Brieven
„OVER PIJNIGING IN ALLE EEUWIGHEID”
8 october 1949
Waarde Vriend,
Als antwoord op uw brief van 25 september het volgende:
Ronduit gezegd, wij zijn er verwonderd over, dat u zich, terwijl u tracht het eeuwige hellevuur en de eeuwige hellepijniging voor MENSELIJKE zielen te ondersteunen, wendt tot een boek waarin symbolische taal en tekenen worden gebruikt, en niet tot een of ander duidelijk, letterlijk gedeelte van de Heilige Schrift. Hebt u nooit opgemerkt, dat de inleiding van het boek Openbaring luidt: „Openbaring van Jesus Christus, die God Hem meedeelde: om zijn dienaren kenbaar te maken wat spoedig gaat gebeuren. Hij maakte ze bekend in TEKENEN, door zijn Engel te zenden tot zijn dienaar Joannes” (Openbaring 1:1, 2, De Kath. Bijbel). God heeft dus door middel van Christus zijn boodschap aan Johannes „te kennen gegeven” of door tekenen en symbolen onthuld. In Openbaring 20:10 wordt derhalve door middel van tekenen of symbolen een waarheid geleerd, en een van die tekenen of symbolen is de „poel des vuurs en sulfers”. Hebt u nooit opgemerkt wat de „poel” zinnebeeldig voorstelt? Openbaring 20:14 zegt het u duidelijk: „En de dood en de hades werden geworpen in den poel des vuurs; dit is de TWEEDE dood, de poel des vuurs.” (Voorhoeve). En dat de poel eeuwige dood of vernietiging en niet een toestand van leven voorstelt, wordt door het volgende vers aangetoond, waarin word gezegd: „En zo iemand niet gevonden werd geschreven in het boek des LEVENS, die werd geworpen in den poel des vuurs” (Openb. 20:15). Omdat hij niet waardig werd bevonden te leven, werd hij in de vurige poel geworpen, dat betekent, de toestand van eeuwige dood, welke dood verschilt van die welke Adam over ons geslacht heeft gebracht.
Evenals de „poel” in Openbaring 20:10 een symbool is, zo is ook het „beest” een symbool en niet iets letterlijks. U gelooft toch niet dat het een letterlijk beest betekent, nietwaar? Evenals de Duivel geen letterlijke draak is; en zelfs de „valse profeet” is geen letterlijke man, doch blijkt een organisatie te zijn. Over Openbaring 20:10 zegt ons boek dat in 1930 werd uitgegeven en dat is getiteld „Licht” (Engels), in Deel 2, bladzijde 219, alinea 2, het volgende: „Zoals in Openbaring 14:10 en in de daaronder volgende commentaren wordt uiteengezet, betekent elke gevangenschap, zolang deze duurt, pijniging; en daar ’het beest en de valse profeet’ en Satan nooit uit de gevangenis der vernietiging zullen worden bevrijd, wordt die toestand symbolisch beschreven als ’pijniging dag en nacht in alle eeuwigheid’. Wanneer in vroeger tijden mensen in de gevangenis, en derhalve in pijn waren, konden zij onder bepaalde omstandigheden worden bevrijd. . . . Er is echter niets, dat ooit Satan of ’het beest en de valse profeet’ zou kunnen bevrijden. Deze ’poel des vuurs en sulfers’ betekent vernietiging waaruit geen herstel mogelijk is.” In het hierboven vermelde boek Licht, bestaande uit twee delen, wordt de gehele Openbaring, hoofdstuk voor hoofdstuk en vers voor vers, besproken. In Mattheüs 18:34 wordt over gevangenbewaarders als over „pijnigers” gesproken.
Openbaring 14:9, 10 zegt: „Indien iemand het beest en zijn beeld aanbidt en het merkteken op zijn voorhoofd of op zijn hand ontvangt, die zal ook drinken van den wijn van Gods gramschap, die ongemengd is toebereid in den beker van zijn toorn; en hij zal gepijnigd worden met vuur en zwavel ten aanschouwen van de heilige engelen en van het Lam” (Nw. Vert.). Nu, Mijnh. ——, u gelooft toch niet, dat het beest, zijn beeld, het merkteken op het voorhoofd en op de hand en de wijn en de beker en het Lam in deze verzen letterlijke dingen zijn? Wanneer u het vuur en sulfer letterlijk opvat, dan moet u ook die andere dingen letterlijk opvatten. Wanneer u zegt dat die andere dingen niet letterlijk zijn, waarom houdt u dan vol dat het vuur en sulfer wel letterlijk zijn? Openbaring 20:14, 15 toont aan dat het vuur en sulfer niet letterlijk, doch symbolisch zijn. Wanneer derhalve de aanbidder van het beest en zijn beeld met vuur en sulfer wordt gestraft waarvan de rook tot in alle eeuwigheid opstijgt, dan betekent dit, dat zulk een valse aanbidder in de symbolische poel wordt geworpen waar dit symbolische vuur en sulfer zijn, met andere woorden, dat hij in de tweede dood wordt geworpen. Het is een dood in alle eeuwigheid, omdat het symbolische vuur en sulfer voor hen die er in worden geworpen, nooit worden uitgeblust.
Zij die in deze symbolische poel worden geworpen, blijven niet in leven, doch sterven voor altijd zonder hoop op een opstanding. Openbaring 19:20 zegt niet dat het beest en de valse profeet in leven blijven, NADAT zij „in den poel des vuurs, die met sulfer brandt”, zijn geworpen. In het geval van de Gehenna, de stortplaats buiten Jeruzalem waar het stadsvuil werd verbrand, daarin werden de lichamen van DODE dieren geworpen, opdat ze zouden worden verteerd en vernietigd, maar wat het beest en de valse profeet betreft, zij worden terwijl zij nog in leven zijn of het hun nog goed gaat, in de symbolische poel van vuur en sulfer geworpen. Christus maakt plotseling en onverwachts een einde aan hun bestaan.
Ja, wij geloven dat u een stom redeloos dier zelfs niet een ogenblik zou pijnigen. Zou God dan schepselen die naar zijn beeld en gelijkenis zijn gemaakt, pijnigen en hen zo boosaardig in alle eeuwigheid pijnigen, wanneer zijn Zoon Jezus Christus zegt: „Zijt gij niet veel meer waard dan zij?” — Mattheüs 6:26, Van Tich.
Mijnh. ——, tracht dus niet letterlijke waarheden van de Bijbel te weerleggen met symbolische verklaringen, waarvan de geestelijkheid der Christenheid de betekenis heeft verdraaid. Tracht niet doordat u aldus handelt, de Bijbel met zich zelf in tegenspraak te brengen. Wij laten het nu aan u over alle letterlijke verklaringen van de Bijbel te weerleggen, welke wij u hebben voorgelegd in onze boeken over de Bijbel en die bewijzen dat de menselijke ziel niet onsterfelijk is doch sterft en derhalve na de ontbinding van ons menselijke lichaam niet voor altijd kan worden gepijnigd.
U dienend in het belang der waarheid,
WATCH TOWER BIBLE & TRACT SOCIETY
„LAAT DE DODEN HUN DODEN BEGRAVEN”
21 november 1949
Geliefde Zuster,
Hier het antwoord op je brief van de 6de dezer:
De gang van zaken bij een begrafenis in de Christenheid moge, zoals jij zegt, „zwendel” zijn, doch door de wet in dit land en in vele andere landen wordt deze gang van zaken werkelijk geëist. In Jezus’ dagen begroeven zij daar in het Oosten de doden bijna onmiddellijk. En dit is tegenwoordig nog steeds het geval in vele tropische landen waar geen gelegenheden zijn de doden te balsemen of waar de arme mensen er geen middelen voor hebben. Doch in dit land [V.S.] moet, voordat een dode kan worden begraven, een bewijs van de dokter worden verkregen dat de persoon dood is, en er moet een onderzoek naar de oorzaken van zijn dood worden ingesteld. Er dient eveneens enige tijd voorbij te gaan ten einde er zeker van te zijn dat hij werkelijk dood is. Aldus worden haastige begrafenissen voorkomen die een misdaad bedekken welke tegen de dode is bedreven. In dit land kunnen wij derhalve begrafenissen niet geheel uitschakelen. Doch indien een Christen ze niet gaarne bijwoont, kan hij dat voor zich zelf bepalen.
Jezus’ woorden: „Volg Mij, en laat de doden hun doden begraven” pleiten niet tegen het bijwonen van een begrafenis. De man die hier wordt aangesproken, had tot Jezus gezegd: „Here! laat mij toe, dat ik eerst heenga, en mijn vader begrave” (Mattheüs 8:21, 22). Dit betekent niet, dat de vader van de man reeds dood was, want indien zijn vader op dat ogenblik dood zou zijn geweest, dan zou de man daar bij het graf zijn geweest en niet naar Jezus hebben geluisterd. Doch de man bedoelde, dat zijn vader oud was en vroeg of laat zou sterven; en de man wilde dus het volgen van Jezus uitstellen tot een tijd nadat hij voor zijn vader tot diens dood had gezorgd en op het sterfbed van zijn vader diens zegen had kunnen ontvangen en dan zijn vaders wens had kunnen vervullen dat zijn zoon, nadat de dood was ingetreden, op het doodbed godvruchtig zijn ogen zou sluiten. Dit zou voor de man hebben betekend, dat hij het volgen van Jezus voor een onbepaalde tijd zou hebben uitgesteld en daarom zeide Jezus: laat de doden hun doden begraven. De verwanten van de man volgden Jezus klaarblijkelijk niet op de weg naar het leven en waren derhalve geestelijk dood, en aan hen kon het worden overgelaten de vader van de man, wanneer hij stierf, te begraven. Doch wanneer tegenwoordig gewijde Christenen, die op de weg des levens wandelen en niet meer onder de veroordeling der wereld staan, een sterfgeval in de familie en een begrafenis hebben, kun jij dan terecht zeggen dat hier een geval is van de „doden” (geestelijk) die de dode begraven? Neen. De man wilde naar huis gaan om zijn vader te begraven en niet om door middel van een begrafenislezing getuigenis te geven. Doch gewijde Christenen treffen regelingen om bij de begrafenis een getuigenis over de waarheid af te leggen. Dit betekent voordeel trekken van een gelegenheid.
Met je verbonden in het getuigenisgeven over het Koninkrijk,
WATCH TOWER BIBLE & TRACT SOCIETY
„OVER JEZUS’ RECHTEN”
26 september 1949
Geachte Heer,
De beantwoording van uw brief van de 16de dezer gericht aan Grant Suiter, is ons opgedragen.
Aangezien u de juistheid van hetgeen in De Wachttoren is gepubliceerd, betwist, is het beste wat wij kunnen doen, u verwijzen naar enige bekende autoriteiten. De Westminster Dictionary of the Bible (herziene uitgave van 1944), onder „Genealogy” („Geslachtrekenkunde”), blz. 198, kolom 1, zegt onder andere over de vraagstukken in verband met Jezus’ aardse voorvaderen uit het geslacht van David: „Op grond van een gelijksoortige redenering in verband met deze theorie komen wij tot een meer voor de hand liggende oplossing van het vraagstuk, namelijk, dat het geslachtsregister in Mattheüs de WETTIGE opvolgers voor de troon van David bevat, terwijl dat in Lukas de voorvaderen van Jozef van moederszijde vermeldt . . . na Zerubbabel liepen de twee geslachtslijnen uit elkaar. Het geslacht van de oudste zoon, die door overerving recht had op de troon, stierf op de duur uit en het recht ging over op de nakomelingen van de jongere zoon. . . . het geslachtsregister in Mattheüs geeft de stamboom van Jozef en onthult dat hij de erfgenaam voor de troon van David is, terwijl het geslachtsregister in Lukas de stamboom van Maria geeft en aantoont, dat Jezus de WERKELIJKE zoon van David is. . . . Jezus is, volgens Lukas, de kleinzoon van Heli, Maria’s vader, en dus een rechtstreekse afstammeling van David. . . . In de stamboom die in Mattheüs hoofdstuk 1 wordt vermeld, verschijnt de tussenvoeging: ’Na de Babylonische overvoering gewon Jechonias Salathiël.’ De 2 stambomen worden begrijpelijk wanneer deze kennisgeving in Mattheüs wordt begrepen als een uitvoerige geslachtrekenkundige verklaring die op het WETTIGE erfrecht op de troon duidt. Het recht ging bij de dood van Jechonias van hem over op Salathiël, een rechtstreekse afstammeling van David.” Onder „Jezus Christus” zegt hetzelfde Woordenboek (Dictionary of the Bible) (blz. 303, kol 1): „De Messias moest de zoon van David zijn, en derhalve waren Jozef, zijn wettige vader, en waarschijnlijk zijn moeder, zijn werkelijke moeder, nakomelingen van David. . . . [kol. 2] De inschrijving der Joden gebeurde echter blijkbaar volgens de Joodse methode, waarbij iedere vader van een huisgezin werd geregistreerd, niet in zijn woonplaats, maar in de plaats waar met het oog op de afkomst zijn familie thuishoorde. Daarom moest Jozef naar Bethlehem gaan, het oorspronkelijke tehuis van David. Maria vergezelde hem.”
De Encyclopaedie van McClintock & Strong (1882) zegt onder „Genealogy” („Geslachtrekenkunde”) (blz. 773, kol. 2, van Deel III): „Grotius . . . veronderstelt dat Lukas de NATUURLIJKE geslachtsboom van Christus en Mattheüs de WETTIGE nagaat. Hiervoor voert hij twee bewijzen aan: . . . Dr. Barrett . . . vermeldt zijn eigen onderstelling, nl., dat Mattheüs het geslachtsregister van Jozef en Lukas dat van Maria verhaalt. Hij neemt als een voldoende reden aan dat, nadat Mattheüs zijn geslachtsregister had vermeld, door Lukas een ander zou worden toegevoegd, ten einde volledig te bewijzen dat Christus naar het vlees een afstammeling van David was, niet alleen door zijn vermoedelijke vader, Jozef, maar ook door zijn werkelijke moeder, Maria. . . . Het is welbekend dat de Joden bij het samenstellen van hun geslachtsregisters alleen mannen lieten meetellen, terwijl zij wanneer de bloedverwantschap van de grootvader door middel van een dochter op de kleinzoon overging, de naam van de dochter niet noemden en de echtgenoot van die dochter als de zoon van de grootvader van moederszijde rekenden (Numeri 26:33; 27:4-7) . . . De evangelist Lukas heeft een critisch onderscheid gemaakt tussen de WERKELIJKE en de WETTIGE geslachtslijn door een tussen haakjes vermelde opmerking: ’Jezus zijnde (alzo men meende) de zoon van Jozef (maar in werkelijkheid) de zoon van Heli’ of zijn kleinzoon van de kant zijner moeder.” — blz. 774, kol. 1.
Wanneer Maria haar echtgenoot Jozef vertelde dat de engel Gabriël haar had bericht dat God haar zoon Jezus de troon van zijn vader David zou geven (Luk. 1:32), dan kunnen wij er zeker van zijn dat Jozef, die een godvruchtige en gehoorzame man bewees te zijn, Jezus dadelijk zou aannemen als zijn wettige erfgenaam wat betreft zijn rechten in de aanspraak op de troon van David. De Wachttoren zei dat Jozef dit kon doen, omdat de Bijbel niet rechtstreeks vermeldt of bericht dat hij het deed, hoewel dit bedektelijk te kennen wordt gegeven. Maar door natuurlijke geboorte via Davids achterkleindochter Maria was Jezus de natuurlijke „zoon van David”, en dus erfde hij volgens deze natuurlijke afstamming de rechten op de troon van David; het was geheel in overeenstemming met Jezus’ NATUURLIJKE afstamming van David, dat Gabriël Maria kon vertellen dat God Jezus de troon van zijn NATUURLIJKE vader David zou geven.
In de Bijbel zijn geslachtsregisters, die voor de gemiddelde lezer droog lijken, zeer belangrijk; God zou niet zovele geslachtsregisters in zijn Woord hebben vermeld wanneer ze niet belangrijk waren, vooral dit geslachtsregister over Davids geslacht. Dikwijls is een punt dat klein en onbetekenend lijkt, heel belangrijk en onontbeerlijk, maar zulk een punt kan door de oppervlakkige lezer geheel over het hoofd worden gezien. Daarom deed De Wachttoren, zoals u zegt: „zoveel moeite om te trachten een punt dat geen betoog behoeft, te bewijzen.” God schenkt aandacht aan en is getrouw tot in het kleine, en hij wordt er door verheerlijkt wanneer wij deze kleine dingen aan het licht brengen en aantonen hoe nauwkeurig hij is. Opdat Jezus de „zoon van David” zou kunnen worden, was het derhalve beslist noodzakelijk dat hij een NATUURLIJKE afstammeling van die oude koning zou zijn. Wanneer Jezus van een ander geslacht dan dat van David zou zijn geweest, zou alleen het feit dat Jezus met de heilige geest was gezalfd, hem niet tot de „zoon van David” hebben gemaakt. Zijn gewijde navolgers zijn ook met de heilige geest gezalfd om met hem te heersen, maar over hen wordt in de Schrift niet gesproken als over „zonen van David”; er bestaat alleen een band tussen hen en David wanneer zij leden van Christus’ lichaam worden. Er wordt van koning Melchizedek geen geslachtsregister vermeld, doch, omdat Jezus met de heilige geest werd gezalfd, wordt er over hem in de Schrift niet gesproken als over de „zoon van Melchizedek”, maar door Gods eed werd hij gemaakt tot „Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek” (Ps. 110:4). Dienovereenkomstig was Jezus, daar hij het „zaad van Abraham” was, ook een natuurlijke afstammeling van de patriarch. Al deze dingen dragen er toe bij Jezus’ identiteit te bewijzen.
Hoogachtend,
WATCH TOWER BIBLE & TRACT SOCIETY
„Alle Schrift, van God ingegeven, is nuttig tot leering, tot overtuiging, tot verbetering, tot opleiding in de regtvaardigheid: Opdat volmaakt zij de mensch Gods, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust.” — 2 Tim. 3:16, 17, Lipman.