Twee zeer belangrijke klassieke brieven
TRAJANUS, de heerser van het uitgestrekte Romeinse keizerrijk, had voor de provincie Bithynië-Pontus in Klein-Azië een stadhouder nodig, waarvoor hij zijn zeer betrouwbare vriend Gaius Plinius Caecilius Secundus, ook wel Plinius de Jongere genaamd, aanwees. Deze arriveerde in 111 n. Chr. in Bithynië maar stierf reeds twee jaar later. Gedurende deze korte periode schreef hij Trajanus veel brieven en wel over verschillende onderwerpen. Een van deze, tezamen met Trajanus’ antwoord, handelt over de vroege christenen en wordt als oudheidkundig gedenkschrift zeer hoog aangeslagen. Wij krijgen hier een goede kijk op de houding, het gedrag en de positie van Gods dienstknechten, gezien door de ogen van een niet-christen. Deze brieven zijn van zulk een geweldig historische waarde (ze werden slechts enkele jaren na de dood van de laatste apostel geschreven) dat wij ze hier weergeven, zoals dr. A. Sizoo ze opnam in zijn boek De Antieke Wereld en het Nieuwe Testament, de bladzijden 194-196.
„Het is mijn gewoonte, heer, alles waarover ik twijfel, aan u voor te leggen. Want wie kan mij beter in mijn aarzeling leiden of in mijn onwetendheid onderrichten?
Bij de gerechtelijke onderzoekingen inzake de Christenen ben ik nooit aanwezig geweest: daarom weet ik niet wat en in hoeverre men pleegt te straffen of te onderzoeken. En ik was niet weinig onzeker aangaande de vraag of er eenig onderscheid gemaakt wordt tusschen de leeftijden of dat kinderen, al zijn ze nog zoo jong, in niets van volwassenen verschillen; of er, wanneer men berouw toont, vergiffenis geschonken wordt, dan wel of het hem, die eenmaal Christen geweest is, niets baat, dat hij ophoudt het te zijn; of de naam zelf, wanneer daaraan geen misdaden verbonden zijn, gestraft wordt dan wel of de misdaden, die met den naam verbonden zijn, worden gestraft. Intusschen heb ik ten aanzien van hen, die bij mij als Christenen werden aangebracht, deze gedragslijn gevolgd:
Ik heb hun gevraagd of ze Christenen waren. Wanneer ze dat bekenden, heb ik het hun voor de tweede en derde maal gevraagd onder bedreiging van straf. Wanneer ze volhielden, liet ik hen wegvoeren naar de gevangenis. Anderen waren er, even waanzinnig, die ik, omdat ze Romeinsche burgers waren, heb genoteerd om ze naar Rome te zenden. Toen daarop, juist door de behandeling, zooals dat pleegt te gebeuren, het vergrijp zich meer en meer uitbreidde, deden zich meer gevallen voor. Mij werd voorgelegd een niet onderteekende lijst, die de namen van velen bevatte. Hen, die zeiden, dat ze geen Christenen waren of geweest waren, meende ik te moeten laten gaan, wanneer ze met woorden, die ik hun voorzeide, de goden aanriepen en tot uw beeld, dat ik hiertoe met de beelden der goden had laten brengen, met een wierook- en wijnoffer baden, en vervolgens Christus vervloekten: handelingen, tot welke, naar men zegt, werkelijke Christenen niet gedwongen kunnen worden. Andere door den aanbrenger genoemden zeiden, dat ze Christenen waren, maar daarop zeiden ze, dat ze het niet waren; ze waren, zeiden ze, het wel geweest, maar waren er mee opgehouden, sommige verscheidene jaren, deze en gene zelfs twintig jaar geleden. Deze allen hebben uw beeld en de beelden der goden eer toegebracht en Christus vervloekt.
Zij verzekerden, dat de hoofdzaak van hun schuld of dwaling dit geweest was, dat ze gewoon waren geweest op een bepaalden dag vóór zonsopgang saam te komen en onderling een gebed uit te spreken tot Christus alsof hij een god was, en dat zij zich onder eede verplichtten niet tot een of andere misdaad, maar daartoe, dat ze geen diefstal, rooverij en echtbreuk zouden plegen, hun woord niet zouden breken, en wanneer eenig bij hen in bewaring gegeven goed werd opgeëischt, niet zouden ontkennen, dat zij het ontvangen hadden; en wanneer dat gedaan was, dat ze dan gewoon waren geweest uiteen te gaan en weer saam te komen om spijs te nemen, echter gewone en onschuldige spijs; maar dat ze daarmee opgehouden waren na mijn edict, waarbij ik volgens uw bevel godsdienstige vereenigingen verboden had. Daarom meende ik, dat het des te meer noodzakelijk was bij twee slavinnen, die dienaressen genoemd werden, ook op de pijnbank te onderzoeken, wat de waarheid was. Ik vond niets anders dan een slecht en buitengewoon sterk wangeloof. Daarom heb ik het onderzoek uitgesteld en ben er toe overgegaan u te raadplegen. Want de zaak scheen mij die raadpleging waard, vooral wegens het groote getal der aangeklaagden. Want velen van alle leeftijden, van elken rang en ook van beiderlei kunne, worden aangeklaagd en zullen aangeklaagd worden. En niet alleen de steden, maar ook de dorpen en het platteland is door de besmetting van dat wangeloof aangetast: maar het schijnt tot staan gebracht en verbeterd te kunnen worden. In ieder geval is het zeker, dat men de tempels, die bijna verlaten waren, weer begint te bezoeken en dat men de plechtige offers, die lang nagelaten zijn, weer begint te houden en dat overal weer offerdieren verkocht worden, die tot nu toe slechts nu en dan een kooper vonden. Daaruit kan men gemakkelijk opmaken, hoe groot de schare is der menschen, die men verbeteren kan, wanneer er gelegenheid is tot berouw.”
Als antwoord op deze brief van Plinius schreef keizer Trajanus:
„Gij hebt, waarde Secundus, bij het onderzoek van de zaak van hen, die als Christenen bij u aangebracht waren, de juiste gedragslijn gevolgd. Immers het is onmogelijk om in het algemeen iets vast te stellen, dat als het ware een vasten regel vormt. Ze moeten niet opgespoord worden: als ze aangegeven en beschuldigd worden, moeten ze gestraft worden, maar toch zoo, dat een ieder, die zegt, dat hij geen Christen is en dit metterdaad doet blijken, namelijk door tot onze goden te bidden, ook al is hij ten aanzien van zijn verleden verdacht, op zijn berouw vergiffenis krijgt. Aan geschriften evenwel, die anoniem worden ingediend, mag bij geen enkele beschuldiging aandacht geschonken worden. Want dat zou een zeer slecht antecedent zijn en het hoort niet in onzen tijd thuis.”
WELK EEN PRIJZENSWAARDIG GETUIGENIS
Wanneer wij deze brieven aan een nader onderzoek onderwerpen, komen wij veel te weten over de vroege christenen. Alhoewel het een kleine minderheid bestaande uit „kinderen en volwassenen” betrof, was geen verhoor, hoe onmenselijk ook, in staat de rechtschapenheid van dezen die getrouw in Christus’ voetspoor traden, te breken. Plinius noemde het een „onverzettelijke koppigheid.” In werkelijkheid was het echter een voorbeeld van godvruchtige en onzelfzuchtige toewijding ten opzichte van Jehovah’s geboden. Ze waren in geen enkel opzicht weerspannig.
Aan welke misdaden maakten deze christenen zich eigenlijk schuldig? Plinius zegt dat zij in naam van Christus tot God baden, „zich onder eede verplichtten niet tot een of andere misdaad,” maar alleen zwoeren „dat ze geen diefstal, rooverij en echtbreuk zouden plegen, hun woord niet zouden breken, en wanneer enig bij hen in bewaring gegeven goed werd opgeëischt, niet zouden ontkennen, dat ze het ontvangen hadden,” en bovendien kwamen zij samen „om spijs te nemen, echter gewone en onschuldige spijs.” Het rijk had werkelijk geen betere, meer oprechte en begeerlijker onderdanen en toch wilde Plinius juist hen uitroeien en vernietigen!
Niet allen echter die voor Plinius gebracht werden, waren dergelijke getrouwe christenen. Sommigen ontkenden zelfs dat zij het ooit geweest waren en als bewijs hiervoor aanbaden zij graag de heidense goden, brachten een „wierook- en wijnoffer” voor Trajanus’ beeld en „vervloekten vervolgens Christus.” Zelfs voor Plinius was dit een bewijs dat het geen christenen waren, want dit waren „handelingen, tot welke, naar men zegt, werkelijke Christenen niet gedwongen kunnen worden.”
Een derde groep die voor Plinius gebracht werd, waren als de door Jezus genoemden, die een hart bezaten dat van steen was waarin het waarheidszaad, omdat het geen wortel had kunnen schieten, onder de hitte van vervolging zou verschrompelen (Matth. 13:20, 21). Ontrouwen, die ten opzichte van Jehovah God een gebrek aan rechtschapenheid toonden en een compromis sloten met de heersers van deze satanische oude wereld, hun heilige overeenkomst ontrouw werden, hun godvruchtige levenswijze overboord gooiden, de vergadering van de Heer niet meer bijwoonden en dit alles omdat nietige mannen als Plinius en Trajanus „godsdienstige vereenigingen verboden hadden” (Hebr. 10:25). Deze ontrouwe en waardeloze klasse schonk Plinius vergiffenis en hij toonde hun barmhartigheid, ook Trajanus sloot zich hier bij aan en de Duivel verkneuterde zich. In Jehovah’s ogen verdienden deze verbondsverbrekers echter de dood. — Pred. 5:4, 5; Rom. 1:31, 32.
Ondanks vervolging en het afvallen van enkelen kon men, zoals Plinius dit noemde, de „besmetting van dat wangeloof” geen halt toeroepen. Juist onder vervolging verbreidde het christendom zich en „velen van alle leeftijden, van elken rang en ook van beiderlei kunne” namen de waarheid aan. Plinius klaagde, „niet alleen de steden, maar ook de dorpen en het platteland is door de besmetting van dat wangeloof aangetast.”