De zo noodzakelijke afzondering
JEHOVAH gebiedt ons te mediteren; en om te kunnen mediteren, moeten wij ons afzonderen en alleen zijn. Wij moeten over Jehovah’s Woord mediteren, niet slechts als een oefening van onze geest, om onze geest te verrijken of te filosoferen, maar om daarna beter tot anderen te kunnen prediken. Serieus mediteren, geen luchtkastelen bouwen, is zwaar werk. De geest kan vergeleken worden met een weerspannige muilezel; er zijn een paar tikken en prikken voor nodig om hem in beweging te zetten. En er is afzondering voor nodig zodat de van buitenaf komende onderbrekingen tot een minimum beperkt blijven.
Simeon Stylites zeide in de Christian Century van 1 december 1954: „Als volk hebben wij op zo veel manieren de oorlog verklaard aan eenzaamheid en meditatie. Wanneer wij niet met een ’stel’ of ’groepje’ zijn, voelen wij ons verlaten. Het ergste wat ons kan overkomen, is alleen te zijn. Wanneer je alleen van iets geniet, ben je ’asociaal’ en dien je direct naar de psychiater gebracht te worden of nog liever naar een inrichting voor geesteszieken.”
Deze schrijver zeide in het nummer van 11 januari 1956 van dit blad nog: „Eindelijk is het er dan — het draagbare televisietoestel! Staat allen op en heft het loflied aan. Want dit is het hoogtepunt van een lange rij uitvindingen en toestellen welke zijn ontworpen om te verhinderen dat men ooit met zich zelf geconfronteerd zou moeten worden. Het zal ons — tezamen met dat andere bevrijdingsinstrument van de verschrikkingen der eenzaamheid, de draagbare radio — behoeden voor wat vele ultra-moderne mensen als het vreselijkste lot beschouwen: alleen gelaten te worden zonder enig instrument om hen te beschermen voor de noodzaak met gedachten te worstelen.”
Deze wereld noch haar god Satan wil dat de mensen zelfstandig denken. Satans propaganda stroomt uit zijn wereldse propagandakanalen om alle geesten zodanig te vormen dat ze volledig naar zijn samenstel van dingen worden afgesteld. Alan Valentine zegt op bladzijde 66 van The Age of Conformity: „De Amerikanen besteden er zoveel tijd aan om door radio, televisie en pers ’doorspoeld’ te worden, dat er weinig tijd overblijft voor een andere uitwisseling van gedachten of ontspanning. De innerlijke bronnen om zich zelf bezig te houden, drogen op doordat ze zo weinig worden gebruikt, en zelfstandig denken wordt overbodig gemaakt doordat de voorgekauwde mening van favoriete commentators klakkeloos wordt overgenomen.” Op bladzijde 113 voegt hij er vervolgens aan toe: „De gemiddelde Amerikaan heeft de hoogste vluchten van de scheppende geest niet warm binnengehaald. Hij geeft de voorkeur aan intellectuele ’showmensen’ of schreeuwers, die zijn brein of verbeelding niet te zwaar belasten.”
Velen willen dan alleen graag denken wanneer anderen dit voor hen doen. Met de grootste aandacht volgen zij de hersengymnastiek en vraag-en-antwoord-besprekingen op de televisie en over de radio om er naar te luisteren hoe anderen denken, maar zelf schuwen zij zulk een geestesarbeid. Zij zouden graag kennis willen hebben om alle antwoorden te weten, maar niet zo graag om er iets voor te willen doen; evenals zij graag een sterk lichaam zouden willen hebben, maar toch niet zo graag dat zij de daarvoor benodigde oefeningen zouden willen doen.
De jeugd, die in de voetstappen der ouderen treedt, heeft dezelfde afkeer van eenzaamheid en meditatie. De psycholoog Robert Lindner zegt dat een voorname reden voor de moeilijkheden der hedendaagse jeugd is, dat ze „de eenzaamheid heeft verlaten welke eens het kenmerk van de adolescentiejaren en de bron van zowel haar diepste wanhopen als haar twijfelachtige extases was. Vaak was deze eenzaamheid scheppend. Daaruit kwamen soms de dromen, hoop en de een hoge vlucht nemende verlangens voort, welke het leven van dat moment af betekenis gaven en er toe bijdroegen ons onze dichters, kunstenaars en geleerden te geven. . . . De hedendaagse jeugd heeft de eenzaamheid echter prijsgegeven om met de massa te kunnen meelopen, om te kunnen profiteren van grote gezelschappen, om gezamenlijk iets te doen, waardoor persoonlijkheid wordt begraven, zo niet teniet gedaan. De jeugd stroomt als vee deze geestloze verenigingen binnen. Door het betalen van het inschrijvingsgeld geven zij zich zelf prijs en worden in de kudde gedompeld . . . Deze verandering kan maatschappelijk geen voordeel opleveren, want de werken der handen, van het hart en de geest worden altijd in de eenzaamheid uitgedacht. In de menigte, de kudde of de troep heerst een massageest — een geest zonder subtiliteit, meedogenloos, ongeciviliseerd.”
Anne Morrow Lindbergh bespreekt in Geschenk van de zee de noodzaak van eenzaamheid en hoe moeilijk die te bereiken is: „Het schijnt ons thans zo iets verschrikkelijks toe alleen te zijn, dat wij het nimmer zover laten komen. En wanneer familie, vrienden en bioscoop ons in de steek zouden laten, dan is er toch nog altijd de radio of televisie om de leegte te vullen. Vrouwen, die gewoonlijk over eenzaamheid klaagden, behoeven nimmer meer alleen te zijn. Wij kunnen ons huishoudelijke werk doen met de helden uit de luisterspelen en de amusementswereld naast ons. Zelfs het bouwen van luchtkastelen was scheppender dan dit; er moest iets van ons zelf uitgaan en het innerlijke leven werd er door gevoed. In plaats dat wij thans onze eenzaamheid vullen met onze fantasie-dromen, laten wij de ruimte weerklinken van een voortdurend geschetter van muziek, van gebabbel, en gezelschap waarnaar we niet eens luisteren. Het is er alleen maar om het vacuüm op te vullen. Wanneer het lawaai ophoudt, is er geen innerlijke muziek welke de plaats er van inneemt. Wij moeten weer opnieuw leren alleen te zijn. . . .”
„De wereld begrijpt niet dat een man of vrouw er behoefte aan kan hebben alleen te zijn. Hoe onverklaarbaar schijnt zo iets te zijn. Al het andere zou als een beter excuus aanvaard worden. Wanneer men tijd heeft terzijde gesteld voor een zakenafspraak, een bezoek aan de kapper, een maatschappelijke verplichting, of het doen van boodschappen, dan spreekt het van zelf dat er aan die tijd niet wordt getornd. Zegt men echter, Ik kan niet komen omdat dit mijn uur is om alleen te zijn, dan wordt men onopgevoed, egoïstisch of vreemd gevonden. Wat een commentaar op onze beschaving, wanneer het alleen zijn verdacht wordt gevonden; wanneer men zich er voor verontschuldigen moet, zijn excuses er voor moet maken, wanneer men moet verbergen dat men zo iets doet — als was het een geheime ondeugd! In werkelijkheid zijn de momenten dat iemand alleen is, de belangrijkste in zijn leven. Bepaalde bronnen worden slechts aangeboord wanneer wij alleen zijn. De kunstenaar weet dat hij alleen moet zijn om iets te kunnen scheppen; de schrijver om zijn gedachten te kunnen uitwerken; de musicus om iets te componeren; de heilige om te kunnen bidden.”
Doordat ware christenen de verkwikkende geestelijke bronnen aanboren wanneer zij in de eenzaamheid over Jehovah’s Woord mediteren, kunnen zij op de vergaderingen een grotere bijdrage leveren tot de bespreking, en wanneer zij de mensen thuis met hun predikingsboodschap gaan bezoeken, zijn hun gedachten diepgaand genoeg om strijdige dwalingen te weerstaan, te overwinnen en om dwaalgedachten in overeenstemming te brengen met Jehovah’s Woord. Jezus zocht zowel de eenzaamheid als de mensen; het eerste om gedachten tot zich te nemen en het laatste om aan anderen gedachten over te dragen. Bedenk dat ’hij u een model heeft nagelaten, opdat gij nauwkeurig in zijn voetstappen zoudt treden.’ — 1 Petr. 2:21; 2 Kor. 10:3-5; Luk. 4:42; 5:16, NW.