Jehovah: Echtgenoot, Vader en Onderwijzer
„Al uw kinderen zullen door Jehovah worden onderwezen; en groot zal de vrede van uw kinderen zijn.” — Jes. 54:13, AS.
1. Wie kan de betrekking waarin Jehovah tot zijn dienstknechten staat, het beste aantonen, en hoe kan ons besef er van toenemen?
NIEMAND beseft de betrekking waarin de waarachtige God tot zijn schepselen staat, zo goed als Jehovah zelf. Hij kan deze betrekking het beste beschrijven en hij doet dit ook in verscheidene uitdrukkingen die wij kunnen begrijpen. Door ons op Gods Woord toe te leggen, kan ons besef van de betrekking waarin Jehovah staat tot degenen die hem dienen, sterker worden. — Joh. 17:15-21, NW.
2. Toon aan dat het passend is dat Jehovah zichzelf een „echtgenoot” van zijn organisatie noemt.
2 Indien iemand een organisatie zou vormen, toegewijd zou zijn aan de doelstellingen er van, op haar belangen uit zou zijn, haar getrouw zou zijn, zou toezien op het welzijn van al haar leden, er tijd aan zou geven en aandacht aan zou besteden, zich zou verheugen in haar productiviteit, en er dus nauw mee verenigd zou zijn, kan er dan niet terecht worden gezegd dat zulk een persoon met die organisatie is „getrouwd”? Ja, omdat het „huwelijk”, figuurlijk gesproken, nu precies zulk een nauwe vereniging betekent. Het is logisch en passend dat Jehovah God zichzelf aanduidt als een echtgenoot van zijn organisatie. Dit moge bij de eerste gedachte vreemd schijnen, maar hoe zouden wij deze betrekking waarin zulk een nauwe vereniging bestaat, op betere wijze kunnen beschrijven? Wanneer wij zien hoe God zichzelf een echtgenoot noemt, terwijl hij de echtverhouding waarin hij tot de natie van het natuurlijke Israël stond als voorbeeld gebruikte, denken wij aan de goede huwelijksregeling van echtgenoot en echtgenote onder Jehovah’s aanbidders.
3, 4. Hoe was Jehovah in het ter illustratie dienende geval van de natie Israël een echtgenoot?
3 Op welke wijze was Jehovah een echtgenoot voor de natie Israël? Doordat hij in overeenstemming handelde met het ter illustratie dienende geval van de man die in de voorgaande paragraaf werd genoemd. Ten aanzien van Israël was hij bijvoorbeeld niet een echtgenoot die er vele aardse vrouwen op na hield. Neen, daarentegen deelde hij aan Israël mede: „Uit alle geslachten des aardbodems heb Ik ulieden alleen gekend” (Amos 3:2). Jehovah was getrouw ten aanzien van Israël, maar die natie overtrad Gods wet en keerde zich van hem af, en daarom lezen wij in Jeremia 3:14: „Keert terug, o afvallige kinderen, zegt Jehovah; want ik ben u een echtgenoot” (AS). Met een profetische blik vooruitziende door de jaren heen die begonnen te tellen nadat hij de ontrouwe „vrouw”, Israël, zou hebben verworpen, zeide hij: ’Ziet, de dagen komen, spreekt Jehovah, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken; niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hun hand aangreep, om hen uit Egypteland uit te voeren, welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt Jehovah.’ — Jer. 31:31, 32, AS.
4 Deze betrekking en Jehovah’s trouw als echtgenoot en zijn gerechtvaardigd zijn de natie die goddeloos werd en zich tegen hem keerde, te verwerpen, worden profetisch aangetoond door Hosea: „Twist tegen ulieder moeder, twist, omdat zij Mijn vrouw niet is, en Ik haar Man niet ben; en laat ze haar hoererijen van haar aangezicht, en haar overspelerijen van tussen haar borsten wegdoen” (Hos. 2:1). In vers zes wordt het oorspronkelijke echtgenootschap aangetoond in verband met de volgende vernietigende openlijke veroordeling van de ontrouwe organisatie: „Dan zal zij haar minnaars nalopen, maar hen niet bereiken; hen zoeken, maar niet vinden. Dan zal zij zeggen: ik wil heengaan en terugkeren tot mijn eersten man, want toen had ik het beter dan nu” (NBG).
5. Geef Bijbelse bewijzen dat Jehovah als een echtgenoot is jegens zijn universele organisatie.
5 De betrekking van echtgenoot is niet tot de organisatie van Israël beperkt. Die natie, welke lang geleden werd verworpen, beeldde profetisch grotere, blijvende dingen af. „Maar het Jeruzalem dat boven is, is vrij, en zij is onze moeder” (Gal. 4:26; Rom. 15:4; 1 Kor. 10:11, NW). De betrekking waarin Jehovah tot de universele organisatie staat, is zeer zeker de betrekking van een echtgenoot tot zijn vrouw, een liefderijke betrekking, en op passende wijze noemt hij zichzelf haar echtgenoot. Identificeert hij zich met betrekking tot zijn organisatie en de leden er van in nog een andere hoedanigheid? Jazeker.
VADER
6. Wat is nog een hoedanigheid waarin Jehovah zich openbaart?
6 Wanneer wij Websters New International Dictionary, Tweede Uitgave, raadplegen, wordt ons algemene begrip van de betekenis van „ouder” bevestigd. Als zelfstandig naamwoord betekent de uitdrukking: „iemand die nakomelingen verwekt, of voortbrengt; een vader of een moeder; een bron; auteur; ook, een oorzaak”; als bijvoeglijk naamwoord: „dat (of, die) de oorspronkelijke bron vormt waaruit iets voortspruit of waarvan iets uitgaat; dat (of, die) anderen als onderhorige organisaties ondersteunt, beschermt of controleert; zoals, een ouderorganisatie.” Kunnen wij zeggen dat de God die de organisatie maakt en de echtgenoot er van is, ook de vader is van de enkelingen die door die organisatie worden voortgebracht en die er leden van worden? Ja, en Jehovah openbaart zichzelf als de grote Vader.
7, 8. Wie zijn onder de kinderen van Jehovah begrepen?
7 Degenen aan wie hij leven geeft, zijn zijn kinderen. Een voorbeeld hiervan is de Logos. Er wordt kenbaar gemaakt dat de „Logos”, of het „Woord”, Jehovah’s rechtstreekse schepping is en zijn werkzame vertegenwoordiger was bij de schepping van andere geestelijke zonen Gods zowel als bij de schepping van alle andere dingen. „Oorspronkelijk was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was een god. Dit was oorspronkelijk bij God. Alle dingen zijn door bemiddeling van hem ontstaan, en afgescheiden van hem is zelfs niet één ding ontstaan.” — Joh. 1:1-3, NW.
8 De schepselen die door de werkzaamheid van zijn organisatie worden voortgebracht en die tot leden van zijn organisatie worden gemaakt, zijn eveneens zijn kinderen. Voorbeelden hiervan zijn de geestelijke zonen Gods. Deze engelen, cherubijnen en serafijnen, waren inbegrepen bij de scheppingen van God door bemiddeling van de Logos. Dit was ook zo met Adam. Lukas toont dit aan in hoofdstuk 3, vers 38 (NW): „. . . Adam, de zoon van God.” Niet alleen was de Logos de eniggeboren Zoon, zoals in het bovenstaande werd vermeld, maar aangezien hij als de menselijke zuigeling Jezus naar de aarde werd gezonden, blijkt hij het „Zaad” van Gods organisatie te zijn, welke organisatie schijnbaar onvruchtbaar was en het zaad der belofte pas voortbracht toen Jezus als een manlijk kind werd geboren. — Gal. 3:16, NW.
9. Wie waren in Israël Gods kinderen?
9 Het bericht van Jeremia hoofdstuk een en dertig, waarnaar eerder is verwezen, bevestigt het feit dat de afzonderlijke leden, afzonderlijke Joden, in de natie Israël, (op een bijkomstige of voorbeeldige wijze) kinderen van God waren, daar zij kinderen van de organisatie van Israël waren. ’Zo zegt Jehovah: Indien de hemelen daarboven gemeten, en de fundamenten der aarde beneden doorgrond kunnen worden, zo zal Ik ook het ganse zaad Israëls verwerpen, om alles, wat zij gedaan hebben, spreekt Jehovah.’ — Vs. 37, AS.
10. (a) Hoe zijn leden van het lichaam van Christus kinderen van de grote Vader? (b) Hoe staat het met anderen die Jehovah aanbidden?
10 Hoe staat het met Christenen? Indien zij leden van het lichaam van Christus, de gezalfde Christelijke gemeente zijn, dan zijn zij op unieke wijze kinderen van God: „God [zond] zijn Zoon uit, die uit een vrouw werd voortgebracht en die onder de wet kwam te staan, opdat hij hen die onder de wet waren, door koop zou kunnen verlossen, opdat wij op onze beurt de aanneming als zonen zouden kunnen ontvangen. Omdat gij nu zonen zijt, heeft God de geest van zijn Zoon in ons hart gezonden en deze geest roept uit: ’Abba, Vader!’ Daarom zijt gij dus niet langer een slaaf maar een zoon; en indien gij een zoon zijt, dan zijt gij ook een erfgenaam door bemiddeling van God” (Gal. 4:4-7, NW). Deze tekst verwijst niet naar het verdichtsel van het „universele vaderschap” van God ten aanzien van de gehele wereld der mensheid, maar spreekt over afzonderlijke individuen, die niet langer onder het Joodse wetsverbond zijn dat als een door God gebruikte wetsverbondsregeling ophield met de dood van Jezus, maar die door bemiddeling van Christus Jezus als leden van het lichaam van Christus in het nieuwe verbond zijn opgenomen (Hebr. 8:7-13, NW). Dezen worden voortgebracht door Jehovah’s Woord, dat hen er toe leidt dienstknechten van God te worden, door zijn geest, welke Gods macht is en zijn boodschap inhoudt zoals die in zijn Woord wordt geopenbaard, en door zijn rechtvaardige organisatie door bemiddeling van Christus Jezus, en zij zijn zijn kinderen. Daar elke hoop op leven op Gods voorzieningen berust, spreken andere Christenen van goede wil, die zich hebben aangesloten bij degenen die in het nieuwe verbond zijn opgenomen, hem terecht met hun Vader aan, omdat hij door bemiddeling van de Eeuwige Vader, Christus Jezus, hun Grootvader zal worden. — Joh. 10:16, NW; Jes. 9:5, NBG.
11. Wat wordt hier opgemerkt met betrekking tot onvruchtbaarheid?
11 In de dagen van de natie Israël, die was georganiseerd onder de wet door bemiddeling van Mozes, was het voor een vrouw een oorzaak van grote droefheid geen kinderen te hebben. Onvruchtbaarheid bracht smaad en ellende. Dit beeld dat is belichaamd in de feiten met betrekking tot letterlijke vrouwen in Israël is ook van toepassing op symbolische „vrouwen”, organisaties, wanneer ze werkelijk of schijnbaar onvruchtbaar zijn, geen kinderen voortbrengen, geen toename hebben en in werkelijkheid of schijnbaar niet aan hun doel beantwoorden.
THANS, DE ONDERWIJZER!
12, 13. (a) Wat is Jehovah nog meer ten aanzien van zijn volk? (b) Wat zijn zijn hoedanigheden, en in wie worden zij weerspiegeld?
12 In deze uitgave van De Wachttoren hebben wij Jehovah’s exclusiviteit beschouwd, bestudeerd dat hij een naam heeft en dat er schepselen zijn die zijn naam hooghouden. Wij hebben opgemerkt dat hij zich als een grote Maker identificeert, dat hij, onder andere, organisaties schept en dat hij zichzelf soms aan zijn organisatie voorstelt als een Echtgenoot en dat hij insgelijks een grote Vader is van de kinderen van zijn rechtvaardige organisatie. Nu komen wij aan nog een hoedanigheid waardoor Jehovah zijn betrekking tot zijn volk doet zien: hij is de grote Onderwijzer.
13 Exclusief onderricht behoort hem toe. Hij heeft de hoedanigheden van de beste onderwijzer. Hij heeft alle kennis, is op de hoogte met zijn voornemens, hem liggen de belangen van zijn schepselen na aan het hart, hij heeft volledig geduld en is volledig bekwaam om te onderwijzen en hij weerspiegelt deze hoedanigheden door bemiddeling van degene die hij als zijn grote vertegenwoordiger heeft aangesteld, de verheerlijkte Christus Jezus. — Hebr. 1:1-3, NW.
14, 15. Aan wie heeft Jehovah onderricht gegeven?
14 Hij heeft zijn schepselen nimmer juiste inlichtingen onthouden. Aan de eerste mens schonk God zijn woord. Hij sprak tot Adam (Gen. 1:28, 29; 2:16, 17). ’En hij heeft zich er niet van weerhouden een wereld uit de oudheid te straffen, maar hij heeft Noach, een prediker van rechtvaardigheid, met zeven anderen veilig bewaard toen hij een watervloed over een wereld van goddeloze mensen bracht’ (2 Petr. 2:5, NW). Door bemiddeling van Noach volbracht Jehovah de prediking van rechtvaardigheid in die tijd. Jehovah’s woord en zijn geest en zijn organisatie op aarde werden in Noach en zijn gezin aangetroffen, en Jehovah was de onderwijzer. — Gen. 6:8–9:29.
15 Aan zijn natie Israël gaf God zijn woord en zijn wet, legde zijn geest op hen, gaf hun de onderwijsorganisatie van de priesterschap en van de profeten opdat deze onderwijsorganisatie op het welzijn van de gehele organisatie der natie zou toezien. Jethro zeide tot Mozes: „Hoor nu mijn stem, ik zal u raden, en God zal met u zijn; wees gij voor het volk bij God, en breng gij de zaken voor God; en verklaar hun de instellingen en de wetten, en maak hun bekend den weg, waarin zij wandelen zullen, en het werk, dat zij doen zullen” (Ex. 18:19, 20). Verder: „Toen sprak God al deze woorden, zeggende.” — Ex. 20:1.
16. Hoe blijkt dit in het geval van Jezus Christus?
16 Dat hij onderwijs geeft, blijkt ook in de wijze waarop hij met en door bemiddeling van Christus Jezus handelde. Hij heeft Christus Jezus zijn woord gegeven. Jehovah legde zijn geest op hem, en in Johannes hoofdstuk 12 lezen wij: „Jezus riep echter uit en zeide: ’Hij die geloof in mij stelt, stelt niet alleen geloof in mij, maar ook in hem die mij heeft gezonden; en hij die mij ziet, ziet ook hem die mij heeft gezonden. Ik ben als een licht in de wereld gekomen, opdat een ieder die geloof in mij stelt, niet in de duisternis moge blijven. Maar indien iemand mijn woorden hoort en ze niet bewaart, ik oordeel hem niet, want ik ben niet gekomen om de wereld te oordelen, maar om de wereld te redden. Wie mij minacht en mijn woorden niet aanneemt, heeft een die hem oordeelt. Het woord dat ik heb gesproken, zal hem oordelen ten laatste dage, omdat ik niet uit eigen ingeving heb gesproken, maar de Vader zelf, die mij heeft gezonden, heeft mij een gebod gegeven aangaande hetgeen ik moest vertellen en spreken. Ook weet ik dat zijn gebod eeuwig leven betekent. De dingen die ik daarom spreek, spreek ik zó als de Vader ze mij heeft gezegd.’” — Verzen 44-50, NW.
17. Welke vragen worden gesteld, en hoe worden de antwoorden er op samengevat?
17 Wij bevinden ons nu in het jaar 1953, en de dagen van Adam, van Noach, van de tijd waarin de natie Israël bestond en van de vele jaren in het verleden liggende aardse bediening van Jezus zijn alle voorbij. Wat kan er worden gezegd betreffende het onderricht van Jehovah, de grote Onderwijzer, in deze tijd? Is er in de tegenwoordige omstandigheden iets met betrekking tot Gods onderricht voor ons? Wat kan er in deze hedendaagse, arrogante, goddeloze beschaving worden gezegd betreffende de leringen van Jehovah God? Veel! En het wordt samengevat in het feit dat Jehovah de kinderen van zijn organisatie onderwijst.
18. Welke bevestiging geeft Jesaja 54:13?
18 De profeet Jesaja drukt het op de volgende wijze uit: „En al uw kinderen zullen door Jehovah worden onderwezen; en groot zal de vrede van uw kinderen zijn” (Jes. 54:13, AS). Wanneer men het verband waarin deze tekst staat, leest, ziet men dat ze tot Zion (Jeruzalem) is gesproken. Jesaja heeft zowel van de verwoesting van Israël gesproken als van zijn herstel. Het is echter gemakkelijk in te zien dat deze woorden uit het 54ste hoofdstuk van Jesaja’s profetie niet alleen in handelingen op kleine schaal in de oudheid, maar meer in het werk van Jehovah God dat zou worden verricht op een tijdstip dat zich ver af bevindt van het tijdstip waarop de profetie werd uitgesproken, hun toepassing en vervulling vinden. — Rom. 15:4; 1 Kor. 10:11, NW.
19. Wanneer en op welke wijze paste Jezus Jesaja 54:13 toe?
19 Jezus zelf heeft een toepassing gegeven aan Jesaja 54:13 en hierdoor neemt hij de profetie uit een Joods, nationalistisch milieu zover het de vervulling er van betreft. In het zesde hoofdstuk van Johannes laat het bericht zien dat Jezus zichzelf identificeert als Gods voorziening voor de zegening van hen die Jehovah zouden dienen, en het toont de noodzaak aan dat een ieder die eeuwig leven wil hebben, geloof oefent in de Zoon. „Daarom begonnen de Joden te murmureren tegen hem omdat hij zeide: ’Ik ben het brood dat uit de hemel is nedergedaald,’ en zij begonnen te zeggen: ’Is dit niet Jezus de zoon van Jozef, wiens vader en moeder wij kennen? Hoe zit het dan dat hij nu zegt: „Ik ben uit de hemel nedergedaald”?’ Als antwoord zeide Jezus tot hen: ’Houdt er mede op onder elkaar te murmureren. Niemand kan tot mij komen tenzij de Vader, die mij heeft gezonden, hem trekt, en ik zal hem in de laatste dag opwekken. Er staat geschreven in de Profeten [Jes. 54:13]: „En zij zullen allen door Jehovah worden onderwezen.” Een ieder die het onderwijs van de Vader heeft gehoord en heeft geleerd, komt tot mij. Niet dat iemand de Vader heeft gezien, behalve hij die van God afkomstig is; deze heeft de Vader gezien. Voorwaar, voorwaar, ik zeg u: Hij die gelooft, heeft eeuwig leven.’” — Joh. 6:41-47, NW.
20. Aanvaardden allen Jehovah’s onderricht door bemiddeling van Christus Jezus?
20 Dit was voor de Joden die reeds sedert lange tijd hun voorgewende aanbidding van Jehovah God tot iets nationalistisch hadden gemaakt, een aanstootgevende boodschap. Ofschoon zij natuurlijke Joden waren, zouden zij, indien zij zich door bemiddeling van Christus Jezus door God zouden hebben laten onderwijzen, zijn discipelen, of onderwezenen, zijn gebleven, zoals hij in Johannes 8:31, 32 (NW) bekendmaakte aan de Joden die hem hadden geloofd: „Indien gij in mijn woord blijft, zijt gij werkelijk mijn discipelen, en gij zult de waarheid kennen, en de waarheid zal u vrijmaken.” In het toepassen van Jesaja 54:13 zeide hij „deze dingen [dus] toen hij in een synagoge te Kapernaüm onderwees. Ten gevolge hiervan gingen velen van zijn discipelen heen naar de dingen die zij achter zich hadden liggen, en wilden niet langer met hem wandelen.” — Joh. 6:59, 66, NW.
21. Hoe wordt aangetoond dat Jehovah door bemiddeling van Christus Jezus en de Christelijke gemeente exclusief onderwijs geeft?
21 Dit toont onder andere een verwerping aan van de ontrouwe Joodse organisatie, wier echtgenoot Jehovah eens was geweest, en het toont het exclusieve onderwijs aan dat Jehovah geeft door middel van de Christelijke gemeente waarvan Christus Jezus het hoofd was. Derhalve wordt het bewijs dat door het 54ste hoofdstuk van Jesaja zelf wordt gegeven, beslissend ondersteund door de wijze waarop Jezus de tekst heeft toegepast en waardoor wordt aangetoond dat de profetie zich ver buiten de grenzen van enkel het natuurlijke Israël uitstrekt en dat Israël zelf slechts een afbeelding was van dingen die nog zouden komen. Het is daarom geen wonder dat de Christelijke gemeente, sedert haar vroegste begin, de Hebreeuwse Geschriften, waarvan vele profetieën in Jezus Christus, in de Christelijke gemeente en in de wijze waarop Jehovah God met de gemeente handelde, werden vervuld, onvoorwaardelijk aanvaardde en er van ganser harte op vertrouwde. — 1 Petr. 1:10-12; 2 Petr. 1:19-21, NW.
22. Wordt het profetische woord zwakker met het verstrijken van de tijd?
22 Het 54ste hoofdstuk van Jesaja’s profetie werd opgetekend lang voordat de apostel Paulus zich tot de Christelijke gemeente in Rome richtte, maar, in plaats dat het verstrijken van de tijd de kracht van de profetieën uit de oudheid deed afnemen, werd daardoor getuigenis afgelegd omtrent hun bewaring door hun grote Auteur. Paulus, die flink voor Gods geopenbaarde woord uitkomt, waarbij hij Israël zelf als profetisch erkent, zegt dankbaar: „Want alles wat vroeger werd geschreven, werd tot ons onderricht geschreven, opdat wij door onze volharding en door de vertroosting uit de Schrift, hoop zouden kunnen hebben. Moge nu de God die volharding en vertroosting verschaft, geven dat gij onderling dezelfde geestestoestand hebt als Christus Jezus, opdat gij eenstemmig de God en Vader van onze Heer Jezus Christus moogt verheerlijken” (Rom. 15:4-6, NW). Wij worden niet in twijfel gelaten omtrent de tijd en wijze van de toepassing en vervulling van de profetie van Jesaja hoofdstuk 54. De Onderwijzer voorziet in alle behoeften; zijn organisatie brengt op zijn bestemde tijd voort!
HEERSCHAPPIJ IS ER BIJ BETROKKEN
23. Welke grote behoefte wordt erkend in profetieën uit de oudheid en in Christelijke verwachtingen?
23 De geschiedenis en de gebeurtenissen van tegenwoordig doen zeer duidelijk uitkomen dat de heiliging van Jehovah’s naam, het in werking zijn van zijn rechtvaardige Koninkrijkswetten en het doen van zijn volmaakte en heilige wil niet in het algemeen aan de orde van de dag zijn geweest op aarde en ook nu nog niet zijn. Neen, Jehovah’s aanbidding wordt niet voortgebracht door dit oude samenstel van dingen, en toch is het geen lichte zaak dat mensen in het algemeen hem hebben geringschat. De rechtvaardiging van Jehovah’s naam, met zijn er uit voortvloeiende rechtvaardige regering en de zegening van degenen op aarde die hem aanbidden, is zo hoogst belangrijk dat ze herhaaldelijk en voortdurend tot het onderwerp van Bijbelse profetieën wordt gemaakt. Niet alleen wordt door Bijbelse profetieën Jehovah’s voornemen aangetoond zijn wil in deze aangelegenheden te volbrengen, maar Christenen hebben deze aangelegenheden altijd tot het onderwerp van gebeden gemaakt, daar zij in hun hart oprecht wensen en er oprecht naar verlangen dat Jehovah’s wil zal worden volbracht. Deze aangelegenheden zijn in het leven en de verwachtingen van een Christen zo fundamenteel dat Christus Jezus ze verenigde door te zeggen: „Gij dan moet aldus bidden: ’Onze Vader in de hemelen, uw naam worde geheiligd. Uw koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in de hemel, alzo ook op aarde’” (Matth. 6:9, 10, NW). Toen Jezus deze raad over bidden gaf, waren er meer dan 630 jaren verstreken sedert er op aarde zelfs een miniatuur regering, of een regering op kleine schaal, van Jehovah God was geweest door middel van de theocratische organisatie van Israël, welke in 607 v. Chr. wegens ontrouw aan God werd omvergeworpen.
24. Hoe is heerschappij bij Jehovah’s aanbidding betrokken?
24 Te allen tijde wordt er in Jehovah’s relaties met de mensen aangetoond dat zijn aanbidding en zijn heerschappij onafscheidbaar zijn. Dat wil zeggen dat zij die God aanbidden, zijn onderdanen zijn; als hun God is hij hun Regeerder. Jezus erkende dit en Jezus predikte het, terwijl hij dit deed op het fundament der profeten. Daar zij die persoonlijk met Jezus waren verbonden, geloofden wat zij betreffende de herstelling van de Koninkrijksheerschappij over de aarde in de wet en de profeten waarnamen, verwachtten zij van hem dat hij op een of andere wijze koninklijke macht zou ontplooien. „Terwijl zij naar deze dingen luisterden, sprak hij bovendien een illustratie, omdat hij dicht bij Jeruzalem was en zij dachten dat het koninkrijk Gods zich terstond zou ontplooien. Daarom zeide hij: ’Een zekere man van edele afkomst reisde naar een verafgelegen land om voor zichzelf koninklijke macht te verkrijgen en terug te keren.’” — Luk. 19:11, 12, NW.
25. Welk vertrouwen legden de eerste Christenen aan de dag en welke vraag stelden zij, en hoe wordt dit aangetoond?
25 Nadat Jezus aan de paal was genageld en uit de doden was opgewekt, verenigde hij zich een poosje met zijn volgelingen: „Ook aan dezen toonde hij zich door vele positieve bewijzen levend nadat hij had geleden, en hij werd door hen veertig dagen lang gezien en hij vertelde de dingen omtrent het koninkrijk Gods” (Hand. 1:3, NW). Er bestond geen twijfel over dat Jehovah’s aanbidding ten slotte over de gehele aarde zou worden bevestigd, en onafscheidelijk daarmede verbonden zijn regering door middel van zijn Koninkrijksorganisatie, maar de vraag was: Wanneer? „Toen zij zich nu hadden vergaderd, vroegen zij hem: ’Meester, herstelt gij in deze tijd het koninkrijk aan Israël?’ Hij zeide tot hen: ’Het komt u niet toe kennis te verkrijgen van de tijden of stonden die de Vader onder zijn eigen toezicht heeft geplaatst’” (Hand. 1:6, 7, NW). Dat zij die met hem waren verbonden en die zijn volgelingen waren, tot een duidelijker begrip zouden komen van Gods voornemens in dit opzicht, wordt verzekerd door zijn woorden: „Gij zult kracht ontvangen wanneer de heilige geest op u komt, en gij zult getuigen van mij zijn zowel in Jeruzalem als in geheel Judea en Samaria en tot de verst verwijderde streek der aarde” (Hand. 1:8, NW). Daarna voer Jezus ten hemel, en de vroege kerk werd de belofte achtergelaten van zijn toekomstige komst. — Hand. 1:11, NW.
26. Hoe werkten prediking en tekenen er toe mede de vraag te beantwoorden wanneer Jehovah’s aanbidding en heerschappij volledig zouden worden hersteld?
26 Na Jezus’ hemelvaart daalde Gods geest van kracht neder op de leden van de vroege kerk, en zij identificeerden de Christelijke organisatie die door hen werd gevormd als het werktuig dat door Jehovah werd gebruikt. Deze identificatie was zeker door hun prediking van de waarheden van het Koninkrijk en door middel van de tekenen die zij door Gods kracht verrichtten. In het derde hoofdstuk van Handelingen staat het verslag beschreven van Petrus en Johannes die door een lamme bedelaar werden gevraagd hem materiële hulp te geven, en Petrus’ antwoord: „Zilver en goud bezit ik niet, maar wat ik wel heb dat geef ik u: In de naam van Jezus Christus de Nazarener, wandel!” (Hand. 3:6, NW). De lamme man werd tot verrassing en verbazing van de mensen die de wonderbaarlijke genezing bemerkten, door Gods macht gezond gemaakt. Vervolgens gaf Petrus een krachtig getuigenis betreffende Christus Jezus als Gods vertegenwoordiger des levens, en de vervulling van profetieën in hem, en hij zeide verder tot die personen: „Hebt daarom berouw, en keert u om, zodat uw zonden uitgewist worden, opdat tijden van verkwikking mogen komen van de persoon van Jehovah en opdat hij de Christus moge uitzenden die voor u is aangesteld, namelijk, Jezus; hij moet nu in de hemel verblijven tot de tijden van de herstelling aller dingen waarvan God heeft gesproken door de mond van zijn heilige profeten van oudsher. In feite heeft Mozes gezegd: ’Jehovah God zal voor u uit het midden van uw broeders een profeet doen voortkomen gelijk mij. Gij moet naar hem luisteren overeenkomstig alle dingen die hij tot u spreekt. Voorwaar, elke ziel die niet luistert naar die Profeet, zal volledig worden verdelgd uit het midden van het volk.’ Trouwens, alle profeten van Samuël af en zij die na hem zijn gevolgd, zovelen als er gesproken hebben, hebben deze dagen ook duidelijk bekendgemaakt. Gij zijt de zonen der profeten en van het verbond dat God met uw voorvaderen heeft gesloten, zeggende tot Abraham: ’En in uw zaad zullen alle geslachten der aarde worden gezegend.’ Eerst tot u heeft God, nadat hij zijn Dienstknecht had voortgebracht, hem uitgezonden om u te zegenen door een ieder af te keren van uw goddeloze daden” (Hand. 3:19-26, NW). De priesters der valse religie werden gelijk het zaad van de slang of de kinderen van de Duivel, wat zij ook waren, en, zoals altijd, „geërgerd” door de leringen van Petrus en Johannes en zij lieten hen arresteren. — Hand. 4:1-3, NW.
27. In welk opzicht is tijd een belangrijke factor met betrekking tot de vruchtbaarheid van Jehovah’s „vrouw”?
27 Dit krachtige en dringende verzoek tot berouw dat door Petrus werd gedaan, vestigt de aandacht op Christus Jezus als de door Jehovah aangestelde, toont aan dat hij tot aan een zekere tijd van toen af, tot aan de tijd van herstelling, in de hemel moest verblijven, en dat God bij monde van zijn profeten, in feite al de profeten, met inbegrip van Jesaja, over deze dingen had gesproken. Natuurlijk zou Jezus, daar hij een hemelse koning is, geen aards koninkrijk oprichten en hij heeft dit ook niet gedaan. Tijd is een belangrijke factor, en dat is ook het geval bij de vervulling van Jesaja hoofdstuk vier en vijftig. De tijd van Jehovah’s heerschappij is de tijd waarin zijn organisatie vruchtbaar is en Zions kinderen worden onderwezen; maar wanneer? hoe? door wie? Beschouw het voorgaande, de beide artikelen, als een basis voor een verdere bestudering van dit onderwerp in onze volgende uitgave.