Zendelingen bekeren zendelingen
VAN Amerikaanse Wachttoren-zendelingen in Eritrea werd onderstaande brief ontvangen:
„Wij hebben hier veel bijbelstudies en sommige er van gaan zeer goed. Daartoe behoren ook drie leraars van de Zweedse zending, die nu al vijf maanden lang tweemaal per week met ons hebben gestudeerd en de wens te kennen hebben gegeven gedoopt te worden. Zij hebben reeds deelgenomen aan het predikingswerk van huis tot huis en geven hun vrienden voortdurend getuigenis. Als zendingsleraars preken zij om beurten in de kerk, en wel in het Tigrinia, de taal van het gewone volk. De leiders van de zending hebben zich echter niet de moeite gegeven de inlandse taal te leren.
Toen nu een van onze nieuwe broeders aan de beurt was om de preek uit te spreken, bereidde hij een lezing voor over de nieuwe wereld, waarin hij de valse leer dat de aarde verbrand zou worden en alle goede mensen naar de hemel zouden gaan, ontmaskeren zou. De inlanders luisterden als nimmer tevoren. Soms klapten zij in de handen wanneer er een valse leer werd ontmaskerd, maar de missieleiders begrepen er niets van omdat zij de taal niet verstonden. Hun hart zwol van trots over de uitstekende leraar welke zij hadden opgeleid! Hun trots was echter geen lang leven beschoren, want de dag daarop hoorde zij wat de lezing behelsde en dat die was gebaseerd op wat was verschenen in De Wachttoren, ’God zij waarachtig’ en andere publikaties.
Het bezoek van een leider uit Zweden bracht het alles tot een hoogtepunt. Hij riep een speciale vergadering van alle leraars bijeen en vroeg door hand opsteken te kennen te geven wie er met Jehovah’s getuigen hadden gestudeerd. Dat hadden zij bijna allen, hetgeen hem woedend maakte. Hij vroeg hen te beloven dat zij niet meer naar Jehovah’s getuigen zouden gaan, hetgeen bijna allen beloofden. De avond daarop werd toen een speciale vergadering bijeengeroepen, waarop druk werd uitgeoefend op hen die hadden geweigerd op te houden met hun studie met de getuigen, en op vijf na zwichtten allen.
Nadat de anderen waren weggezonden, werd deze vijf gevraagd nog te blijven en drie uur lang werd er over bijbelse leerstellingen gesproken. . . . Keer op keer werd de leider woedend en begon te schreeuwen, en telkens herinnerden zij hem er aan: ’Jehovah’s getuigen schreeuwen nimmer wanneer wij het niet met hen eens zijn. Zij openen hun bijbel slechts en tonen ons aan waarin wij verkeerd zijn.’
Hij was vooral boos toen hij vernam dat zij deze punten al van huis tot huis hadden gepredikt. Toen hij hun had gewaarschuwd dat zij of de leer van de getuigen moesten laten varen of hun baan zouden verliezen, antwoordden drie hunner: ’u, noch verlies van betrekking, noch iets anders kan ons scheiden van Jehovah.’ De leider was hierover ontzet, . . .
Het resultaat was dat hun werd gezegd dat zij hun baan als leraar van de zending konden behouden en dat er pogingen in het werk gesteld zouden worden om hun het foutieve van hun handelwijze te doen inzien. Zij zeiden hem dat zij hun werk gewetensvol zouden verrichten, maar dat zij niet langer les konden geven in leerstellingen waarvan zij nu wisten dat ze vals waren. Er werd dus besloten dat zij in alles behalve godsdienst les zouden geven, . . .”