Een getrouw rentmeesterschap
„Ja van elk wie veel werd gegeven, zal veel worden geëist, en van hem aan wie mensen het toezicht over veel hebben gegeven, zullen zij meer dan gebruikelijk is eisen.” — Luk. 12:48, NW.
1. Welke verantwoordelijkheid heeft een rentmeester?
EEN rentmeester is iemand aan wiens zorg of hoede hetzij onroerende hetzij persoonlijke goederen of beide worden toevertrouwd en door deze worden beheerd. Een opperrentmeester is te vergelijken met een opziener, administrateur of bestuurder. Het rentmeesterschap gaat onvermijdelijk met verantwoordelijkheden gepaard. Ergens verantwoordelijkheid voor dragen, wil zeggen, dat men ter verantwoording geroepen kan worden voor de manier waarop men zich van een plicht heeft gekweten of toevertrouwde goederen heeft beheerd; dat men rekenschap verplicht is aan een rechtmatige superieur; dat men aansprakelijk is voor zijn gedrag en de wijze waarop men zijn verplichtingen nakomt, en dat men betrouwbaar is.
2. Vermeld enkele schriftuurlijke vereisten waaraan een rentmeester moet voldoen.
2 De apostel Petrus geeft als volgt te kennen dat er een nauw verband bestaat tussen het rentmeesterschap en verantwoordelijkheid: „Een ieder gebruike de gave naar de mate dat hij die heeft ontvangen, door elkander er mede te dienen als het juiste soort van rentmeesters over Gods onverdiende goedgunstigheid, die op verscheidene wijzen tot uitdrukking wordt gebracht.” Paulus zegt: „Dat men ons schatte als ondergeschikten van Christus en rentmeesters van de heilige geheimen Gods. Waarnaar bovendien in dit geval in rentmeesters wordt uitgezien, is, dat het een man is die getrouw wordt bevonden.” „Want een opziener moet als Gods rentmeester iemand zijn op wie niets valt aan te merken niet eigenzinnig, die niet gauw kwaad wordt, geen dronken ruziemaker; niet iemand die slaat, niet belust op oneerlijk gewin doch iemand die vreemdelingen liefheeft.” — 1 Petr. 4:10; 1 Kor. 4:1, 2; Titus 1:7, 8, NW.
3. Hoe erkende Paulus zijn verantwoordelijkheid als rentmeester?
3 Paulus besefte wel terdege dat hij verantwoordelijk was voor het hem opgedragene, want hij schreef: „Gij hebt gehoord over het rentmeesterschap van Gods onverdiende goedgunstigheid, dat mij met het oog op u werd gegeven, dat mij door een openbaring het heilige geheim werd bekendgemaakt.” „Krachtens het van God afkomstige rentmeesterschap werd ik in uw belang een dienaar van deze gemeente, om intensief het woord Gods te prediken.” „Overeenkomstig het glorierijke goede nieuws van de gelukkige God, dat mij werd toevertrouwd.” „Evenals God ons waardig heeft geacht om ons het goede nieuws toe te vertrouwen, spreken wij, niet om mensen maar om God te behagen, die ons hart beproeft.” — Ef. 3:2, 3; Kol. 1:25; 1 Tim. 1:11; 1 Thess. 2:4, NW.
4. Welke verantwoordelijkheid brengt het met zich wanneer Jehovah en Christus Jezus belangen aan de zorg van rentmeesters toevertrouwen?
4 Jehovah God heeft in deze laatste dagen door bemiddeling van Christus Jezus grote belangen aan de zorg van zijn ware volk toevertrouwd. Dit is voor allen die zich aan Jehovah’s dienst hebben opgedragen, van het grootste belang en op al Gods slaven of rentmeesters is de volgende illustratie van toepassing: „Een zekere man van edele afkomst . . . riep tien van zijn slaven . . . gaf hun tien mina’s en zeide hun: ’Doet er zaken mee, totdat ik kom.’ . . . Toen hij ten slotte thuis kwam na de koninklijke macht voor zich te hebben verkregen, ontbood hij de slaven bij zich aan wie hij het zilvergeld had gegeven, om te weten te komen wat zij door het zakendoen hadden verworven. Daarop trad de eerste naar voren en zeide: ’Heer, uw mina heeft bij het handeldrijven tien mina’s opgebracht.’ Daarom zeide hij tot hem: ’Wel gedaan, goede slaaf! Aanvaard, omdat gij u in een zeer kleine aangelegenheid getrouw hebt getoond, autoriteit over tien steden.’ Doch er kwam een ander, die zeide: ’Heer, hier is uw mina, welke ik in een doek heb weggelegd en bewaard. Ik was namelijk bang voor u, omdat gij een streng man zijt; gij neemt wat gij niet hebt uitgezet en maait wat gij niet hebt gezaaid.’ Daarop zeide hij tot de omstanders: ’Neemt hem de mina af en geeft ze hem die er tien heeft.’ Zij zeiden echter tot hem: ’Heer, hij heeft al tien mina’s!’ . . . ’Ik zeg u: Al wie heeft, zal meer worden gegeven; maar wie niet heeft, zal zelfs wat hij heeft, worden ontnomen’” (Luk. 19:12-17, 20, 21, 24-26, NW). Hierin wordt getoond hoe de Koning Koninkrijksbelangen aan de hoede van zijn slaven toevertrouwde en een vermeerdering verwachtte. In duidelijke bewoordingen geeft hij zijn goedkeuring over de vermeerdering en zijn misnoegen wegens het niet vermeerderen te kennen. In de illustratie van de talenten, in Mattheüs 25:14-30, wordt de nadruk gelegd op hetzelfde beginsel, dat er geen stilstand kan zijn.
5. Noem enige aan de discipelen toevertrouwde belangen.
5 De Here Jezus vertrouwde ongetwijfeld belangen aan de zorg van zijn discipelen toe, toen hij zeide: „Ik heb hun uw woord gegeven.” ’Ik heb hun uw naam geopenbaard.’ ’Ik heb hun de heerlijkheid gegeven die gij mij hebt gegeven, opdat zij één mogen zijn evenals wij één zijn’ (Joh. 17:6, 14, 22, NW). „Het koninkrijk Gods zal van u worden weggenomen en aan een natie worden gegeven die de vruchten er van voortbrengt” (Matth. 21:43, NW). „Weest niet bevreesd, gij kleine kudde, want uw Vader heeft het goedgekeurd u het koninkrijk te geven” (Luk. 12:32, NW). Vervolgens vermeldt Paulus: „Alles is uit God, die ons door Christus met zich heeft verzoend en ons de bediening der verzoening heeft gegeven” (2 Kor. 5:17, 18, NW). „Blijft er voor waken dat gij de bediening die gij in de Heer hebt aanvaard, vervult” (Kol. 4:17, NW). „Gij echter, bewaar in alles uw evenwicht, lijd kwaad, verricht zendingswerk, volbreng uw bediening ten volle” (2 Tim. 4:5, NW). Uit deze enkele van de vele soortgelijke schriftuurplaatsen blijkt duidelijk dat er verschillende kostbare belangen aan de zorg van Gods volk zijn toevertrouwd, namelijk, Jehovah’s Woord en naam, het koninkrijk Gods, de bediening der verzoening en het werk van evangelisten.
6. Waarom moeten de Koninkrijksbelangen vermeerderd worden, is dit redelijk, en waarom?
6 De toevertrouwde belangen moeten vermeerderd worden, daar de vaste schriftuurlijke regel is: „Al wie heeft, zal meer worden gegeven; maar wie niet heeft, zal zelfs wat hij heeft, worden ontnomen” (Luk. 19:26, NW). Dit is een rechtvaardige regel. De ijverigen worden er door aangemoedigd en hun die zich veel moeite getroosten, dienen grotere gelegenheden voor Koninkrijksdienst gegeven te worden. Wie met het oog op vermeerdering werken, worden door Jehovah gezegend en zij ontvangen van hem vermeerdering; degenen evenwel die onachtzaam en lui zijn, verliezen zelfs wat zij hebben. Daarom moeten wij onze gelegenheden voor de Koninkrijksdienst met grote zorg waarderen en aan de schriftuurlijke regel voldoen. De beloning voor een getrouwe, ijverige dienst is een nog grotere verantwoordelijkheid. Wij kunnen ons door in de vreze Jehovah’s te wandelen en vurig tot hem te bidden bekwaam maken voor de grotere voorrechten.
EEN SCHRIFTUURLIJK VOORBEELD
7. Waarom is het voor ons nuttig Jozef en het aan hem gegeven rentmeesterschap eens aan een beschouwing te onderwerpen?
7 Van de vele schriftuurlijke voorbeelden zullen wij er slechts één behandelen, namelijk, de ervaring welke Jozef opdeed. Omdat Jozef een betrouwbare rentmeester was, werd hij door Jehovah gezegend. Het is dus in ons voordeel zijn verslag eens aan een beschouwing te onderwerpen. Wat vast staat, is, dat wij voorspoed zullen genieten wanneer wij met Jehovah bevriend zijn. Het is belangwekkend op te merken dat er in de eerste zes verzen van Genesis, hoofdstuk 39 (NW) vijf maal wordt gezegd dat Jozef in Jehovah’s gunst stond. „Jehovah bewees echter met Jozef te zijn, zodat hij een succesvol man werd . . . Zijn meester zag dat Jehovah met hem was en dat Jehovah alles wat hij deed, onder zijn hand liet gelukken. . . . Jehovah bleef het huis van de Egyptenaar zegenen ter wille van Jozef, en Jehovah’s zegen kwam te rusten op alles wat in het huis en op het veld was.” Merk op welk verdere succes hij boekte: „Ten slotte liet hij alles wat, hem behoorde, over in Jozefs hand, en hij wist, in het geheel niet wat hem toebehoorde, dan alleen het brood dat hij at.” Dit is een wonderbaarlijk verslag van een getrouwe rentmeester die zich ten volle van zijn verantwoordelijkheid kweet.
8. Vermeld enkele der zegeningen die uit een vriendschap met Jehovah voortvloeien, zoals duidelijk blijkt uit Jozefs ervaring.
8 Jozef vreesde God. Op iemand die bevreesder is God te mishagen dan mensen, kan men staat maken. Het is iets zeer gezegends met Jehovah te wandelen en ongeacht hun toewijzing zijn Gods slaven altijd gelukkig hun dienst te mogen verrichten. Men moet er moeite voor doen om met Jehovah bevriend te worden en er om bidden, terwijl men datgene doet waardoor men die vriendschap zal verwerven. Men zou op reis geen betere vriend kunnen hebben en gelukkig zijn zij die beseffen dat Jehovah overal waar zij gaan, met hen is, want dan is geen enkele plaats eenzaam. In de zwaarste beproevingen is hij met ons en zelf door het verlies van iets of iemand zullen wij zijn gezelschap meer dan ooit op prijs stellen. Wanneer Jehovah waarlijk met ons is, dan is hij op land of zee, in welke natie of onder welke omstandigheid ook, steeds even dicht bij ons. Hij is onze vriend en metgezel; ja, de vreze Jehovah’s en zijn gezelschap zijn voor ons de best mogelijke bescherming. De heerlijkheid van Jehovah wordt in de gezegende en gelukkige toestand van zijn kinderen weerspiegeld, en omdat wij hem in al onze wegen erkennen, bestuurt hij ons pad. O welk een geluk is Jehovah’s volk door zulk een gezelschap en zulke verzekeringen ten deel gevallen!
9. Toon hoe het rentmeesterschap verzoekingen met zich kan brengen, en hoe er met succes het hoofd aan geboden kan worden.
9 Er zullen echter verzoekingen komen over de getrouwe rentmeesters van Jehovah God, want ook al zijn wij ons bewust van zijn zegen, wij zijn nog niet immuun voor gevaren, waarom wij altijd in de vreze Jehovah’s moeten wandelen. Dit bleek duidelijk uit de volgende verschrikkelijke ervaring welke Jozef bij zijn leven opdeed: „Jozef werd bovendien schoon van gedaante en in verschijning. Hierna gebeurde het dat de vrouw van zijn meester begon op te zien naar Jozef en tot hem zeide: ’Heb gemeenschap met mij.’ Hij weigerde echter en zeide tot de vrouw van zijn meester: ’Wel, mijn meester weet niet wat er bij mij in het huis is en alles heeft hij in mijn hand gegeven. Niemand in dit huis is groter dan ik, en hij heeft mij niets onthouden dan u alleen, omdat gij zijn vrouw zijt. Hoe zou ik dus deze grove goddeloosheid kunnen begaan en in werkelijkheid tegen God zondigen?’” Toen zij er op aandrong en hem bij zijn kleed greep, ontdeed hij zich daarvan en vluchtte weg. Deze veilige handelwijze dienen getrouwe rentmeesters ook in deze tijd te volgen. Ontvlucht de verleiding wanneer u er tegenover komt te staan, want wanneer u tracht te redeneren, zult u de strijd wellicht verliezen. In de vlucht ligt uw veiligheid besloten. Doe dit met de grootste spoed, alsof u hard wegliep voor een vergiftige slang; verlaat de gevaarzone zo vlug mogelijk. Zie hoe Jozef bescherming ontving doordat hij onmiddellijk inzag dat het voorstel ’in werkelijkheid een zonde tegen God’ was. Ook in ons geval zal de vreze Jehovah’s onze beveiliging zijn om niet tegen God te zondigen. Niemand begaat zomaar opeens een bijzonder goddeloze daad, maar men neigt er veeleer langzamerhand steeds meer naar. Door de vreze Jehovah’s ontvliedt men daarentegen het kwaad en is men veilig. — Gen. 39:6-9, NW.
DE ZEGEN VAN JEHOVAH
10. Waarom is Jehovah’s zegen van groot belang, en hoe kan die worden verkregen?
10 Een ieder van Gods volk verlangt zijn zegen. „De zegen des HEREN [Jehovah’s], die maakt rijk; en Hij voegt er geen smart bij” (Spr. 10:22). „De zegen des Heren rust op het hoofd der rechtvaardigen, hij wordt er door verrijkt en hartzeer zal er niet aan worden toegevoegd” (Septuaginta). Ook staat er geschreven: „Gij moet Jehovah, uw God, gedenken, want hij verleent u de kracht rijkdom te verwerven, ten einde zijn verbond na te komen, dat hij uw voorvaders onder ede heeft bevestigd, zoals heden” (Deut. 8:18, NW). Alles is van Jehovah’s zegen afhankelijk; deze wordt echter nooit voor een zelfzuchtig doel geschonken doch alleen om zijn wil te volbrengen. „Als iemands wegen den HERE [Jehovah] behagen, doet Hij zelfs diens vijanden vrede met hem maken” (Spr. 16:7, NBG). Jehovah’s zegen valt ons ten deel door te doen wat hij beveelt en door hem werkelijk te behagen. Wij moeten stellig niet op ons eigen houtje te werk gaan alvorens het wordt goedgevonden. Jezus zeide: „Wanneer gij de Zoon des mensen eenmaal hebt verhoogd, zult gij weten dat, ik het ben, en dat ik niets op eigen initiatief doe, maar dit spreek zoals de Vader mij heeft geleerd. Die mij heeft gezonden, is met mij; hij heeft mij niet aan mij zelf overgelaten, omdat ik altijd doe wat hem behaagt” (Joh. 8:28, 29, NW). Jezus was een betrouwbare rentmeester die zich van zijn verantwoordelijkheid kweet en hij ontving dan ook een volledige beloning. Hij is ons volmaakte voorbeeld.
11. Welke handelwijze moeten wij volgen en welke mijden ten einde Jehovah’s zegen te verwerven?
11 Om met Jehovah’s zegen verrijkt te worden, moeten wij altijd druk bezig zijn in zijn dienst; dit houdt in, dat men ijverig werkt, te allen tijde werkelijk zijn krachten inspant, zich met veel geduld en vastberadenheid toelegt op het onder handen zijnde werk en er op toeziet dat het wordt gedaan, en de toegewezen opdrachten tot het einde toe volbrengt. Stellig betekent het niet dat wij verantwoordelijkheden kunnen ontduiken en verontschuldigingen aanvoeren om de schuld voor iets op een ander te schuiven. Tracht een rentmeester de goedkeuring te verwerven, dan is het zinneloos wanneer hij ergens geen aandacht aan heeft geschonken, iets te doen of te zeggen waardoor hij vrijuit zou gaan en de op zijn schouders gelegde taak zou ontduiken. Wanneer men de verantwoordelijkheid van zich afschuift, is men niet betrouwbaar en Jehovah is niet met zulk een gedrag ingenomen. Wil men Jehovah’s zegen verwerven, dan moet men zich zelf opofferen en niet aan eigen neigingen toegeven, want daardoor zou men zich zelf in plaats van Jehovah behagen. Het wil zeggen dat men eerlijk, zuiver, trouw, loyaal en betrouwbaar is.
DE GETROUWE EN BELEIDVOLLE SLAAF
12. Wie is de „getrouwe en beleidvolle slaaf,” en waarom antwoordt u zo?
12 Jezus zeide: „Wie is werkelijk de getrouwe en beleidvolle slaaf die door zijn meester over diens huisknechten is aangesteld om hun hun voedsel te geven op de juiste tijd? Gelukkig is die slaaf wanneer zijn meester hem bij zijn komst bezig vindt dit te doen. Waarlijk, ik zeg u, dat hij hem zal aanstellen over al zijn bezittingen” (Matth. 24:45-47, NW). Zij die tot Jehovah’s organisatie behoren, weten dat de „getrouwe en beleidvolle slaaf” een klasse is welke wordt gevormd door het getrouwe overblijfsel van Gods gezalfden, die thans tot één maatschappij zijn bijeenvergaderd en gezamenlijk werkzaam zijn onder de leiding en het gezag van het besturende lichaam van de „Watch Tower Bible and Tract Society.” Lezers die nog niet verbonden zijn met Jehovah’s getuigen, zullen misschien aarzelen hiermee accoord te gaan, doch de duidelijke uitwerking van Jehovah’s zegen op de werkzaamheden van deze klasse van gezalfde christenen zal u stellig helpen de waarheid er van in te zien en elke twijfel of elk wantrouwen daarover te doen verdwijnen. Daaruit zal geluk voor u voortvloeien, omdat u er door geholpen zult worden in te zien dat de Allerhoogste God, Jehovah, thans met zijn volk handelt en zijn zegen op hen rust.
13. In welke publikatie worden de doeleinden en de gedragslijn van het Genootschap uitvoerig onder woorden gebracht, en met welk gevolg?
13 Het sinds juli 1879 ononderbroken door het Genootschap uitgegeven officiële tijdschrift De Wachttoren heeft thans een oplaag van 2.800.000 exemplaren per uitgave bereikt en wordt in zesenveertig talen gedrukt. Het zou al een hulp voor de lezer zijn wanneer deze eens op de binnenzijde van de voorpagina las wat het doel van het tijdschrift is. U zult vernemen dat het voor gevaar waarschuwt, goed nieuws aankondigt, het gebeuren schriftuurlijk beziet, waakzaam is voor wat er geschiedt, de weg tot ontkoming aangeeft, Jehovah’s koninkrijk bekendmaakt, Christus’ geestelijke medeërfgenamen met geestelijk voedsel voedt, mensen van goede wil opbeurt met de glorierijke vooruitzichten van eeuwig leven, en in het belang van redding scherp en getrouw de aandacht op de bijbelse waarheden gevestigd houdt. Aldus worden de doeleinden, idealen en de gedragslijn van het Genootschap onder woorden gebracht. Het heeft successen geboekt en zal Jehovah’s zegen wegdragen.
14. (a) Hoe heeft de „getrouwe en beleidvolle slaaf”-klasse zich gekweten van haar huishoudelijke verantwoordelijkheden? (b) Stel de toestanden binnen en buiten het huisgezin des Heren tegenover elkaar.
14 De „getrouwe en beleidvolle slaaf” was over het huisgezin des geloofs aangesteld om de leden hun voedsel op de juiste tijd te geven, en hij heeft zich daarvan getrouw gekweten, want zevenenzeventig jaar lang is hun het krachtige en kostelijke geestelijke waarheidsvoedsel betreffende het Koninkrijk, Christus’ tweede tegenwoordigheid, de vervullingen van profetieën, Satan en zijn wereld en het einde van zijn wereld opgediend. Er staat geschreven: „Iedere openbare onderwijzer, die in het koninkrijk der hemelen wordt onderwezen, is gelijk een man, een heer des huizes, die uit zijn voorraadschat nieuw en oud te voorschijn haalt” (Matth. 13:52, NW). Werd er geestelijk voedsel opgediend, dan werd er ook weer meer verschaft, want er is geen gebrek aan. Niemand heeft ooit gehoord dat er in Jehovah’s organisatie hongersnood heeft geheerst. „Hij zou hen gespijzigd hebben met het vette der tarwe, ja, Ik zou u verzadigd hebben met honig uit de rots” (Ps. 81:17, NBG). Buiten dit huisgezin heerst er echter wel hongersnood: „Ziet, de dagen komen, spreekt de Here HERE [Jehovah], dat ik een honger in het land zal zenden; niet een honger naar brood, noch dorst naar water, maar om te horen de woorden des HEREN [Jehovah’s]. En zij zullen zwerven van zee tot zee, en van het noorden tot het oosten; zij zullen omlopen om het woord des HEREN [Jehovah’s] te zoeken, maar zullen het niet vinden” (Amos 8:11, 12). „Er zijn er, die uitstrooien en toch nog meer verkrijgen; terwijl anderen meer inhouden dan recht is en toch gebrek lijden” (Spr. 11:24, NBG). Door de goede zorg van de „rentmeester”-klasse is Jehovah’s volk geestelijk sterk en krachtig. Omdat het huisgezin voortdurend werd verzorgd, heeft Jehovah er in vervulling der profetieën zijn zegen over uitgestort. Wie dus dezelfde zegen willen ontvangen, moeten dezelfde soort van dienst verrichten.
15. Welke voortreffelijke dienst heeft de rentmeesterklasse met Jehovah’s hulp en zegen verricht? En hoe verwijst Paulus er naar?
15 Dit zelfde gezalfde overblijfsel, of de „slaaf”-klasse, heeft zich getrouw van zijn verantwoordelijkheid gekweten doordat het er op heeft toegezien dat voor de ware leer, welke reine aanbidding tot gevolg heeft, alleen de bijbel onze gids is. Het heeft theorieën en overleveringen van mensen en organisaties verworpen en zich nauwgezet aan het boek der wijsheid, Gods Woord, gehouden. Jehovah’s getuigen weten thans dat de bijbel waar is, zoals er staat opgetekend: „Heilig hen door middel van de waarheid; uw woord is waarheid” (Joh. 17:17, NW). In deze tijd vormen het woord Gods en het gezalfde overblijfsel van deze getrouwe slaaf-klasse een onverbrekelijke eenheid, omdat hun de heilige uitspraken Gods, de waardevolle schat van goddelijke openbaring is toevertrouwd, hetgeen door God tot een getuigenis en tot een wet wordt bevestigd. Zijn getrouwen voegen aan deze van Jehovah God afkomstige brieven aan zijn volk, zijn verzegelde bekendmakingen, niets toe noch doen zij er van af, zodat ze thans veilig aan hun hoede zijn toevertrouwd. Paulus verklaart: „Blijf het voorbeeld houden van de gezonde woorden die gij van mij hebt gehoord, tezamen met het geloof en de liefde die in verband staan met Christus Jezus. Bewaar dit mooie, u toevertrouwde pand door de heilige geest, die in ons woont” (2 Tim. 1:13, 14, NW). Deze rentmeester is thans de bewaarder van het zuivere Woord van Jehovah God (Jes. 8:16). Dit is een vervulling van de profetieën, waarmede Jehovah’s zegen gepaard is gegaan. Houd u, wanneer u eveneens zegen wilt ontvangen, aan de waarheid, geloof zo met geheel uw hart en handel dienovereenkomstig.
16. Welk bijzonder praktische werk is voor en sinds 1918 door deze getrouwe rentmeester verricht?
16 Het bijeenvergaderen der „uitverkorenen” is nog een aan deze getrouwe klasse toevertrouwde verantwoordelijkheid waaraan zij aandacht hebben besteed en waarvan zij zich hebben gekweten, zoals werd voorzegd in Mattheüs 24:31 (NW): „En hij zal zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal en zij zullen zijn uitverkorenen vergaderen van de vier windstreken, van het ene uiterste der hemelen tot het andere.” In 1880 publiceerde The Watchtower het artikel „Bijeenvergadering tot Christus,” met als leitekst Psalm 50:5 (KJ): „Vergader mijn heiligen tot mij; zij die met mij een verbond hebben gesloten door slachtoffer.” Hierin werd duidelijk aangetoond dat deze bijeenvergadering niet na de dood zou geschieden, maar op aarde, aan het einde van het samenstel van dingen. Dit werk vond voortgang zodat in 1918 duizenden bijeenvergaderden bij de plotselinge komst van Jehovah tot zijn tempel werden geoordeeld. (Zie De Wachttoren van 1 februari 1956, de bladzijden 60-63.) Sinds 1918 is deze tempelklasse verder door dit oordeelswerk gereinigd, gelouterd en gezuiverd opdat zij een gebouw zouden vormen waarin Jehovah door geest zou kunnen wonen (Ef. 2:22, NW). Geen enkele andere aardse organisatie heeft de beproevingen, de zuivering, de hitte en de vervolging doorstaan, ja, geen ander lichaam van mensen heeft aanwijzingen dat Jehovah er zo streng tegen is opgetreden, het zo heeft gekastijd, maar tevens zulk een barmhartigheid en onverdiende goedgunstigheid heeft bewezen als dit volk.
17. Hoe heeft, zoals was voorzegd, de manier waarop Jehovah met zijn dienstknecht-klasse heeft gehandeld, bewezen dat zij tot hem in een verhouding staan?
17 Bijna veertig jaar lang heeft men nu kunnen waarnemen hoe Jehovah met hen heeft gehandeld. Duizenden zijn verworpen en uit de organisatie gezet omdat zij zondaars en huichelaars waren. „De zondaren te Zion zijn verschrikt; beving heeft de huichelaren aangegrepen; zij zeggen: Wie is er onder ons, die bij een verterend vuur wonen kan? Wie is er onder ons, die bij een eeuwigen gloed wonen kan?” (Jes. 33:14). Het antwoord staat in de volgende verzen. De leden van het gezalfde overblijfsel, die het vuur van Gods oordeel hebben doorstaan en zijn gramschap en misnoegen zijn te boven gekomen, zijn thans gelukkig, zoals in Jesaja 33:17 (NBG) wordt vermeld: „Uw ogen zullen den Koning in zijn schoonheid aanschouwen; zij zullen een wijd uitgestrekt land zien.” O hoe gelukkig zijn de door God gezegende gezalfden, uw land is goed, uw Koning is bij u! Thans zijn de volgende woorden in vervulling gegaan: „Eén lichaam is er, en één geest, zoals gij werdt geroepen in de ene hoop waartoe gij werdt geroepen; één Heer, één geloof, één doop; één God en Vader . . . totdat wij allen geraken tot de eenheid in het geloof, . . . tot een volwassen man, tot de maat van wasdom die behoort tot de volheid van de Christus” (Ef. 4:4-6, 13, NW). Ook dit is een vervulling van een der grote tekenen van het einde van dit boze samenstel van dingen. Vandaar dat Jehovah zijn zegen in zulk een sterke mate heeft uitgestort. Zou u zijn zegen ook willen ontvangen? Sluit u dan aan bij Gods gezalfden in hun dienst, vorm een eenheid met hen tot eer van Jehovah God, terwijl u onder hun leiding in vrede werkt.
18. Welke nog omvangrijkere activiteit moet nog tot een succesvol einde worden gebracht, en in welke beperkte tijd?
18 Nadat het overblijfsel van de gezalfden, de kleine kudde, is bijeenvergaderd, moeten er nog meer verzameld worden, want Jezus zeide: „Ik heb andere schapen, die niet van deze schaapskooi zijn; die moet ik ook inbrengen en zij zullen naar mijn stem luisteren en zij zullen één kudde, één herder worden” (Joh. 10:16, NW). In Openbaring 7:9 (NW) lezen wij bovendien: „Hierna zag ik, en, zie! een grote schare, die door geen enkel mens geteld kon worden, uit alle natiën, stammen, volken en talen, staande voor de troon.” Sinds 1931 en vooral sinds 1935 is het bijeenverzamelingswerk van deze grote schare „andere schapen” aan de gang, totdat in deze tijd deze bijeenverzamelden het aantal van hen die waren gezalfd om eerst het bijeenvergaderingswerk te verrichten, verre overtreffen. Het is gewoon een wonder. Er zijn thans ongeveer 16.000 gezalfden op aarde, terwijl toch 642.000 bijeenvergaderden de Koninkrijksboodschap bekendmaken. Slechts Jehovah’s zegen heeft dit mogelijk gemaakt en het is in onze ogen wonderbaarlijk. Hij heeft dit grote werk met voorspoed en succes bekroond en toch zijn er nog honderdduizenden die ook voor het aanbreken van de ’grote en verschrikkelijke dag van Jehovah,’ voor de wereldvernietiging te Armageddon, bijeenverzameld moeten worden. Kunt u zien hoe hij dit werk thans wonderbaarlijk heeft gezegend? Wilt u zijn zegen ook ontvangen? Indien ja, doe dan dezelfde werken waardoor zij deze zegen hebben verworven. De weg staat voor u open; niemand zal u hinderen; daarentegen zullen velen u met blijdschap willen helpen deze zegen te verkrijgen. Deze volbrachte bediening is eveneens een vervulling van de profetieën en kan niet met succes weggecijferd worden.
19. Welke andere profetie kunnen wij thans sinds 1914 n. Chr. op wonderbaarlijke wijze in vervulling zien gaan?
19 De Koning Christus Jezus beloofde dat een der tekenen der tijden waardoor het einde van Satans wereld aangeduid zou worden zou zijn: „Dit goede nieuws van het koninkrijk zal op de gehele bewoonde aarde worden gepredikt met het doel een getuigenis aan alle natiën te geven, en dan zal het volbrachte einde komen” (Matth. 24:14, NW). In 1914 werd de Koning als de rechtmatige regeerder voor de aarde in de hemel op de troon geplaatst. Het Koninkrijk is thans opgericht. De Koning heeft weliswaar veel voorbereidend werk moeten verrichten om het oude koninkrijk van Satan te verwijderen en thans staan wij vlak voor de beslissende eindstrijd. Voordat dit gebeurt, moeten echter alle leden van de „kleine kudde” en de „grote schare” worden bijeenvergaderd en de wereld voor haar einde worden gewaarschuwd. Het glorierijke goede nieuws van het Koninkrijk zal echter over de gehele wereld worden gepredikt. Sinds 1922 is dit ’goede nieuws van het opgerichte koninkrijk’ op een zeer bijzondere wijze bekendgemaakt; ja, de nieuwe Koning voor de aarde en het Koninkrijk zijn thans meer dan vierendertig jaar op uitgebreide schaal aangekondigd. Door ruim 642.000 bedienaren van het evangelie is deze boodschap in 160 landen gepredikt. De wereld heeft deze aankondiging gehoord en is niet meer te verontschuldigen. Over de gehele wereld kunnen wij dus onder leiding en met de autoriteit van Jehovah’s „getrouwe en beleidvolle slaaf”-klasse de profetie in vervulling zien gaan. Zijn zegen heeft op dit grote werk gerust en rust er nog steeds op. Wilt u Jehovah’s gunst en zegen eveneens ontvangen? Volg dan het voorbeeld en de handelwijze van deze getrouwe klasse, ga voorwaarts en vertel anderen over het Koninkrijk en zijn zegeningen.