Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w62 1/12 blz. 729-732
  • Voordeel trekken van Gods onverdiende goedheid

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Voordeel trekken van Gods onverdiende goedheid
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1962
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • EEN TE VERRICHTEN WERK
  • TIJD VAN OORLOG
  • IK LEER SPREKEN
  • TERUG NAAR SCHOOL
  • ZIJN ONVERDIENDE GOEDHEID VOLDOENDE
  • Dankbaar voor Gods onverdiende goedheid
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk (studie-uitgave) 2016
  • Onverdiende goedheid
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
  • Onverdiende goedheid
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • Predik het goede nieuws van Gods onverdiende goedheid
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk (studie-uitgave) 2016
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1962
w62 1/12 blz. 729-732

Voordeel trekken van Gods onverdiende goedheid

Zoals verteld door E. Nironen

WAT wonderbaarlijk is het dat Jehovah God, de Schepper van het universum, Hij die zo groots is dat de hemel der hemelen hem niet kan bevatten, de nederige mens goedheid betoont! Liefdevol heeft hij het de mensen toegestaan hem en zijn voortreffelijke hoedanigheden te leren kennen. Hij heeft ons er goede redenen voor gegeven om moed te vatten en hoop te koesteren, en ons zelfs uitgenodigd om zijn medewerkers te worden. Welk een goedheid! Wat een onverdiende goedheid! Waardering voor deze door God betoonde hoedanigheid heeft mijn leven in een bepaalde richting geleid.

Reeds vanaf mijn vroegste kinderjaren in het grote oude herenhuis in Mäntyharju, Finland, hebben de schoonheden van de scheppingen die God de mens schonk opdat deze ervan zou genieten, mij ertoe gebracht vol ontzag naar de Schepper op te zien. Toch boden de verschillende kerken mij niets wat het verlangen in mij deed opkomen om mijn leven aan hun werk op te dragen. Ik werd veeleer gefascineerd door het leren van andere talen en door muziek, en wanneer ik niet iets van groter belang gevonden zou hebben, zou mijn belangstelling voornamelijk hiernaar zijn blijven uitgaan. Wat was dit dan wel?

EEN TE VERRICHTEN WERK

Ik had altijd zeer veel ontzag voor God, maar in 1910 begon ik zijn voornemen te begrijpen. In dat jaar vestigde mijn broer mijn aandacht op de in de bijbel te vinden waarheid. Hij gaf mij het eerste deel van een serie boeken die bekendstonden als de „Schriftstudiën”. Ik was in die tijd op school, maar daar het leren mij gemakkelijk afging, had ik genoeg tijd voor andere dingen en werd het lezen van de Schriftstudiën mijn nieuwe hobby. Door het lezen van de bladzijden ervan ging ik langzamerhand beseffen dat Gods voorziening voor de mens om eeuwig leven te verwerven — sommigen in de hemel en anderen op een paradijsachtige aarde — een zelfs nog grotere goedheid vormde dan die welke ik in de schepping had geconstateerd. „Door deze onverdiende goedheid”, zo verklaarde een apostel van Jezus Christus, „zijt gij ook door geloof gered, en dit hebt gij niet aan uzelf te danken, het is Gods gave” (Ef. 2:8, NW). Wanneer ik een dergelijke onverdiende goedheid accepteerde, kon ik het mij niet veroorloven het doel ervan te missen. Er moest werk worden verricht. Ik moest het met anderen delen, en, hoewel mijn schoolkameraden er over het algemeen tegen waren, begon ik er toch met hen over te spreken. — 2 Kor. 6:1.

Met het verstrijken van de jaren nam mijn kennis toe. De Wachttoren-publikaties en lezingen van rijpe broeders in de gemeente hielpen mij een betere kijk op mijn verantwoordelijkheden te krijgen. Toen, in de zomer van 1914, voelde ik mij er na het zien van het schitterende Photo-Drama der Schepping met zijn schildering van Gods voornemen vanaf de schepping tot helemaal in Zijn nieuwe wereld, toe geroepen om mij aan Jehovah op te dragen en ik symboliseerde dit door de waterdoop op een congres in Helsinki.

Net als met mij het geval was geweest, bleef het Photo-Drama ook vele anderen helpen. Er werd in Finland een enorm getuigenis mee gegeven. In de daaraan voorafgaande vier jaren was er een goed getuigenis afgelegd over het begin van ’s werelds tijd van het einde in 1914, en vele mensen wisten er nu van. Hierdoor hielpen de kanonnen van de eerste Wereldoorlog werkelijk om de vertoning van het Photo-Drama bekend te maken. Er waren zelfs vele Russische officieren die naar de voorstellingen toe kwamen.

TIJD VAN OORLOG

Het waren moeilijke tijden. Wij waren inderdaad de tijd van het einde ingegaan, zoals de bijbel had voorzegd. De wereldoorlog bracht zijn perioden van verduistering, voedseltekorten, ziekten en in vele verschillende opzichten een morele ineenstorting met zich mee. Zelfs in het binnenland groef men loopgraven, en er heerste voortdurend verwarring. In deze onrustige tijd ontmoette ik een Russische officier — Duitser van geboorte — die zo geïnteresseerd was in de bijbelse waarheid, dat hij zich alle in het Duits beschikbare Wachttoren-publikaties en een bijbel aanschafte. Tot diep in de nacht las hij er in en kwam dan de volgende dag naar mij toe om een verklaring te krijgen voor de punten die hij niet begreep. Al gauw verdween hij echter toen er troepen werden overgeplaatst.

Tenslotte ontwikkelde de wanordelijke toestand in het land zich tot een burgeroorlog tussen de Rechtsen en de Linksen, de „Witten” en de „Roden”. Ik was toen thuis in Mäntyharju, in het gebied van de „Witten”, en daardoor gescheiden van onze broeders in het zuiden. Er heerste een gespannen situatie en de mensen beschouwden iedereen die niet actief in hun rijen mee streed, als een van de vijand. Velen waren heel kwaad over het feit dat ik in een dergelijke tijd de bijbelse boodschap van vrede predikte, maar vol goedheid waakte God over ons. Na een korte periode eindigde de burgeroorlog en nu deed de gewone dienstplicht haar intrede.

Dit stelde mij in de gelegenheid mijn christelijke neutraliteit voor vele militaire beambten uiteen te zetten. Ondanks de moeilijke omstandigheden behandelden sommigen van hen mij toch heel vriendelijk en menselijk. Een van hen kwam tamelijk vaak naar mij toe om er met mij over te spreken en ik was dikwijls in de gelegenheid om officieren en soldaten getuigenis te geven. Ik herinner mij nog een officier die, toen hij vernam dat ik niet hetzelfde geloofde als leden van de lutherse staatskerk, verdere vragen begon te stellen. ’Ik geloof niet in eeuwige pijniging’, verklaarde ik. Daar kon hij het mee eens zijn. ’En ik geloof ook niet in de onsterfelijkheid van de ziel.’ ’Wel, ik heb al hetzelfde gedacht’, antwoordde hij. Dit had tot resultaat dat hij wilde dat ik met de jongens van zijn bataljon over deze dingen zou spreken, hetgeen ook bij verschillende gelegenheden gebeurde.

IK LEER SPREKEN

Gedurende die jaren kon ik bij het bezoeken van de vergaderingen de rijpe broeders die openbare lezingen hielden, niet anders dan bewonderen, en vaak dacht ik hoe fantastisch het zou zijn als ik dit ook zou kunnen. Ik was er echter vast van overtuigd, dat ik hier nooit toe in staat zou zijn. Toch ontving ik in 1917 een brief van het bijkantoor van het Wachttorengenootschap waarin mij werd gevraagd of ik er ooit over had nagedacht om in het openbaar te spreken. Mijn antwoord: ’Ik heb er inderdaad wel over nagedacht en de bekwaamheid van anderen dienaangaande bewonderd, maar zelf ben ik er absoluut niet toe in staat.’ Hierop antwoordde de bijkantoordienaar: ’Wel, we zullen je om te beginnen eerst een serie korte lezingen geven.’ Ik stond versteld en liep over van vreugde; terzelfder tijd vroeg ik Jehovah bevend om hulp.

Ik kan mij nog goed mijn eerste openbare lezing herinneren. Ik had deze uitgeschreven en slaagde er, gedeeltelijk voorlezend, gedeeltelijk improviserend, in om er doorheen te komen. Hoewel ik in een dorpje op het platteland was, waren er ongeveer vierhonderd personen aanwezig en ik was duizelig van plankenkoorts. Toch pakte ik het aan, en door Jehovah’s onverdiende goedheid heb ik tot op dit ogenblik, meestal in de weekends, meer dan 1500 van dergelijke openbare lezingen in het Fins en Zweeds kunnen houden.

In de twintiger jaren had ik het voorrecht talloze reizen naar verschillende Europese landen te kunnen maken om congressen te bezoeken en er zelfs lezingen te houden. Het congres dat van 25 tot en met 31 mei 1926 te Londen werd gehouden, vormde de meest opwindende van deze ervaringen. Wij verspreidden daar de nieuwe brochure De banier voor het volk en ik kan mij nog als de dag van gisteren herinneren hoe gelukkig ik mij aan het eind van de dag voelde dat ik aan dit werk had deelgenomen. De resolutie „Een getuigenis aan de wereldleiders”, welke op dit congres werd aangenomen, was vooral voor die tijd, in zeer krachtige bewoordingen gesteld. En broeder Rutherfords openbare lezing: „Waarom de wereldmachten wankelen — het geneesmiddel” in de tot de nok toe gevulde Royal Albert Hall, was als het donderen van een oordeelsbazuin. Ik zat hoog in de galerij, vol ontzag voor de dingen die ik aanschouwde.

Na verloop van jaren kwam de tweede Wereldoorlog. Weer moest Finland ernstige moeilijkheden doorstaan. Jonge broeders die de leeftijd voor de militaire dienstplicht hadden bereikt, werden gearresteerd en gevangen gezet, aan zware beproevingen onderworpen en ruw behandeld vanwege het handhaven van hun christelijke neutraliteit. Onze prediking en bijbelse lectuur werden verboden, vergaderingen mochten niet meer worden gehouden en de bijkantoordienaar werd in hechtenis genomen. Toch ging het werk door Gods onverdiende goedheid voort. Wij slaagden er zelfs in om met elkaar te studeren, ja zelfs om enkele congressen te houden! Gedurende deze hele periode heb ik regelmatig huisbijbelstudiën kunnen bedienen.

Kort na de oorlog bezocht de president van het Genootschap, br. Knorr, ons op het bijkantoor in Helsinki, en hielp ons om het werk beter te organiseren. Het was een sterkende ervaring voor mij, die mij doordrong van de theocratische werkwijze van de organisatie. Ik wist echter nog niet de helft.

TERUG NAAR SCHOOL

Na dat bezoek werden vier Finse broeders van Bethel uitgenodigd om de Wachttoren Bijbelschool Gilead in de Verenigde Staten te bezoeken, en ik was er één van! Ik kon mijn oren en ogen niet geloven! Ja, door middel van zijn organisatie betoonde Jehovah ook mij zijn goedheid.

Kort na onze aankomst in Amerika bezochten wij in augustus 1946 het congres in Cleveland, Ohio. Het was een geweldige ervaring voor mij om voor die mensenmenigte van zeventigduizend personen de korte lezingen te houden die ik toegewezen had gekregen. En er waren zovele verrassingen voor ons allen: nieuwe boeken die wij bij onze studie konden gebruiken, nieuwe organisatorische regelingen en de bekendmaking van een programma om de faciliteiten van het Genootschap uit te breiden. De opwinding eindigde niet met het congres, maar bleef toenemen toen wij naar Gilead, de zendingsschool, reisden.

Wij werden heel hartelijk ontvangen. De leraars stelden zich aan ons voor en wij voelden ons meteen op ons gemak. O ja, de cursus was zwaar, maar vol zegeningen. Nu leerde ik pas hoe ik werkelijk de bijbel moest bestuderen. Ik kreeg een geheel nieuwe kijk op de dingen. Het leren kennen van de werkwijze van de organisatie en de recht uit het hart komende toewijding van de broeders versterkte ook mijn hart. Nu ik terug ben in Finland en er al weer vele jaren zijn verstreken, zie ik nog steeds terug op die ervaring en besef ik dat het een uiting van Jehovah’s onverdiende goedheid jegens mij was.

ZIJN ONVERDIENDE GOEDHEID VOLDOENDE

Het is in de loop der jaren natuurlijk wel gebeurd dat ik naar wat meer lichamelijk uithoudingsvermogen verlangde. Mijn fysieke zwakheid heeft mijn werk soms onderbroken, en de laatste onderbreking bracht mijn dienst bijna tot een einde toen mijn maag het begaf. Ik werd meteen naar de operatietafel gebracht, maar op Jehovah vertrouwend verloor ik zelfs onder die omstandigheden niet mijn vrede des geestes. De chirurg was iemand die, hoewel hij mij niet veel hoop kon geven, bereid was om mijn religieuze standpunt dat het gebruik van bloed uitsluit, te respecteren, en hij deed schitterend werk. Tot aller verbazing herstelde ik voorspoedig, hoewel hiervoor natuurlijk tijd nodig was. Ik voel mij net zoals de apostel Paulus zich gevoeld moet hebben door de kwaal die hij een „doorn in het vlees” noemde. Hij wenste ervan bevrijd te worden, maar de Here zei hem: „Mijn onverdiende goedheid is voldoende voor u; want mijn kracht wordt in zwakheid volmaakt” (2 Kor. 12:7-9, NW). Ook mijn eigen ziekte, mijn eigen zwakheid, opende de weg tot een goed getuigenis tegenover het ziekenhuispersoneel en de andere patiënten, die allen heel vriendelijk voor mij waren.

Er zijn meer dan veertig jaren verstreken sinds ik op het Finse bijkantoor van het Wachttorengenootschap kwam werken, en toch lijkt het maar een heel korte tijd. Ik gaf een muzikale carrière op, maar ik ben er van overtuigd geraakt dat het nastreven van stoffelijk gewin of eigen eer geen werkelijk geluk schenkt. Het loven van God heeft mij een veel groter geluk gebracht. En mijn liefde voor andere talen heeft een veel diepere betekenis voor mij gekregen dan toen ik een jongen was, want ik heb met enkele anderen de boodschap des levens in de taal van de mensen onder wie ik dien, mogen vertalen. Gods onverdiende goedheid heeft al deze gelegenheden voor mij geopend, vreugde in mijn leven gebracht en mij in staat gesteld mijn leven eraan te besteden om deze met anderen te delen.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen