen toen wij langs de wegen van Vlaanderen fietsten met onze schamele bezittingen bij ons, en wij in schuren of waar wij ook maar onderdak konden vinden, sliepen. De meeste dorpen waren verlaten en hier en daar lagen de doden langs de weg als bewijs van de bombardementen en de gevechten die zich rondom ons afspeelden. Ik moest ernstig blijven bidden om de moed niet te verliezen. Eén ding stemde mij echter toch dankbaar: Van elke taak die mij was toegewezen, had ik mij inderdaad vol toewijding gekweten. Wat zou ik het nu hebben betreurd indien ik dit niet had gedaan!

Op een dag werd onze groep in tweeën gesplitst. Mijn partner zag er kans toe het Kanaal over te komen, maar het groepje waar ik bij was, werd bij elke haven aan het Kanaal teruggestuurd. Ik had weinig geld op zak en de situatie zag er onheilspellend voor mij uit, niet alleen omdat ik Brits onderdaan was, maar vooral omdat ik een volle-tijd-bedienaar van Jehovah’s getuigen was, die Hitler vastbesloten was uit te roeien. Alle vluchtelingen werd gezegd naar huis terug te keren. Dit hield in naar België terug te gaan, dat ondertussen had gecapituleerd. Ook het grootste deel van Frankrijk was nu bezet. Betekende dit het einde van ons werk?

Eenmaal terug in België kwam ik erachter dat mijn naam op de „zwarte lijst” van de Gestapo stond. Wat moest ik doen? Waar moest ik verblijven? Als werd ontdekt dat iemand een Brits onderdaan herbergde, zou hij op staande voet doodgeschoten worden; zou ik dus bij de Getuigen logeren, dan zou ik hun leven in de waagschaal stellen. Bovendien beschikte ik niet over de middelen om in wat nu vijandelijk gebied was in mijn onderhoud te voorzien. Ik kon niet eens een levensmiddelenkaart krijgen. Ik vroeg mij af wat Jehovah’s wil voor mij was en verzocht hem of hij dit duidelijk wilde maken. Juist toen hernieuwde een Getuige die ik reeds enige jaren kende zijn huwelijksaanzoek. Na deze aangelegenheid in gebed aan God te hebben voorgelegd, aanvaardde ik het.

ONDERGRONDSE PREDIKING

Dank zij de medewerking van de Belgische autoriteiten werden wij in het huwelijk verbonden en vonden wij een plaatsje waar wij konden wonen. Het „ondergrondse” werk werd reeds georganiseerd, en de met de verantwoordelijkheid belaste broeders vroegen of ik eraan wilde deelnemen. De weg die zich eerst zo duister had laten aanzien, begon zich nu duidelijker af te tekenen. Mijn echtgenoot gaf zijn toestemming en zocht werk waardoor ik deze nieuwe vorm van volle-tijd-dienst kon voortzetten. Mijn taak was nu, het geestelijke voedsel nadat wij het hadden vertaald en in het geheim hadden gestencild, op bepaalde centrale plaatsen af te leveren, vanwaar het verder onder de broeders gedistribueerd werd.

Dit ondergrondse werk bracht met zich dat wij vele malen door het oog van de naald kropen. Eens kwam ik bij het huis van een broeder aan vlak nadat de Gestapo was vertrokken. Zij waren daar gekomen naar aanleiding van een anonieme brief waarin ik werd aangebracht. Bij een andere gelegenheid werd ik er op het laatste moment van weerhouden naar het huis van een Getuige te gaan waar ik instructies zou ontvangen. Op die bewuste zondagmorgen had de Gestapo hem gearresteerd. Drie dagen lang werden er bij zijn huis wachten geplaatst om alle Getuigen die er zouden komen, te arresteren. Een broeder die er heen ging, werd niet herkend en hij waarschuwde mij. Soms hielpen nazi-soldaten mij bij het uitstappen uit de trein of tram of bodem zij aan mij mijn koffer aan te geven, die zonder dat zij het wisten, vol zat met onze lectuur!

Hoe kostbaar was het geestelijke voedsel dat tot ons doorsijpelde! Wij kwamen op verschillende dagen en in verschillende huizen in heel kleine groepjes bijeen en meestal rondom een voor de maaltijd gedekte tafel ingeval er onwelkome bezoekers mochten komen. Rond de Gedachtenistijd deden wij altijd een speciale krachtsinspanning in het predikingswerk. Tijdens de Gedachtenisweek in 1943 vond ik een gezin van tien personen en ik smaakte de vreugde hen allemaal in Jehovah’s organisatie te zien komen. De oorlogsjaren brachten mij als nooit tevoren waardering bij voor het feit dat zij die tot Jehovah’s volk behoren, in tijden van gevaar loyale kameraden zijn, en deden mij tevens beseffen hoe waardevol het geestelijke voedsel is, waarvoor velen hun leven waagden.

DE NAOORLOGSE TOENAME

Het oorlogsgetij verliep en ons gedeelte van Europa werd bevrijd. Ik kon voor een korte periode naar Engeland terugkeren om mijn ouders te bezoeken. Wat een vreugde was het om bij hen te zijn en ervaringen uit te wisselen! Het was wonderbaarlijk om weer zoveel broeders te ontmoeten, de vergaderingen vrij bij te wonen en te zien hoe Jehovah’s organisatie vooruitgegaan was.

Zodra ik naar België terugkeerde, werden mijn man en ik uitgenodigd om op het kleine bijkantoor in Brussel als vertalers werkzaam te zijn. Een van de grootste vreugden was de ontdekking dat gedurende de oorlogsjaren van ontbering en gevaar het handjevol Getuigen in België was uitgegroeid tot honderden — een wonder dat alleen door Jehovah’s geest mogelijk was.

In december 1945 bezocht de derde president van het Genootschap, broeder Knorr, voor de eerste maal het naoorlogse België. Toen een afgestudeerde van de Wachttoren Bijbelschool Gilead ons kwam helpen het werk te organiseren, was het mijn voorrecht zijn tolk te zijn zolang hij Frans leerde. Naarmate het werk beter georganiseerd werd, kwamen er in plaats van honderden, duizenden Koninkrijksverkondigers. Meer dan ooit tevoren was het een tijd van toegewijde dienst, een tijd waarin belangstellenden geholpen moesten worden de weg ten leven te vinden.

In 1950 woonde ik het Newyorkse congres in het Yankee Stadion bij en bracht ik een bezoek aan het nieuwe bethelhuis in Brooklyn, de drukkerij en de Gileadschool. Evenals de koningin van Scheba had ik het gevoel dat ’de helft mij niet was aangezegd’. Het overlijden van mijn echtgenoot kort daarop deed mij eens te meer beseffen welk een kostbaar voorrecht het is vol toewijding in de volle-tijd-dienst te staan en wat de liefde van de broeders en van Jehovah’s zichtbare organisatie in moeilijke tijden voor iemand kan betekenen.

Toen het nieuwe Bethelhuis in Parijs klaar was, kreeg ik een toewijzing om daar te werken, maar het was niet zonder harteleed dat ik zovelen die ik in België had lief gekregen, verliet. Alhoewel ik mijn oude vrienden niet ben vergeten, heb ik toch ook weer vele nieuwe vrienden gevonden. Ook hier is het een grote vreugde te zien hoe opzieners de cursus van de Koninkrijks-Bedieningsschool doorlopen en beter toegerust naar huis terugkeren om Jehovah’s „schapen” te weiden. Had iemand mij toen ik voor het eerst op Franse bodem voet aan wal zette of gedurende de donkere dagen van de Tweede Wereldoorlog gezegd dat zo iets zou gebeuren, dan zou ik het moeilijk hebben kunnen geloven.

En kunt u zich nu voorstellen hoe ik mij voelde toen ik mijn blik liet gaan over dat volle stadion bij Parijs? Deze grote menigte was uit vele plaatsen afkomstig waar wij ruim vijfentwintig jaar geleden voor het eerst lectuur hadden verspreid. Toegewijde dienst schenkt beslist in vele opzichten rijke beloningen. Ik besef dat ik slechts door trouw elke dag de mij opgedragen taak toegewijd te volbrengen, Jehovah mijn dankbaarheid kan tonen voor alle zegeningen die hij mij heeft geschonken.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen