Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w59 1/11 blz. 666-671
  • De oorsprong van het christendom en de Dode-Zeerollen

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • De oorsprong van het christendom en de Dode-Zeerollen
  • De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1959
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • SCHIJNBARE OVEREENKOMSTEN
  • SCHRIL CONTRAST IN LEERSTELLINGEN
  • OPVALLENDE TEGENSTELLINGEN IN GEWOONTEN
  • NIEUWE WIJN IN NIEUWE WIJNZAKKEN
  • Wat is de waarheid over de Dode-Zeerollen?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2001
  • De Dode-Zeerollen — Waarom dient u er belang in te stellen?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2001
  • Qumran
    Verklarende woordenlijst
  • ’Breng de boekrollen mee, vooral de perkamenten’
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2011
Meer weergeven
De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1959
w59 1/11 blz. 666-671

De oorsprong van het christendom en de Dode-Zeerollen

IN DE lente van 1947 trachtten drie bedoeïnen in de stad Bethlehem zeven oude manuscripten te verkopen. Deze door de bedoeïnen in stenen kruiken in een grot gevonden manuscripten die de vorm van leren rollen hadden, bestonden uit bijbelse en sektarische geschriften. Daar de grot in de woestijn en niet ver van de Dode Zee was gelegen, kwamen de rollen als de Dode-Zeerollen bekend te staan. Er gingen maanden overheen voordat de bedoeïnen hun rollen eindelijk van de hand konden doen; zij verkochten er drie aan het St. Markusklooster en drie aan de Hebreeuwse universiteit te Jeruzalem. Zeven jaar later werd de universiteit voor een bedrag van ƒ 950.000 de eigenaresse van de andere vier rollen, die intussen tevergeefs in de Verenigde Staten te koop waren aangeboden. Bij deze vier was de kostbaarste van alle, een rol in oud-Hebreeuws van het complete boek van Jesaja, alle zesenzestig hoofdstukken inbegrepen.

Deze rollen worden niet zonder reden als de „grootste manuscriptenontdekking van de moderne tijd” beschreven. Door experts op het gebied der archeologie en paleografie (de wetenschap van oude geschriften) en de meting in de „atoomklok” volgens de koolstof-14 methode, is hun datum van oorsprong onbetwistbaar op de tweede eeuw v. Chr. bepaald. Voorheen was de oudstbekende Hebreeuwse getuige van Gods Woord het Nash-papyrus, dat niet zover teruggaat, slechts uit vier fragmenten van één enkele bladzijde bestaat en nooit een deel van een rol is geweest. Het bevat toevallig de Tien Geboden en twee verzen van de Shemá of de joodse geloofsverklaring zoals deze in Deuteronomium 6:5, 6 wordt gevonden.

Sinds 1951 zijn er vele andere soortgelijke ontdekkingen gedaan, hetgeen tienduizenden fragmenten van oude bijbelmanuscripten omvat. Daar deze alle in hetzelfde gebied zijn gevonden, worden ze ook Dode-Zeerollen genoemd.

Doordat de Chirbet („ruïnes”) Qoemraan, die slechts anderhalve kilometer van de grot waar de eerste rollen werden gevonden, zijn verwijderd, werden blootgelegd, werd de geschiedenis van de Dode-Zeerollen afgerond. De ruïnes zijn als die van een klooster, het hoofdkwartier van de sekte die de Dode-Zeerollen — of op zijn minst de eerste die er zijn gevonden — heeft vervaardigd, geïdentificeerd. Wat de identiteit van deze sekte betreft, vertelt de „vooraanstaandste Dode-Zeerollen-autoriteit van thans” ons dat „er nu voldoende bewijs is . . . om het volk van de rollen definitief”, dat wil zeggen, uiteindelijk en voorgoed als „de Essenen” — een joodse kloostersekte die van de tweede eeuw v. Chr. tot de vernietiging van Jeruzalem in 70 n. Chr. werkzaam was — „te identificeren”.

De belangstelling welke over de gehele wereld voor de Dode-Zeerollen aan de dag werd gelegd, was en is nog steeds zeer groot. Waarom? Voornamelijk door de bewering van sommigen dat de Dode-Zeerollen de menselijke oorsprong van het christendom te kennen schijnen te geven.

Wat zijn echter de feiten? Kunnen „de gebruiken en leringen uit zowel de evangeliën als de zendbrieven” inderdaad „op elke overeenkomstige bladzijde van de sekte” die de Dode-Zeerollen vervaardigde, „worden gevonden”? Is het Qoemraanklooster „misschien meer dan Bethlehem of Nazareth, de bakermat van het christendom”? Moesten wij op de ontdekking van deze rollen wachten om ten slotte „meer begrip van het drama dat in het christendom zijn hoogtepunt vond, te krijgen”?

SCHIJNBARE OVEREENKOMSTEN

Laten wij in de eerste plaats opmerken dat wanneer geleerden geen onderscheid maken tussen de tegenwoordige christenheid en het bijbelse christendom zoals dit in Jezus’ dagen werd geleerd en beoefend, zij wel op een dwaalspoor moeten raken. En in de tweede plaats zijn de overeenkomsten die er tussen wat de bijbel over het christendom zegt en wat Josephus, Plinius en Philo en de schrijvers van de Dode-Zeerollen over de leer der Essenen hebben te vertellen, schijnen te bestaan, zeer oppervlakkig. Fundamenteel is het verschil tussen de twee even groot als tussen de dag en de nacht.

Eén van deze zogenaamde overeenkomsten is het gemeenschappelijke bezitten van alle goederen. Wanneer iemand lid van de Dode-Zeerollensekte werd, moest hij al zijn bezittingen, tot op zijn allerlaatste cent, aan de orde afstaan. Dit is vergeleken met wat er in de eerste christengemeente vlak na het pinksterfeest plaatsvond, en in het bijzonder met wat er met Ananias en Saffira, nadat zij een gedeelte van de verkoopprijs hadden achtergehouden, gebeurde. Hoe moeten wij dit geval echter opvatten? — Hand. 4:32 tot en met 5:11.

De overeenkomst is slechts oppervlakkig. Uit het feit dat deze aangelegenheid van het „alles gemeenschappelijk” bezitten zowel in het boek der Handelingen als het overige van de Christelijke Griekse Geschriften niet meer wordt genoemd, blijkt duidelijk dat het slechts een tijdelijke regeling wegens ongewone toestanden was. Bovendien werd het niet van de christenen geëist dat zij hun bezittingen zouden afstaan, en ook stond er geen, zoals dit bij de Essenen wel het geval was, straf op wanneer zij dit niet zouden doen. Ananias en zijn vrouw werden niet gestraft omdat zij iets achterhielden maar vanwege de huichelachtige rol die zij speelden; zij beweerden namelijk dat zij de gehele opbrengst van de verkoop van hun bezit afdroegen terwijl zij er in werkelijkheid een deel van hadden achtergehouden. Zij dachten dat zij ongestraft tegen Gods woordvoerder konden liegen. Dat was hun zonde. Dat de eerste christengemeente „alles gemeenschappelijk” had, was tijdelijk en geheel vrijwillig; bij de Dode-Zeesekte was dit blijvend en verplicht terwijl het niet nakomen ervan streng werd gestraft — hier is dus een hemelsbreed verschil tussen!

Dat zowel de christenen als de Essenen van symbolische afwassingen of onderdompelingen gebruik maakten, duidt volgens hen eveneens op een overeenkomst. Ook hier is deze echter slechts oppervlakkig. De doop welke Jezus voor zichzelf en zijn volgelingen instelde, symboliseert of veroorzaakt geen vergeving van zonden, want hij had geen zonde. Het symboliseert dat iemand zich aan het doen van Gods wil heeft opgedragen en het wordt slechts eenmaal in het leven van een christen ten uitvoer gebracht en dat door middel van een andere christen. Onder de Essenen werd dit dagelijks door de persoon zelf gedaan en op zich als een rituele reiniging beschouwd. Zou er een groter contrast kunnen bestaan? — Matth. 3:13-15.

Soortgelijke argumenten zijn ook op de bewering dat het avondmaal des Heren naar het voorbeeld van het gemeenschapsmaal der Essenen werd gevormd, van toepassing. Het avondmaal des Heren wordt ter gedachtenis aan Christus’ dood terecht slechts eenmaal per jaar, op de 14de Nisan, gevierd en heeft een zuiver symbolische betekenis — zij die het avondmaal des Heren als een gelegenheid om hun honger te stillen, beschouwden, werden door de apostel Paulus streng terechtgewezen. Daarentegen was het gemeenschapsmaal der Essenen, dat ten doel had zich te voeden, een dagelijkse aangelegenheid. — 1 Kor. 11:20-22.

Ten aanzien van de eschatologische leringen van het christendom en de Dode-Zeerollensekte — de leringen welk op het einde van een samenstel van dingen en de oordeelsdag betrekking hebben — denkt men nog een overeenkomst ontdekt te hebben. Er bestaat geen twijfel over dat de Essenen de oordeelsdag en het einde der wereld in hun dagen verwachtten; juist wegens dit geloof trokken zij zich uit de rest der mensheid terug om zodoende beter in de gelegenheid te zijn zichzelf te vervolmaken — precies zoals sommige sekten in de Verenigde Staten zich in afwachting van het einde der wereld in bepaalde bergstreken hebben teruggetrokken. Wat de eerste christenen betreft, hoewel sommigen van hen ’de dag van Jehovah’ op een ongepaste wijze trachtten ’te verhaasten’, is het eveneens duidelijk dat Jezus en Paulus hun in het bijzonder te kennen gaven dat er nog een lange tijd voordat het einde van dit samenstel van dingen zou komen, zou verstrijken. Zei Jezus niet dat het goede nieuws van het Koninkrijk eerst op de gehele bewoonde aarde gepredikt moest worden, voordat het einde zou komen? En schreef de apostel Paulus in zijn tweede brief aan de Thessalonicenzen niet aan hen dat zij niet moesten denken dat de dag van Jehovah ophanden was, omdat deze niet eerder zou komen dan nadat er een afval was geweest en de mens der zonde, de zoon des verderfs, zich had geopenbaard? Inderdaad! — Matth. 24:14; 2 Thess. 2:1-12.

Ook hebben zekere geleerden een lijst van vijfhonderd ogenschijnlijke overeenkomsten tussen de Christelijke Griekse Geschriften (Het Nieuwe Testament) en de eerste Dode-Zeerollen die over de Essenen handelen, opgesteld. Men zou zich echter terecht kunnen afvragen, Hoeveel zouden er overblijven indien alle die ook in de Hebreeuwse Geschriften voorkomen, werden geschrapt? Daar het christendom in het oude Wetsverbond was voorschaduwd en de Essenen er aanspraak op maakten volgens de vereisten van de Wet te leven, volgt daaruit dat beide vele uitdrukkingen gemeen moesten hebben. Of zoals een autoriteit op het terrein der Dode-Zeerollen het treffend uitdrukte: „Men zou zich inderdaad kunnen afvragen of Jezus’ leer en het geloof van de Qoemraangemeenschap niet iets met elkaar gemeen hebben wat niet eveneens in andere joodse bronnen gevonden kan worden.”

SCHRIL CONTRAST IN LEERSTELLINGEN

Er is in de Hebreeuwse Geschriften niets waarop zo de nadruk wordt gelegd als op Jehovah’s naam. Farao, Goliath en Sanherib werden ertoe gedwongen te erkennen dat de enige ware God Jehovah is. Jehovah bevrijdde zijn volk herhaaldelijk om dezelfde reden (2 Sam. 7:23; Jes. 43:10-12; Ezech. 36:21-23). De belangrijkheid van Jehovah’s naam wordt ook in de Christelijke Griekse Geschriften sterk beklemtoond (Matth. 6:9; Joh. 12:28; 17:6; Hand. 15:14). In de geloofsbelijdenissen van de Qoemraangemeenschap werd hieraan echter geen aandacht geschonken. Voor hen was niet Gods naam maar hun eigen redding van overwegend belang.

De noodzaak van een zondeverzoenend offer wordt door de gehele Schrift, van Genesis tot Openbaring, scherp belicht; en hij die erin voorzag, wordt als Jezus Christus geïdentificeerd (Joh. 1:29; Matth. 20:28; 1 Tim. 2:5, 6). In de geschriften van de Qoemraangemeenschap zoeken wij echter tevergeefs naar enige op zulk een offer — of het nu door Jezus of een ander wordt gebracht — betrekking hebbende verwijzing. Zij spanden zich in om door middel van rituele reinigingen en pogingen om zich zedelijk te verheffen, redding te verwerven.

De schrijvers van de Dode-Zeerollen waarin het geloof van de Essenen wordt uiteengezet, tonen bovendien aan dat zij in de onsterfelijkheid van de menselijke ziel en in eeuwige pijniging als een straf voor de goddelozen geloofden. Deze beide leerstellingen vormen een schril contrast met de duidelijke schriftuurlijke leer dat de ziel van de mens sterfelijk is en dat ophouden te bestaan of de dood de straf voor zonde is (Ezech. 18:4; Rom. 6:23). Verder geloofde deze sekte ook in de predestinatie van enkelingen, terwijl de Schrift leert dat God alleen maar zekere vereisten en klassen van enkelingen van te voren verordineerde. Indien de bestemming van enkelingen reeds was voorbestemd, zou het geen nut hebben tot hen te prediken of hen aan te moedigen te volharden. — Kol. 1:23; Matth. 24:13.

Evenmin mag het feit dat de Dode-Zeerolsekte veel van het Perzische Zoroastrisme heeft overgenomen, over het hoofd worden gezien. Dit kan uit haar aanbidding van engelen en de zon en de nadruk die ze op mysteries legde, worden opgemaakt. Het ware christendom heeft absoluut niets met enige heidense religie gemeen. — 2 Kor. 6:15-17.

OPVALLENDE TEGENSTELLINGEN IN GEWOONTEN

Hoe onhoudbaar de theorie dat de sekte van de Dode-Zeerollen het christendom in het leven heeft geroepen, is, wordt nog eens onderstreept door de grote contrasten die er tussen de twee groepen bestaan. De Essenen scheidden zich trots van hun joodse volk af. Wat hen betrof, mocht de gehele overige rest van de wereld de Duivel in handen vallen. Zij interesseerden zich alleen maar voor de redding van hun eigen ziel.

Hoe geheel anders is het schriftuurlijke christendom! Verre van zich af te zonderen, ging Jezus van stad tot stad en van dorp tot dorp om het goede nieuws van Gods koninkrijk te prediken. Ja, meer nog, hij zond eerst twaalf en daarna zeventig van zijn volgelingen uit om hetzelfde te doen; en juist voordat hij hen ging verlaten, gebood hij hun mensen uit alle natiën tot discipelen te maken en tot in de verst verwijderde delen van de aarde getuigenis te geven. — Luk. 8:1; Matth. 28:19; Hand. 1:8.

De ascetische leefwijze van de sekte stond ook in schrille tegenstelling tot het schriftuurlijke christendom. De apostel Paulus veroordeelt het ascetisme als „een schijn van wijsheid door een vorm van aanbidding welke men zichzelf oplegt, schijnnederigheid, een strenge behandeling van het lichaam, maar ze hebben geen waarde ter bestrijding van de bevrediging van het vlees”. De geestelijken van Jezus’ dagen beklaagden zich erover dat zijn discipelen niet vastten, en zij beschuldigden hem ervan dat hij „een vraatzuchtig mens en een wijndrinker” was. Jezus was stellig geen asceet! — Kol. 2:23, NW; Matth. 11:19; 9:14.

Merk eveneens het onchristelijke exclusieve karakter van deze monnikensekte op. De leden ervan werd niet toegestaan voedsel dat door buitenstaanders was bereid, te eten, en iedereen die op enigerlei wijze een lichamelijk gebrek had, werd verworpen. Ze had fijn geschakeerde onderscheidingen waaraan men zich streng bleef vasthouden; dit werd zelfs zover doorgevoerd dat wanneer iemand van een hogere orde, een senior, door een junior was aangeraakt, hij zich helemaal moest baden om opnieuw rein te worden. Ook hielden zij hun leerstellingen geheim.

In schrille tegenstelling tot dit alles bemerken wij dat Jezus met verachtelijke zondaars en belastinggaarders at. Voortdurend was hij ermee bezig hen te helpen die lichamelijk gehandicapt waren. Hij leerde zijn volgelingen dat zij slechts één Meester hadden en dat zij allen broeders moesten zijn. En verre van zijn onderwijzingen verborgen te houden, verkondigde hij ze wijd en zijd en gebood hij zijn volgelingen ze vanaf de daken bekend te maken! — Matth. 10:27; 15:31; 23:8.

De sektarische Dode-Zeerollen ademen bovendien een bittere haat tegen allen die niet tot hun sekte behoren. Wat een contrast met de loopbaan die Jezus zijn volgelingen gebood aan de dag te leggen: „Hebt uw vijanden lief en bidt voor wie u vervolgen, opdat gij kinderen moogt zijn van uw Vader, die in de hemelen is; want Hij laat zijn zon opgaan over bozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.” — Matth. 5:44, 45.

NIEUWE WIJN IN NIEUWE WIJNZAKKEN

Sceptici, zoals unitariërs en agnostici, beschuldigen christenen ervan niet objectief in hun beschouwing van het getuigenis der Dode-Zeerollen, ja, er zelfs bang voor te zijn. Door hetgeen reeds in dit artikel is gezegd, wordt deze beschuldiging echter weerlegd. Juist het tegenovergestelde is waar. Zij die de Dode-Zeerollen zouden willen gebruiken om de menselijke oorsprong van het christendom te bewijzen, nemen hun toevlucht tot sensationele beweringen en dogmatische verklaringen en worden er terecht van beticht „twijfelachtige gevolgtrekkingen uit onduidelijke teksten” te maken. Ja, zelfs nog meer dan dat, zij hebben herhaaldelijk tegenstrijdige verklaringen afgelegd, welke alle hun eigen gebrek aan objectiviteit verraden en aantonen, dat zij emotioneel zelfs meer de neiging hebben om te bewijzen dat de bijbel fout is dan dat zij die van dit boek houden, willen aantonen dat het juist is. Een typerende opmerking van een joodse geleerde is in dit opzicht zeer interessant: „Ik ontken het speciale verband dat er naar men beweert tussen de Dode-Zeerollen en het christendom bestaat niet omdat het enige theologie geweld aandoet, maar omdat dergelijke beweringen een aanfluiting aan het adres van de bezadigde en beleidvolle wetenschap zijn.”

Hoewel de meeste degelijke geleerden de uiterste stelling dat de Dode-Zeerollen-gemeenschap voor de oorsprong van het christendom verantwoordelijk is, verwerpen, voelen zij zich toch verplicht om op alle mogelijke manieren in de bediening en onderwijzingen van Johannes de Doper en Jezus Christus sporen van het Essenisme te vinden. Hoe zouden wij echter, indien dit zo was, kunnen verklaren dat er in de Schrift in het geheel niet over de sekte der Dode-Zeerollen wordt gesproken? De Farizeeën, Sadduceeën, Herodianen en Zeloten worden wel genoemd, maar er wordt met geen woord over de Essenen of hun Qoemraanklooster gerept. Waarom niet?

Wanneer Jezus met hen in contact was gekomen, zou hij hen ongetwijfeld in nóg strengere bewoordingen dan hij de Farizeeën deed, hebben terechtgewezen, want zij overtroffen de Farizeeën in het uitziften van muggen en het doorzwelgen van kamelen. Indien er op de sabbat een dier in een put zou vallen, mocht een Farizeeër het er uithalen, een Essener mocht dit echter niet. Een Esseense vrouw mocht op de sabbat zelfs niet eens een baby dragen. Meer nog, een Essener durfde alleen vis te eten wanneer deze levend was opengesneden om het bloed eruit te laten lopen. — Matth. 23:23, 24; Luk. 14:3-6.

Johannes de Doper heeft de doop niet van de Essenen overgenomen. Hijzelf vertelt ons dat het God was die hem machtigde anderen te dopen (Joh. 1:33). Jezus bracht een nieuwe boodschap, die in de bijbel met nieuwe wijn — welke geheel van de „oude wijn” van het joodse sektarisme, hetzij van de Farizeeën of van de Essenen, verschilt — wordt vergeleken. Hij was verstandig genoeg om niet te trachten deze „nieuwe wijn” in de uitgedroogde oude wijnzakken van sektarische organisaties en werkwijzen te doen. Deze „wijn” had hij, zoals hij zelf zei, van zijn Vader ontvangen: „Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, de Zoon kan niets doen van Zichzelf, of Hij moet het den Vader zien doen.” Wij aanvaarden dit getuigenis als waarachtig. Wij kunnen er dus van verzekerd zijn dat het christendom, ondanks alle menselijke theorieën, zijn oorsprong bij God vond en niets met de Dode-Zeerollen en hun sekte had uit te staan. — Luk. 5:37-39; Joh. 5:19.

In schrille tegenstelling tot de rollen die de filosofie der Essenen bevatten, behelzen de in zulk een grote getale in de omgeving van de Dode Zee gevonden bijbelmanuscripten Gods Woord en bevestigen ze op een verbazingwekkende wijze dat het onveranderd is gebleven, want „het woord des Heren blijft in der eeuwigheid”. — 1 Petr. 1:25.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen