Jehovah met onze kostbaarheden eren
„Uw vooruitzichten inzake het schenken van bijdragen” zijn daartoe een hulp.
THANS meer dan ooit tevoren ’vereert men de schepping en verricht er heilige dienst voor in plaats van voor Hem die schiep.’ Hoe dwaas eigenlijk, want Jehovah God is de enige die onze eer en heilige dienst toekomt. — Rom. 1:25.
Waarom, zult u vragen. Omdat hij alleen de Allerhoogste, de Almachtige en de Opperste Soeverein is. Hij alleen is „van onbepaalde tijd tot onbepaalde tijd,” bij hem alleen „is de bron des levens.” Hij is de bron van alle ware wijsheid, smetteloos in gerechtigheid en de personificatie van liefde. „Elke goede gave en elk volmaakt geschenk,” in het verleden, in de tegenwoordige tijd en in de toekomst, is van hem afkomstig. De apostel Paulus bracht dit treffend onder woorden toen hij op de Marsheuvel tot de filosofen zei: „Door hem hebben wij leven, bewegen wij ons en bestaan wij.” — Ps. 90:2; 36:9, vs. 10, SV; Jak. 1:17; Hand. 17:28.
Christenen die zich aan God hebben opgedragen, hebben nog meer reden dan alle anderen om Jehovah te eren, want wij hebben een beter begrip omtrent onze Schepper en hebben meer van zijn onverdiende goedgunstigheid gesmaakt. Wij zijn „uit de duisternis in zijn wonderbaarlijk licht” gebracht. ’De waarheid heeft ons vrijgemaakt,’ vrij van bijgeloof en valse religie, van mensenvrees, dienstbaarheid aan menselijke organisaties en slavernij aan zonde en zelfzucht. Wij zijn bijeengebracht in een reine en prachtige Nieuwe-Wereldmaatschappij, die door rechtvaardige beginselen geleid wordt. Wij hebben onze hoop gesteld op Gods koninkrijk, dat spoedig een einde zal maken aan alle goddeloosheid en al het kwaad, en het Paradijs op aarde zal herstellen. — 1 Petr. 2:9; Joh. 8:32; 2 Petr. 3:13.
Hoe passend is het daarom dat wij, daar wij weten wie Jehovah God is en wat hij heeft gedaan, thans doet en — overeenkomstig zijn stellige beloften — nog voor ons zal doen, acht slaan op zijn bevel: „Eer Jehovah met uw kostbaarheden en met de eerste vruchten van uw gehele opbrengst”! Het is niet alleen rechtvaardig dat wij hem aldus eren, maar wij geven er hierdoor blijk van verstandig te zijn, want „wie mij eren, zal ik eren,” luidt zijn belofte. Die eer gaat gepaard met voorspoed: „Dan zullen uw voorraadschuren met overvloed worden gevuld en uw perskuipen zullen van nieuwe wijn overlopen.” Deze belofte wordt thans zeer zeker vervuld, zo niet letterlijk, dan toch ten minste geestelijk. — Spr. 3:9; 1 Sam. 2:30; Spr. 3:10.
Bovenal dienen wij er door een uit waardering en dankbaarheid voortvloeiende liefde toe te worden gedreven Jehovah met onze kostbaarheden te eren; zijn liefdesbetuigingen jegens ons dienen in ons liefde voor hem wakker te roepen. Dit brengt ook beloningen met zich, want „het is gelukkiger te geven dan te ontvangen.” — Hand. 20:35.
ONZE KOSTBAARHEDEN
Wat zijn de kostbaarheden waarmee wij Jehovah dienen te eren? Onder andere onze genegenheid, de hem toekomende exclusieve toewijding, ons hart, onze tijd, energie en levenskracht. Om Jehovah hiermee te kunnen eren, moeten wij ze wijselijk uitkopen, want er zijn zo veel dingen die thans aanspraak maken op onze tijd en kracht. Indien wij ze gedachteloos verkwisten, zal er heel weinig zijn overgebleven waarmee wij Jehovah nog kunnen eren; het zullen slechts restanten zijn, die men stellig geen „kostbaarheden” zou noemen, en beslist geen „eerste vruchten,” die in de oudheid het allerbeste gedeelte van de oogst vertegenwoordigden. Dit betekent dat wij tijd opzij moeten zetten voor studie en meditatie, voor gemeentevergaderingen en voor de verscheidene takken van de christelijke evangeliebediening.
Wij moeten derhalve op onze hoede zijn voor de altijd aanwezige strikken van het materialisme. ’s Mensen vernuft heeft vele plezierige en tijdrovende dingen en amusementen uitgedacht. Indien wij er met mate gebruik van maken, kunnen ze ons de voor ons noodzakelijke ontspanning geven, maar worden wij er geheel door in beslag genomen, dan zullen ze beslag leggen op al onze kostbaarheden en niets overlaten waarmee wij Jehovah kunnen eren.
Ja, zulke dingen verslinden onze stoffelijke bezittingen, vooral ons geld, hetwelk ook een van de kostbaarheden is waarmee wij Jehovah kunnen eren. Misschien hebben wij thuis plaats om een pionier of een pioniersechtpaar te huisvesten, of om een speciale vertegenwoordiger van het Wachttorengenootschap te onthalen. Een auto is nog een van de kostbaarheden waarmee wij Jehovah kunnen eren, door hiermee zowel onszelf als anderen naar de gemeentevergaderingen te brengen, allen te helpen in de velddienst uit te trekken en zoveel mogelijk broeders en zusters naar vergaderingen en congressen te brengen.
Wat het geld zelf betreft, er zijn zoveel manieren waarop wij ons geld op verstandige wijze tot eer van Jehovah kunnen gebruiken. Eén manier is bijvoorbeeld om bijdragen te schenken voor het onderhoud van de plaatselijke Koninkrijkszaal, een voorrecht dat wij allen bezitten, hoe weinig wij ook kunnen geven.
Wanneer wij bijstand verlenen aan onze behoeftige broeders en zusters, vooral degenen die in de volle-tijd-dienst staan, eren wij Jehovah eveneens met onze kostbaarheden. Hoe dat zo? Omdat onze broeders en zusters daardoor niet alleen in staat worden gesteld Jehovah beter te dienen, maar hun dankbetuigingen aan Jehovah voor dergelijke gaven strekken hem eveneens tot eer, zoals Paulus opmerkt: „De bediening van deze openbare dienst dient niet alleen om overvloedig in de behoeften der heiligen te voorzien, maar eveneens om rijk te zijn in vele dankbetuigingen aan God.” — 2 Kor. 9:12.
Bovendien hebben wij het voorrecht om Jehovah met onze kostbaarheden te eren door geregeld bijdragen te zenden naar het Wachttorengenootschap, het kanaal dat thans door Jehovah wordt gebruikt om zijn naam en koninkrijk bekend te maken en zijn volk te voeden. Dit genootschap organiseert onder andere verscheidene internationale en nationale congressen.
Hoe groot het predikingswerk is dat als een vervulling van Mattheüs 24:14 onder leiding van dit Genootschap wordt verricht, moge blijken uit de berichten in de uitgave van 1 maart 1958 van dit tijdschrift. Volgens deze berichten geschiedt het werk in 164 landen en eilanden der zee door zo’n 716.901 christelijke predikers, die in 1957 ruim honderd miljoen uren hebben besteed aan de prediking van het goede nieuws in 120 talen. Ook hebben zij 442.265 openbare lezingen gehouden en elke maand gemiddeld 413.049 bijbelstudies in de woningen der mensen geleid.
Opdat dit Genootschap op juiste wijze plannen kan opstellen voor de werkzaamheden gedurende het komende jaar en wij dit werk praktisch kunnen financieren, is de voorziening getroffen welke bekend staat als „Uw vooruitzichten inzake het schenken van bijdragen.” Door met deze regeling akkoord te gaan, stellen wij het Genootschap er eenmaal per jaar door middel van een kaart of brief van in kennis hoeveel wij het komende jaar kunnen bijdragen. Deze bijdragen dienen gezonden te worden naar het bijkantoor van het land waarin u woont, waarvan er over de gehele wereld meer dan tachtig zijn. Voor Nederland kunt u uw briefkaart of brief naar „Watch Tower Bible and Tract Society,” Koningslaan 1, Amsterdam-Zuid, sturen.
U zou ongeveer het volgende kunnen schrijven: „De komende twaalf maanden hoop ik een bedrag van ƒ . . . . . . bij te dragen voor het predikingswerk van het goede nieuws van het koninkrijk, welke bijdrage ik in zulke bedragen en op zulke tijdstippen zal overmaken als het mij gelegen blijkt te komen, en naarmate ik voorspoed heb door de onverdiende goedgunstigheid van Jehovah God door bemiddeling van Christus Jezus, [Handtekening].” Op bladzijde 546 van deze uitgave van De Wachttoren treft u een lijst met bijkantooradressen aan. Een volledige lijst van alle bijkantoren kunt u op de laatste bladzijde van de meeste door het Genootschap uitgegeven boeken en brochures vinden.
Laten wij Jehovah derhalve eren met onze kostbaarheden, de eerste vruchten, het beste van alles wat wij bezitten, en vervolgens de geestelijke voorspoed genieten die hij aan al zulke personen belooft.