Waartoe heeft God de mens gemaakt?
Bestaat het leven slechts uit het nastreven van zelfzuchtige verlangens, of is er een edeler en verhevener doel voor ons bestaan? De bijbel geeft hierop het volgende antwoord:
TRACHT u te weten te komen waartoe God de mens heeft gemaakt? Waarom wendt u zich niet tot de bijbel, waarin God het antwoord verschaft? De apostel Paulus schreef onder inspiratie aan de Filippenzen: „Blijft daarom . . . uw redding bewerken met vrees en beven. Want God is het die, ter wille van zijn welbehagen, in u werkt, opdat gij zowel wilt als werkt.” Volgens Paulus was de mens dus ter wille van Gods „welbehagen” gemaakt, om te delen in de eigenschappen van de Schepper, namelijk, liefde, wijsheid, gerechtigheid en macht. De hemelse engelen gaven zingend een soortgelijk antwoord: „Gij, Jehovah, ja onze God, zijt het waardig, de heerlijkheid en de eer en de macht te ontvangen, want gij hebt alles geschapen, en om uw wil bestonden ze en werden ze geschapen.” — Fil. 2:12, 13; Openb. 4:11, NW.
De volmaakte mens, geschapen naar het beeld en de gelijkenis van zijn Schepper, moest op aarde de eigenschappen van zijn Maker op volmaakte wijze weerspiegelen. De mens weerspiegelt thans echter stellig in de verste verte niet datgene wat wij van een alwijze, vredelievende Schepper weten. Wat is er met de mens gebeurd? Mozes geeft ons hierop dit antwoord: „Zij hebben van hun zijde op ruïneuze wijze gehandeld; zij zijn zijn kinderen niet, de fout ligt bij hen zelf. Een krom en verdraaid geslacht!” — Deut. 32:5, NW.
Mozes zegt dit niet van alle mensen en zeker niet van christenen. Christenen weten wat de zin van het leven is. Zij beseffen dat zij als met verstand begaafde schepselen hun God moeten aanbidden en hem aldus moeten loven en behagen. Wanneer God dat wil, kan hij degenen die hierin in gebreke blijven, van het leven afsnijden. Vandaar dat Paulus hen aanraadt „zonder blaam [te] zijn en onschuldig, kinderen van God zonder smet te midden van een krom en verdraaid geslacht, te midden van wie gij schijnt als lichtgevers in de wereld, het woord des levens stevig vasthoudend.” Jezus heeft zijn christelijke discipelen „het licht der wereld” genoemd, en hun gezegd: „Laat uw licht evenzo voor de mensen schijnen, opdat zij uw juiste werken kunnen zien en uw Vader, die in de hemelen is, heerlijkheid kunnen geven.” — Fil. 2:15, 16; Matth. 5:14-16, NW.
In deze duistere wereld zijn licht te laten schijnen, komt er op neer zonder blaam en onschuldig te zijn en de juiste werken te verrichten. Tot hen wordt gezegd: „Vreest God en geeft hem heerlijkheid, want het uur van zijn oordeel is gekomen, en aanbidt daarom hem die de hemel, de aarde, de zee en de waterfonteinen heeft geschapen.” Om zich dus als een op aarde wonend mens van zijn verantwoordelijkheid te kwijten, moet men Jehovah God in waarheid aanbidden. — Openb. 14:7, NW.
De volmaakte mens Jezus deed dit en van hem werd er gezegd: „Ziet! de mens!” Hij weerspiegelde het beeld van de Vader Jehovah zo volmaakt, dat hij van zich zelf kon zeggen: „Wie mij heeft gezien, heeft de Vader gezien.” Johannes schreef in zijn levensbeschrijving van Jezus onder andere: „Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid die behoort tot een eniggeboren zoon van een vader, en hij was vol van onverdiende goedgunstigheid en waarheid.” — Joh. 19:5; 14:9; 1:14, NW.
Jezus leerde de mensen door zijn volmaakte levenspatroon, hoe ook zij Jehovah’s heerlijkheid konden weerkaatsen. „Een leerling staat niet boven zijn leraar,” zei hij, „maar een ieder die volmaakt is onderwezen zal gelijk zijn leraar zijn. Een goed mens brengt het goede voort uit de goede schat van zijn hart, maar een goddeloos mens brengt voort wat goddeloos is, uit zijn goddeloze schat; want uit de overvloed des harten spreekt zijn mond.” De grote, voor het leven en de redding zo belangrijke waarheden welke Jezus van zijn Vader leerde, bracht hij aan zijn discipelen over. Op hun beurt moesten zij deze kostbare boodschap weer aan anderen overdragen, want zij moesten daders des woords en niet alleen hoorders zijn. Zij moesten uit de mensen van alle natiën anderen tot discipelen maken en hun leren alles na te komen wat Jezus hun geboden had. Wanneer het schepsel zich getrouw van deze verantwoordelijkheid zou kwijten, zou dit hem vreugde bezorgen en de Schepper gelukkig maken. — Luk. 6:40, 45; Matth. 28:19, 20, NW.
Het feit dat er in deze twintigste eeuw christenen worden aangetroffen, bewijst reeds afdoende dat de discipelen Jezus’ gebod ten uitvoer hebben gebracht. Paulus onthulde aan de Romeinen hoe de waarheid van het christendom werd bekendgemaakt: „’Het woord is nabij u, in uw mond en in uw hart’; dat wil zeggen, het ’woord’ des geloofs, hetwelk wij prediken. Want indien gij dat ’woord in uw mond’ in het openbaar bekendmaakt, dat Jezus Heer is, en in uw hart geloof oefent dat God hem uit de doden heeft opgewekt, zult gij worden gered. Want met het hart oefent men geloof tot rechtvaardigheid, maar met de mond doet men een openbare bekendmaking tot redding.” — Rom. 10:8-10, NW.
REDENEN WAAROM WIJ THANS LEVEN
De reden waarom de mens thans leeft, heeft dus veel te maken met het juiste gebruik van zijn tong, omdat hij door dat kleine lid van zijn lichaam zijn Maker verheerlijkt of smaadt, eert of onteert. De profeet Jesaja schreef het volgende: „’Jahve, de Heer, gaf Mij de tong van een leerling, om door mijn woord de moedelozen te kunnen sterken’” (Jes. 50:4, KB). De vertolking van An American Translation van dit vers luidt: „De Here GOD heeft mij een tong om te onderwijzen gegeven, opdat ik weet hoe de moeden met een woord te steunen.”
De profeet Daniël toont dat „de kennis zal vermeerderen” in dit einde der wereld. De profeet Zefanja verklaart dat Jehovah „tot de volkeren een reine taal [zal] richten, opdat zij allen de naam van Jehovah mogen aanroepen, ten einde hem met eenparige schouder te dienen.” Jesaja zegt dat alle gelovigen op een goede dag „van den HERE geleerd [zullen] zijn; en de vrede uwer kinderen zal groot zijn.” In de Spreuken staat vermeld dat „de tong der wijzen is medicijn,” dat „de medicijn der tong is een boom des levens.” — Dan. 12:4, NBG; Zef. 3:9, AS; Jes. 54:13; Spr. 12:18; 15:4.
God heeft er voor gezorgd dat deze profetieën thans in vervulling gaan, omdat hij thans op aarde een volk heeft dat hem heerlijkheid en eer brengt. Deze mensen zijn het licht der wereld doordat zij het bijbelse waarheidslicht tot aan de einden der aarde laten schijnen. Zij verrichten juiste werken door Jehovah in geest en waarheid te aanbidden, door zonder smet en onschuldig te blijven te midden van een krom en verdraaid geslacht, en door anderen de weg des levens te wijzen. U treft deze groep God-vrezende mensen aan in de Nieuwe-Wereldmaatschappij van Jehovah’s getuigen. Een hedendaagse schrijver had het volgende over hen te zeggen:
„Daar zij als getuigen de goddelijke plicht hebben het nakende einde van de eeuw en de komst van de Theocratie bekend te maken, trachten zij hun boodschap met allerlei mogelijke middelen tot de mensen te brengen. Men behoeft nimmer verbaasd te staan wanneer zij weer een nieuwe methode hebben ontwikkeld. . . . Jehovah’s Getuigen hebben de aarde letterlijk onder hun getuigenis bedolven.” Nadat de schrijver een verslag heeft gegeven van de grote hoeveelheid lectuur welke er is verspreid, vervolgt hij: „Er kan werkelijk gezegd worden dat geen enkele religieuze groep in de wereld meer ijver en volharding aan de dag heeft gelegd in het streven het goede nieuws van het Koninkrijk te verbreiden, dan de Getuigen van Jehovah. . . . Geen enkele hedendaagse christen maakt een geregelder gebruik van de schrift of kent er meer van uit zijn hoofd dan de Getuigen. Om succesvol met hen op schriftuurlijk terrein te kunnen argumenteren, moet men zijn schrift zelfs beter kennen dan de meeste leden der fundamentalistische kerken van thans.” — Charles Samuel Braden, These Also Believe, 1950, de bladzijden 370, 380.
Het is stellig waar dat Jehovah’s getuigen de bijbel kennen en er over praten. Zij moeten hun bijbel kennen om God heerlijkheid te kunnen brengen. Door kennis van de bijbel werpen zij dat wat sterk verschanst is, redeneringen en al wat zich verheft tegen de kennis Gods, omver, waardoor zij elke gedachte in gevangenschap en gehoorzaamheid aan de Christus brengen. — 2 Kor. 10:4, 5, NW.
„Niets op aarde kan de menselijke geest zo beïnvloeden als het gesproken woord,” zei Edwin G. Lawrence. „Het is daarom boven alle twijfel verheven, dat onderwijzende taal het grootste wapen is dat mensen in hun bezit hebben.” Verder is het doel van de taal, „gedachten uit de ene geest in de andere over te dragen, en in ruimere mate, de toegesproken persoon te beïnvloeden.”
Dat is nu precies het doel van het christendom. Met zijn juiste, hoopvolle taal zal het zijn invloed uitoefenen zodat sommigen rechtvaardigheid zullen gaan beoefenen en het leven zullen verwerven. De verhevenste en edelste reden waarvoor wij thans leven, is, de kennis omtrent God en zijn koninkrijk met mensen van goede wil te delen. Moge u in deze gelukkigste reden voor het bestaan delen.