Vragen van lezers
● Wat bedoelde Jezus toen hij volgens Johannes 3:13 zei: „En niemand is opgevaren naar den hemel, dan die uit den hemel nedergedaald is, de Zoon des mensen”? Verwijst hij, daar hij ten tijde dat hij deze woorden sprak nog op aarde vertoefde, naar voorvallen in zijn voormenselijke bestaan waarin hij als het Woord van God misschien als Jehovah’s geestelijke boodschapper verschenen kan zijn en toen weer is opgestegen? — F.B., Verenigde Staten.
Neen, de schriftuurplaats in Johannes 3:13 verwijst niet naar zijn voormenselijke activiteit als het Woord van God. Wij moeten het verband waarin deze uitspraak staat, in aanmerking nemen. Ten tijde dat Jezus deze woorden sprak, was hij van de hemel neergedaald, als een mens geboren, maar nog niet opgestegen, hetgeen pas veertig dagen nadat hij uit de dood was opgewekt, geschiedde.
Gelieve op te merken dat Johannes 3:13 met het voegwoord „en” begint, waardoor deze verklaring met de voorgaande wordt verbonden. Jezus spreekt hier tot Nicodemus, een overste der joden die hem ’s nachts kwam opzoeken, en hij had juist de vereisten voor het binnengaan in het koninkrijk Gods besproken. Hoewel Nicodemus een leraar van het volk was, vond hij het moeilijk te begrijpen hoe iemand wedergeboren moest worden om het hemelse koninkrijk binnen te gaan. Jezus antwoordde hem daarom: „Gíj zijt de leraar van Israël, en deze dingen verstaat gij niet? Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wij spreken van wat wij weten en wij getuigen van wat wij gezien hebben, en gij neemt ons getuigenis niet aan. Indien Ik ulieden van het aardse gesproken heb, zonder dat gij gelooft, hoe zult gij geloven, wanneer Ik van het hemelse spreek? En niemand is opgevaren naar den hemel, dan die uit den hemel nedergedaald is, de Zoon des mensen” (Joh. 3:13). Met andere woorden, Jezus vertelde Nicodemus dat hij, wiens verblijfplaats vanaf het begin der schepping bij zijn Vader in de hemel was geweest, uit de hemel was neergedaald en in de positie verkeerde om hem over hemelse aangelegenheden in te lichten; indien Nicodemus zijn onderwijzingen echter niet wilde aannemen, dan was er voor hem geen andere manier waarop hij de door hem verlangde kennis zou kunnen verkrijgen, want er was nog nooit iemand wanneer dan ook naar de hemel opgestegen om zulk een kennis te verkrijgen waarna hij ermee naar beneden was gekomen. Jezus sprak hier niet over enige vroegere hemelvaart van zijn zijde.
De Statenvertaling voegt aan het einde van het vers de woorden „Die in den hemel is”, toe. Toen Jezus deze uitspraak deed, was hij echter niet in de hemel; hij was op aarde met Nicodemus in een gesprek gewikkeld. In overeenstemming hiermee zet Ferrar Fenton in een voetnoot van zijn vertaling uiteen dat deze woorden „door de beste en oudste autoriteiten worden weggelaten”. Om deze reden worden ze uit zulke vertalingen als de Leidsche Vertaling, de Vertaling van Obbink en Brouwer, de Nieuwe Vertaling van het Nederlandsch Bijbelgenootschap en de vertaling van Van Tichelen weggelaten.
● In het artikel „Het avondmaal des Heren” in De Wachttoren van 1 februari 1951 wordt op bladzijde 37 paragraaf 15 verklaard: „Wat de vieringen van de eerste vier Gedachtenisfeesten betreft (33-36 n. Chr.), zij die er aan deel hadden, waren Joden, proselieten en besneden Samaritanen.” Wie waren de proselieten. Waren het heidenen die deel hadden voordat Petrus de boodschap aan Cornelius had gebracht? — M.M., New York.
Het waren heidenen of niet-joden die zich tot de joodse religie hadden bekeerd en proselieten werden genoemd. Sedert de oprichting van de natie Israël en nadat haar het Wetsverbond werd gegeven, werden er voor de niet-joden voorzieningen getroffen om zich evenals de menigte van allerlei slag ten tijde van de uittocht uit Egypte, bij de natie aan te sluiten (Ex. 12:38). De Schrift maakt herhaaldelijk melding van buitenlanders of vreemdelingen onder de Hebreeën die besneden werden, het pascha hielden, offers brachten, naar de toevluchtssteden konden vluchten, kortom, vaak onder dezelfde voorschriften vielen. In deze en andere gevallen luidde de regel: „Eenzelfde wet zal gelden voor den geboren Israëliet en voor den vreemdeling, die in uw midden vertoeft.” — Ex. 12:48, 49; Lev. 24:17-23; Num. 15:15, 16; 35:15.
Toen Jezus kwam, deelden deze proselieten in Israël en de besneden Samaritanen, die bloedverwanten van de joden waren, dezelfde joodse hoop op de komst van de Messias. Deze proselieten, die nauw met de joden waren verbonden, werden niet als een afzonderlijke klasse beschouwd zoals dit met de andere heidenen het geval was. Zij hoorden derhalve Jezus’ prediking, werden gelovigen, en werden jaren voordat het evangelie aan de onbesneden heiden Cornelius werd gepredikt, in de christelijke gemeente opgenomen. Daarom kon de evangelist Filippus naar de Samaritaanse steden gaan om daar te prediken en de Ethiopische eunuch te bekeren, en daarom voelden de apostelen in Jeruzalem zich vrij om Petrus en Johannes naar de Samaritanen te zenden. Petrus legde niet de minste aarzeling aan de dag om tot deze niet-joden te prediken. Wat was hij echter terughoudend toen hij door middel van een visioen instructies ontving om naar onbesneden niet-joden te gaan! (Hand. 8:5, 14, 27-39; 10:9-48) Er ontstond verschil van mening omdat onbesneden heidenen werden aangenomen, en niet louter om het feit dat zij heidenen waren (Hand. 11:1-3; 15:1, 2). Dit kwam omdat heidenen die proselieten en derhalve besneden waren, reeds lang voordien zonder dat erover was getwist, waren aangenomen. Zulke proselieten, die door de geest waren verwekt en in de christelijke gemeente waren opgenomen, zouden natuurlijk vanaf het begin van de symbolen van het avondmaal gebruik maken. — Hand. 2:10, 41, 42.