Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • w50 1/8 blz. 235-240
  • Overeenkomstig de naam leven

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Overeenkomstig de naam leven
  • De Wachttoren en Aankondiger van Jehova’s Koninkrijk 1950
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • VERKEERDE SPOTNAMEN LOGENSTRAFFEN
  • LEERSTELLINGEN DER GEESTELIJKHEID ALS VALS BEWEZEN
  • WARE DRAGERS DER BENAMING
  • GETUIGENISGEVEN VEREIST
  • Wiens naam respecteert u meer — uw eigen naam of die van God?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1972
  • Georganiseerd voor een verenigd getuigenis
    De Wachttoren en Aankondiger van Jehova’s Koninkrijk 1950
  • Het Onze Vader nadert volledige verhoring
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehova’s koninkrijk 1951
  • Waarom wij Gods naam moeten kennen
    De Goddelijke Naam die eeuwig zal blijven bestaan
Meer weergeven
De Wachttoren en Aankondiger van Jehova’s Koninkrijk 1950
w50 1/8 blz. 235-240

Overeenkomstig de naam leven

„Gijlieden zijt Mijn getuigen, spreekt de HERE [Jehova], en Mijn knecht, dien Ik uitverkoren heb; opdat gij het weet, en Mij gelooft, en verstaat, dat Ik Dezelve ben, dat vóór Mij geen God geformeerd is, en na Mij geen zijn zal.” — Jes. 43:10.

1. Wie dragen Gods naam, en wat betekent de naam?

JEHOVA heeft sedert de tijd van de eerste martelaar, Abel, op aarde zijn getuigen gehad. Na al deze duizenden jaren heeft hij nog steeds zijn getuigen op aarde, en zij zullen ooggetuigen zijn van de verpletterende overwinning welke hij in de aanstaande krijg van het universum, Armageddon, over de vijandelijke wereld zal behalen! Tot die tijd zijn zij verplicht overeenkomstig de eervolle naam die zij dragen, te leven. In overeenstemming er mede leven, betekent voor hen, Gods bescherming en redding tot het eeuwige leven. Door hen heeft hij zich in deze wereld niet zonder een levend getuigenis gelaten. Zij geven hem de eer, in overeenstemming met zijn verklaring: „Ik ben JEHOVA, dat is mijn naam! mijne eer geve Ik geen’ anderen, noch mijnen roem den afgodsbeelden!” (Jes. 42:8, Van der Palm). Hij is een God met een voornemen. De betekenis van zijn unieke naam is: „hij doet zijn”, en daarom schept hij alles volgens zijn voornemen. Hij is in staat zijn voornemen ten uitvoer te brengen, en zijn woord komt altijd uit: „Alzo zal Mijn woord, dat uit Mijn mond uitgaat, ook zijn, het zal niet ledig tot Mij wederkeren; maar het zal doen, hetgeen Mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn in hetgeen, waartoe Ik het zende.” — Jes. 55:11.

2. Wat zijn zijn vier grote eigenschappen, en hoe worden deze tot uitdrukking gebracht?

2 Zijn eigenschappen zijn macht, wijsheid, gerechtigheid en liefde. De Schrift zegt dat alle macht Jehova toebehoort en dat hij dus de bron van alle macht in het universum is (Ps. 62:12). Zijn wijsheid is volmaakt; hij doet niets verkeerd. Alles wat hij zegt of doet, is juist. De Wijze, hij is de bron van wijsheid (Ps. 33:4, Nw. Vert.; Spr. 2:6). Hij is rechtvaardig en hij is het begin der gerechtigheid. Zijn beslissingen zijn rechtvaardig en eerlijk (Deut. 32:4). Zijn duidelijke verklaring luidt: „Er is geen God meer behalve Mij, een rechtvaardig God, en een Heiland [Redder], niemand is er dan Ik” (Jes. 45:21, De Kath. Bijbel). Jehova is een God van liefde. Van hem kan terecht worden gezegd: „God is liefde” (1 Joh. 4:8, 16). Die liefde wordt door hem tot uitdrukking gebracht in volmaakte onzelfzuchtigheid en tot het eeuwige welzijn van al zijn schepselen die hem met onverbreekbare toewijding dienen. Willen zijn schepselen liefde bezitten, dan moeten zij hem onzelfzuchtig zijn toegewijd en er naar streven, naar iedereen alle vier de eigenschappen van hem te weerkaatsen.

3. Wat schiep hij tot woonplaats en wat tot verlichting van de mans?

3 Jehova God schiep zowel de hemelen als deze aarde, welke de blijvende woonplaats des mensen is (Gen. 2:4). „Alzo zegt de HERE, Die de hemelen geschapen heeft, die God, Die de aarde geformeerd, en Die ze gemaakt heeft; Hij heeft ze bevestigd, Hij heeft ze niet geschapen, dat zij ledig zijn zou, maar heeft ze geformeerd, opdat men daarin wonen zou: Ik ben de HERE [Jehova], en niemand meer” (Jes. 45:18). Uit de diepe wateren der aarde trok hij de geweldige bergen omhoog met hun indrukwekkende pieken, die gelijk omhooggeheven armen door de prachtige wolken heen steken en getuigen van zijn majesteit. Door zijn almacht plaatste hij in de hemelen de machtige zon en de schitterende maan, die de ogen des mensen bij dag en bij nacht licht moesten geven. Zij werpen hun lichtstralen over de gehele aarde. — Ps. 104:10-30; Gen. 1:14-19.

4. Wat wilde hij behalve letterlijk licht voor de mens nog meer maken? Hoe zou dit schijnen?

4 God had niet alleen het voornemen, licht voor de ogen van de mens te maken, maar hij nam zich ook voor, licht voor de geest van de mens te maken. Het licht voor ’s mensen geest is Gods Woord, de Bijbel, waarvan hij alleen de Auteur is door zijn geest of werkzame kracht (Ps. 119:105). Door middel van het Woord van God leert de mens hem kennen. Zijn Woord onthult zijn voornemen. Het voornemen van God is, dat de gehele mensheid zal weten wie hij is, zijn eigenschappen zal leren kennen en zijn wet en voornemens zal begrijpen. Daarom nam hij zich voor, een volk voor zijn naam te verwekken, opdat zijn licht voor de geest van de mens op de aarde zou schijnen. Daar zijn heilige naam het geven van licht in zich sluit, moet zijn volk op aarde, wanneer het zijn licht weerkaatst, leven overeenkomstig de naam van Jehova, de God met een voornemen ten aanzien van de mens op aarde.

5. Waarom moet zijn naam op de gehele aarde worden bekendgemaakt? Door middel waarvan?

5 Gods naam, Jehova, moet op de gehele aarde worden geëerbiedigd. „Hiertoe heb ik u nog laten bestaan om u mijn kracht te toonen en mijn naam op de geheele aarde te verkondigen” (Ex. 9:16, Leidse Vert.; zie ook Petrus Canisius Vertaling). Eeuwen geleden verklaarde hij, dat hij in deze tijd van het einde, waarin wij nu leven, een volk zou verwekken dat overeenkomstig de naam zou blijken te leven en dat die naam in de gehele wereld zou bekendmaken: „Zoo worden zij ’t gewaar, dat Gij, wiens naam JEHOVA is, dat Gij alleen zijt Opperheer der gansche aarde!” — Ps. 83:19, Van der Palm.

6. Wie dragen zijn naam? Welke grote verantwoordelijkheid rust op hen?

6 Wie leven overeenkomstig de naam? In deze „tijd van het einde” leeft een volk dat die naam draagt. Zij staan tegenwoordig over de gehele aarde bekend als „Jehova’s getuigen”. Zij hebben het verheven voorrecht, de meest grootse naam van het universum te dragen. Met dit voorrecht gaat een geweldige verantwoordelijkheid gepaard: zij moeten overeenkomstig de naam leven.

7. Wat voor werk doen zij over het algemeen? Op welke wijze?

7 Jehova’s getuigen zijn een groep bedienaren van het evangelie en zendelingen, die onder de mensen in alle delen der aarde hun evangelisatiewerk verrichten. Zij tonen hun liefde voor God en hun medemensen, door Gods voornemens aan alle mensen van de gehele wereld bekend te maken op dezelfde primitieve wijze als Jezus Christus en zijn apostelen. Bij het verrichten van dit vreemde werk staan zij in verbinding met en treden zij op onder de leiding van het Watch Tower Bible and Tract Society, een charitatieve corporatie, die volgens de wet is georganiseerd om over de gehele aarde het evangelie van Gods koninkrijk te prediken. „Dit Evangelie des Koninkrijks zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volken; en dan zal het einde komen.” — Matth. 24:14.

8. Wanneer werd de naam in het openbaar door hen aangenomen, en op welke wijze?

8 Voor 1931 werd deze kenmerkende naam niet gebruikt voor de bedienaren van het evangelie die het Watch Tower Bible and Tract Society als hun wettige dienstknecht en het werktuig voor het uitgeven van lectuur gebruiken, want toen werden zij voor het eerst Jehova’s getuigen genoemd. Toen de bedienaren van het evangelie die met het Watch Tower Bible and Tract Society samenwerken, in 1931 op een internationale vergadering in Columbus, Ohio, V.S., bijeen waren, bevestigden zij door een resolutie, dat hun de naam „Jehova’s getuigen” was geschonken. Zij maakten de wereld hun besluit bekend, dat zij door deze hun door God gegeven naam en door geen andere geïdentificeerd wilden worden. „Gij zijt mijn getuigen, spreekt Jahwe, gij zijt mijn dienaar, dien ik verkoren heb; . . . Ik, ik ben Jahwe; buiten mij is er geen redder. . . . gijzelf zijt mijn getuigen, spreekt Jahwe. Ik ben God” (Jes. 43:10-12, Leidse Vert.). De feiten bewijzen onbetwistbaar, dat de naam aan geen enkele andere groep is geschonken.

9. Waarom hebben zij het recht de naam te gebruiken?

9 Jehova’s getuigen leggen getuigenis af over Jehova’s voornemens. Iemand die voor een rechtbank getuigt, wordt een getuige genoemd. Zeer spoedig moet voor het grootste gerechtshof in het universum, het gerechtshof van de Almachtige God, een definitief oordeel worden geveld over de belangrijke strijdvraag betreffende de oppermacht van Jehova God. Het is de bedoeling dat Jehova’s getuigen getuigenis afleggen over dat belangrijke geschil, hetwelk Jehova met de natiën heeft. Daar zij getuigenis afleggen over Jehova en zijn voornemens, hebben zij zeer zeker het recht de naam te gebruiken.

10. Wat moet iemand zijn om de naam „Christen” te kunnen dragen? Waarom?

10 Iemand die getuigt van Jehova’s oppermacht, is een Christen. Jehova’s getuigen volgen in de voetstappen van Christus Jezus, hetgeen hun het recht geeft zich Christenen te noemen. De schepper van het Christendom was een machtige getuige ten gunste van Jehova’s oppermacht. Toen hij voor Pilatus stond, zeide hij: „Hiertoe ben Ik geboren, en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik der waarheid getuigenis geven zou. Een iegelijk, die uit de waarheid is, hoort Mijn stem” (Joh. 18:37). In „de openbaring van Jezus Christus, die God hem gegeven heeft, om Zijn dienstknechten te tonen de dingen, die haast geschieden moeten” onthult hij verder: „En van Jezus Christus, Die de getrouwe Getuige is, . . . Dit zegt de Amen, de trouwe, en waarachtige Getuige, het Begin der schepping Gods” (Openb. 1:1, 5; 3:14). Het is derhalve duidelijk dat men eerst, evenals Christus, een getuige van Jehova moet zijn, wanneer men de naam van Christus wil dragen en de naam Christen wil aannemen.

11. Welk woord en welke wijsheid prediken wij om ons de naam waardig te tonen?

11 Iemand die overeenkomstig de naam leeft, predikt niet zijn eigen woord. Hij moet de woorden en de wet van de Almachtige God uit het goddelijke Bericht, de Bijbel, prediken en onderwijzen. Evenmin predikt hij de wijsheid van de Here Jezus, of van iemand anders dan Jehova God. Jezus verklaarde: „Het woord dat gijlieden hoort, is het Mijne niet, maar des Vaders, Die Mij gezonden heeft” (Joh. 14:24). Het is duidelijk dat Jezus, de grootste getuige, uitlegde dat de naam Christen betekent, iemand die getuigenis aflegt over de naam, het woord en het koninkrijk van de Almachtige God. Om een Christen te zijn, moet men zich daarom de naam waardig tonen.

VERKEERDE SPOTNAMEN LOGENSTRAFFEN

12. Hoe zijn wij valselijk genoemd? Hoe logenstraffen wij dergelijke namen?

12 Jehova’s getuigen zijn valselijk met andere namen genoemd. Men heeft ze aangeduid met de naam Russellisten. Sommigen hebben hun de naam Rutherfordisten gegeven. Anderen hebben hun de benaming Chiliasten naar het hoofd geslingerd. Zowel hun vijanden of spotters, als de geestelijken der Christenheid, hebben hun soortgelijke ongevraagde namen gegeven. Al dergelijke namen zijn lasterlijk voor Jehova’s getuigen, want zij volgen geen mens en zij moeten niet worden geïdentificeerd door een van deze verkeerde benamingen, die in de Bijbel geen ondersteuning vinden. Dergelijke namen doen de werkelijke persoon die door hen wordt verheerlijkt, tekort, dat is Jehova God, de Schepper van alle dingen. Jehova God is de auteur van elke leerstelling of waarheid die in de Bijbel te vinden is. Hij dicteerde de Bijbel, die zijn Woord is. Jehova’s getuigen kunnen niet met recht naar de naam van een of andere leerstelling of mens worden genoemd. Zij kunnen alleen worden geïdentificeerd door de naam van de enige die zij vertegenwoordigen, namelijk Jehova God, en door het getuigeniswerk dat zij moeten verrichten. Zij kunnen en zullen door overeenkomstig de naam Jehova’s getuigen te leven, de lasterlijke namen die hun door mensen zijn gegeven, logenstraffen.

13. Overeenkomstig welke naam hebben de religieuze geestelijken niet geleefd?

13 De geestelijken der Christenheid en millioenen van hun religieuze volgelingen beweren Christenen te zijn. Zij leven niet overeenkomstig de naam. Doordat zij beweren dat zij Christenen zijn, nemen zij de verplichting op zich, door middel van Christus Jezus te getuigen van Jehova’s naam. Zij nemen de naam Christen aan, maar voldoen zij aan de eisen die met deze naam gepaard gaan? Neen! Zij weigeren getuigen van Jehova te zijn. Zij geven van grote minachting voor de naam blijk. Zij hebben volledig nagelaten getuigenis af te leggen omtrent het Koninkrijk, de voornemens of de naam van de Almachtige God. Millioenen mensen in de Katholieke gezindte, de Baptistische, de Presbyteriaanse, de Episcopale en honderden andere sekten beweren Christenen te zijn, maar geen van hen leeft overeenkomstig de naam, door als getuige voor Jehova op te treden of door in overeenstemming met zijn Woord en wil getuigenis af te leggen.

14. Hoe scheiden de geestelijken zich af en hoe doen zij zich als superieur voor?

14 De geestelijken der verschillende sekten en gezindten van de georganiseerde religie in de Christenheid hebben verhevenklinkende titels. Zij nemen deze hoogdravende titels aan, ten einde zich van het gewone volk te onderscheiden en zich daarboven te plaatsen. Zij staan er op, eerwaarde, zeereerwaarde, vader, zijne heiligheid, zijne eminentie, enz., genoemd te worden, hetgeen in strijd is met de schriftuurplaatsen die zulk een gebruik nadrukkelijk verbieden. „Heilig en eerbiedwaardig is zijn [Jehova’s] naam” (Ps. 111:9, King James Vert.). „Gij zult niemand uw vader noemen op de aarde; want Eén is uw Vader, namelijk Die in de hemelen is” (Matth. 23:9). Bijna alle geestelijken der Christenheid dragen een kenmerkend gewaad, zodat zij onder de mensen zullen worden gezien en een superieure houding kunnen aannemen. Dit zich afscheiden en superieur doen, door welke houding zij worden afgezonderd van het gewone volk, wordt door God veroordeeld. — Matth. 23:5-8; Mark. 12:38-40.

15. Hoe hebben zij Christus en het Koninkrijk verworpen?

15 Ofschoon de geestelijken en hun volgelingen beweren dat zij Christus Jezus volgen, hebben zij hem en het getuigenis dat hij over de oppermacht van Jehova, de Almachtige, heeft afgelegd, verworpen. Ook hebben zij het koninkrijk van de Almachtige God als de enige hoop voor de mensheid verworpen, en het vervangingsmiddel, „de gruwel der verwoesting”, als redder van de mens toegejuicht (Matth. 24:15). Zij spotten over de leerstelling van de Bijbel dat de Almachtige God een nieuwe wereld van gerechtigheid op de aarde zal tot stand brengen.

16. Hoe maken zij zich schuldig aan het aannemen van een valse hoedanigheid?

16 Een valse hoedanigheid aannemen, dat wil zeggen, zich uitgeven voor iemand die men niet is, is bedrog. Bepaalde autoriteiten van een regering ergens vertegenwoordigen of voorgeven een regering van deze wereld te vertegenwoordigen zonder daartoe gemachtigd te zijn, is een misdaad. Iemand die niet tot de strijdkrachten van een natie behoort, maar wel het uniform er van draagt, kan worden vervolgd en in de gevangenis worden gezet. De wet van het land maakt er een grote misdaad van, die strafbaar is met een zware boete of een lange gevangenisstraf. De geestelijken van de Christenheid hebben valselijk de naam Christen aangenomen. Daarom maken zij zich er aan schuldig, onrechtmatig de eerste getuige van Jehova, de Here Christus Jezus, te vertegenwoordigen, hetgeen een schending is van de wet van de Almachtige God.

17. Hoe hebben zij op leerstellig gebied met Gods wet en geboden gespot?

17 Deze zich noemende Christenen begaan een veel grotere misdaad dan het schenden van de wet van de „keizer”. Zij spotten met de geboden van de Almachtige God en schenden zijn opperste Wet. Zij hebben heidense riten en overleveringen in hun religieuze organisaties opgenomen en valse leerstellingen als de waarheid bekendgemaakt. Zij behoren tot de klasse mensen die door Jesaja is voorzegd en door Christus Jezus is beschreven: „Dit volk eert mij met de lippen, maar hun hart is ver van mij verwijderd” (Matth. 15:8, 9, Leidse Vert., zie ook Kolossenzen 2:8). Er zijn talloze van dergelijke onschriftuurlijke leerstellingen. Het noemen van slechts een paar er van hier, zal aantonen dat de geestelijken zich aan het aannemen van een valse hoedanigheid schuldig maken en nalaten overeenkomstig de naam te leven.

LEERSTELLINGEN DER GEESTELIJKHEID ALS VALS BEWEZEN

18. Hoe dwalen zij ten aanzien van Christus’ tegenwoordigheid en de bestemming der aarde?

18 De geestelijken der Christenheid en hun ondersteuners loochenen de tweede tegenwoordigheid van Christus. Zij zeggen dat hij zijn Koninkrijksmacht niet heeft aanvaard. De geestelijken leven niet overeenkomstig de naam, daar zij leren dat de aarde door vuur zal worden vernietigd. Dit is in strijd met Gods Woord, waarin wij kunnen lezen dat ’de aarde in der eeuwigheid staat’ en dat God ze heeft geschapen als de eeuwige woonplaats voor die leden van de mensheid die zachtmoedig en leerzaam zijn en die God gehoorzamen. — Pred. 1:4; Ps. 37:11, 29; Matth. 5:5.

19. Hoe dwalen zij ten aanzien van de ziel en de straf na de dood?

19 Bovendien leren zij het volk, dat de mens, wanneer hij sterft en goddeloos is geweest, naar een eeuwige kwelling in een hel gaat. De Bijbel leert duidelijk dat de hel het graf is, waar allen die sterven, in stilte blijven, tenzij en totdat God hen opwekt (Pred. 3:19, 20; 9:5, 10; Job 14:13-15). De geestelijken leven verder niet overeenkomstig de naam die zij onwettig hebben aangenomen, doordat zij het volk valselijk vertellen dat de mens afgescheiden en apart van het lichaam een ziel heeft, terwijl de Bijbel duidelijk leert dat de mens een ziel is. De mens is een levend, bewust schepsel en wanneer hij sterft, houdt hij op te bestaan, evenals alle andere dieren (Ezech. 18:4, 20; Pred. 3:19). De Rooms-Katholieke geestelijken leren het volk, dat de mens bij zijn dood naar het „vagevuur” gaat en in dat overgangsstadium blijft totdat hij, door de betaling van een toereikende som gelds, gedaan aan de priesters door de familieleden of vrienden, uit het „vagevuur” in de hemel wordt gebeden. Wanneer de familieleden het zich niet kunnen veroorloven er voor te betalen, wordt de arme man in het vagevuur ten slotte aan zijn lot overgelaten om er zijn volle tijd te lijden. Het woord „vagevuur” komt niet in de Bijbel voor; evenmin wordt er een beschrijving van zulk een plaats in gevonden.

20. Hoe schieten zij te kort ten aanzien van de voornaamste leerstelling van de Bijbel?

20 De geestelijken der Christenheid leven niet overeenkomstig de naam, doordat zij de mensen niets willen vertellen over Gods koninkrijk en de nieuwe wereld der gerechtigheid hier op de aarde als de hoop der mensen, hetgeen het voornaamste en belangrijkste thema van de Bijbel is. Zij verbergen voor het volk een kennis van die nieuwe wereld, welke de naam van Jehova zal rechtvaardigen en voor de mensen die jegens God van goede wil zijn, een middel tot eeuwig leven zal verschaffen. Daar zij blind zijn voor deze voornaamste waarheid, brengen zij hun blinde volgelingen er toe, te geloven dat de mens niet op deze aarde zal leven, maar dat de aarde zal worden vernietigd en de mens ten slotte in de hemel of in de hel zal terechtkomen. — Matth. 15:14.

21. Wat zal er volgens de profetie met hun leugens geschieden?

21 Welk een tegenstelling is er tussen de heldere, verfrissende wateren van de waarheid over Gods koninkrijk en de nieuwe wereld der gerechtigheid als de enige hoop voor de mensen, welke wateren door Jehova’s getuigen worden verstrekt, en de droge, dodelijke leerstellingen van de geestelijken der Christenheid! (Openb. 22:17; Jes. 55:1; Openb. 7:17) De waarheid blaast het valse getuigenis gelijk kaf voor de wind weg. De waarheid die door Jehova’s getuigen wordt bekendgemaakt, is gelijk hagel dat het dunne, broze dak over de toevlucht der leugens met gaten doorboort. „En Ik zal het gericht stellen naar het richtsnoer, en de gerechtigheid naar het paslood; en de hagel zal de toevlucht der leugen wegvagen, en de wateren zullen de schuilplaats overlopen” (Jes. 28:17). De waarheid zal de schuilplaats van de leugenachtige getuigen, de geestelijken, gelijk een watervloed uitwassen.

22, 23. Waartegen hebben zij bezwaren gemaakt, aantonend dat zij niet Gods zonen zijn?

22 Niettegenstaande de dwaling van hun leerstellingen in het Grote Gerechtshof duidelijk is bevestigd, weigeren de geestelijken met het leren van dergelijke valse leerstellingen op te houden. „Zij weten niets en begrijpen niets, in duisternis wandelen zij rond [voort]” (Ps. 82:5, Nw. Vert., King James Vert.). „Dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht” (Joh. 3:19). Zij hebben tegengestribbeld gelijk een halsstarrige muilezel en alle pogingen van Jehova hen in overeenstemming te brengen met zijn voornemens, hebben zij getrotseerd.

23 De geestelijken en hun volgelingen hebben opstandig geweigerd, zich te laten disciplineren (Ef. 2:2). „Wederspannigheid is een zonde der toverij, en wederstreven is afgoderij en beeldendienst” (1 Sam. 15:23). Hoewel zij beweren zonen van God te zijn, hebben zij door hun handelwijze getoond dat zij geen zonen zijn. „Indien gij niets ontvangt van die discipline welke alle zonen ondergaan, zijt gij onwettige kinderen, en geen ware zonen.” _ Hebr. 12:5-8, Een Amer. Vert.

24. Welke grootse gelegenheid is daardoor voor hen verloren gegaan?

24 De handelingen en leerstellingen van de geestelijken der Christenheid vinden geen ondersteuning in de Bijbel. Zij hebben geen getuigenis afgelegd over het koninkrijk van God en doen dit nog niet. Integendeel, zij hebben over de voornemens van God gelogen en valse woorden uitgesproken. Hoewel zij een gelegenheid hebben gehad de belangrijke boodschap naar de mensen te brengen, is elke gelegenheid de waarheid te bezitten en bekend te maken, voor hen verloren gegaan. Hun handelwijze bewijst de wereld dat zij niet overeenkomstig de naam leven. „Daarom, Ik [Christus Jezus] zeg u, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden en het zal gegeven worden aan een volk, dat de vruchten daarvan opbrengt.” — Matth. 21:43, Nw. Vert.

WARE DRAGERS DER BENAMING

25. Hoe hebben Jehova’s getuigen het voorrecht overgenomen?

25 Het voorrecht de boodschap van het Koninkrijk te prediken, is vol vreugde overgenomen door Jehova’s getuigen. Vooral sedert 1918 speuren zij de Schrift na en hun kennis is zeer vermenigvuldigd. Thans onderwijzen zij, als „de wijzen” onder het volk, er velen door een grote veldtocht waarin zij de mensen over Gods voornemens onderrichten (Dan. 11:33; 12:4). Dergelijke feiten bewijzen dat uitsluitend zij overeenkomstig de naam leven.

26. Welke met elkaar verbonden groepen dragen de naam thans op waardige wijze?

26 Jehova heeft thans gezalfde getuigen, die ware en wettige zonen van God, verwekt door zijn geest, en geestelijke broeders van de gezalfde Koning Christus Jezus zijn. Met hen verbonden is een „grote schaar” „andere schapen”, die ook de naam dragen en de aardse kinderen van de Koning zullen worden (Openb. 7:9; Joh. 10:16). Gezamenlijk dragen zij de naam Jehova’s getuigen. Zowel in feite als in naam zijn zij Christenen. Doordat zij getuigenis afleggen over de waarheid van Gods voornemens, leven zij overeenkomstig de naam getuigen van Jehova. Zodoende hebben zij zich onderscheiden van hen die zich aan het aannemen van een valse hoedanigheid schuldig maken, de religieuze geestelijken en hun volgelingen.

27. Waardoor wordt bewezen dat zij waarlijk zijn wat hun naam beduidt?

27 Jehova’s getuigen dragen niet alleen de duidelijke, waarheidsgetrouwe leerstellingen van de Bijbel omtrent Gods koninkrijk uit, doch zij leven overeenkomstig de naam door op te komen tegen de valse leerstellingen der geestelijken. Nooit is gebleken dat zij de naam van Jehova valselijk dragen of die naam ijdellijk hebben aangenomen. Zij hebben zich nooit, zoals de geestelijken, aan het aannemen van een valse hoedanigheid schuldig gemaakt. Zij brengen de „vruchten van het koninkrijk” voort, hetgeen bewijst waar hun hart is. „Zo zult gij dan dezelve aan hun vruchten kennen” (Matth. 7:20). De mensen van goede wil en ook de gehele wereld kunnen zien wie de ware getuigen van Jehova zijn. Zij brengen in practijk wat zij prediken. Doordat zij in overeenstemming met hun geloof leven, tonen zij de wereld een berg aanwijzingen die onbetwistbaar bewijzen dat zij overeenkomstig de naam Leven. „Alzo ook het geloof, indien het de werken niet heeft, is bij zichzelven dood. Maar, zal iemand zeggen: Gij hebt het geloof, en ik heb de werken. Toon mij uw geloof uit uw werken, en ik zal u uit mijn werken mijn geloof tonen.” — Jak. 2:17, 18.

28. Wat voor voorbeeld, wat prediken betreft, hebben de eerste Christenen ons gesteld?

28 De eerste volgelingen van Jezus, de apostelen en discipelen, hebben Jehova’s getuigen van tegenwoordig een voorbeeld gegeven van het overeenkomstig de naam leven. Zij volgden niet de handelwijze die door de geestelijken van die dagen werd gevolgd, die de mensen aan hun voeten deden neerzitten om daar onderricht te ontvangen. De zachtmoedige en nederige apostelen en eerste Christenen gingen met de evangelieboodschap naar de mensen. Zij bezorgden het gewone volk niet de last, naar hen te moeten komen om de waarheid te ontvangen. Zij namen Gods woord, dat hun door de Meester was gegeven, en brachten dat persoonlijk naar de mensen in hun huizen, doordat zij ze van huis tot huis bezochten en weer naar hen teruggingen voor leerzame nabezoeken (Hand. 20:20, Lipman; 5:42, Voorhoeve). Dit was het voorbeeld dat Jezus had gegeven, die ook van deur tot deur en van stad tot stad ging en in het openbaar predikte en de mensen onderwees (Matth. 10:7, 11-14; Mark. 1:38; Luk. 8:1). Ware Christenen streven niet de geestelijken van tegenwoordig na, die niet prediken door de mensen van deur tot deur op te zoeken. Zij streven Christus na.

29. Wie volgen wij in het prediken na, doch met welke moderne hulpmiddelen?

29 ’Ook Christus heeft voor ons geleden, ons een voorbeeld nalatende, opdat gij Zijn voetstappen zoudt navolgen’ (1 Petr. 2:21). Jehova’s getuigen prediken evenals de eerste volgelingen van Jezus. Zij hebben een veel grootser voorrecht dan de eerste discipelen, omdat zij nu, in deze „tijd van het einde”, de volledige vervulling bekendmaken van alles wat er in de Bijbel is geschreven. Zij aanvaarden de verantwoordelijkheid die hun door God en de Here Jezus Christus is opgelegd, om thans over de gehele aarde het evangelie van Gods koninkrijk bekend te maken. Zij hebben gehoor gegeven aan de grote uitdaging, dit evangelie in de gehele wereld tot een getuigenis aan alle natiën te prediken (Matth. 24:14), door als aanvulling van hun primitieve methode moderne uitvindingen te gebruiken, zoals radio, drukpers en moderne vervoermiddelen. Zij hebben de boodschap in de vorm van gedrukte Bijbels, boeken, brochures, tijdschriften, nieuwsbladen, strooibiljetten en andere lectuur laten vastleggen, welke lectuur bij millioenen, ja bij milliarden stuks over de gehele aarde is en wordt verspreid. Anderen laten zij op deze wijze in de waarheid delen zonder voor dit werk een financiële beloning te ontvangen. Alleen door deze verstandige handelwijze kunnen zij als zonen van God een aandeel hebben aan de rechtvaardiging van Jehova’s naam en als zijn getuigen die zijn hart verblijden, overeenkomstig de naam leven. „Zijt wijs, mijn zoon, en verblijd mijn hart; opdat ik mijn smader wat te antwoorden heb.” _ Spr. 27:11.

30. Wie prediken, behalve de ouderen, ook, en waarom?

30 De verbondsverplichtingen van Jehova’s getuigen, die van hen eisen dat zij overeenkomstig de naam van Jehova leven, worden zowel door de ouden als door de jongen nagekomen. Allen die horen, moeten zeggen: „Kom”! (Openb. 22:17) Tegenwoordig zijn in alle delen der aarde jonge en oude mensen te vinden die de blijde tijdingen van Gods koninkrijk prediken en leren. In overeenstemming met de vermaning van Prediker 12:1 gedenken de jonge dienaren van Jehova God hun Schepper in de dagen van hun jeugd. Thans offeren zij aanvaardbare offeranden des lofs, ten einde aan de vernietiging te ontkomen welke in Armageddon het lot zal zijn van de ontrouwe religie-aanhangers. Zij wachten met het loven van Jehova door te prediken en te onderwijzen, niet totdat zij oud en afgeleefd zijn. Zij dienen terwijl zij nog krachtig zijn. Zij wenden al hun krachten aan in hun jeugd en leggen zich daardoor een grote schat van goede werken weg (1 Tim. 6:12, 19). Het predikingswerk is niet weggelegd voor de weinigen, zoals de geestelijken, die beweren dat het prediken speciaal hun voorrecht is. Het predikingswerk van Jehova’s getuigen staat open voor allen, jong en oud, van elke nationaliteit en elke rang of stand, die bereid zijn een verbond met God aan te gaan en die het vrijwillig op zich willen nemen, overeenkomstig de naam te leven, door in deze tijd van het einde zijn werk, koninkrijk en naam bekend te maken.

31. Wat doen wij om de vereiste kennis te verkrijgen en ons te versterken?

31 Ten einde de kennis te verkrijgen die voor het prediken noodzakelijk is, laten Jehova’s getuigen niet na bijeen te komen. Zij beseffen dat zij in de laatste dagen leven en daarom sterken zij zich voor het werk dat in het hooghouden van Jehova’s naam bestaat. „Laten wij het bijeenkomen niet veronachtzamen, gelijk sommigen doen, doch laten wij elkander aanmoedigen, des te meer, wanneer gij kunt zien dat de grote Dag naderbij komt” (Hebr. 10:25, Een Amer. Vert.). Daar zij de gave van de kennis omtrent Jehova’s voornemens om niet hebben ontvangen, zijn zij verplicht ze om niet aan anderen te geven. — Matth. 10:8.

GETUIGENISGEVEN VEREIST

32. Wat eist het overeenkomstig de naam leven? Hoe wordt dit thans gedaan?

32 Overeenkomstig de naam leven, eist prediken. „Want indien ik het Evangelie verkondige, het is mij geen roem; want de nood is mij opgelegd. En wee mij, indien ik het Evangelie niet verkondig!” (1 Kor. 9:16). Behalve dat Jehova’s getuigen mondeling prediken, verspreiden zij op de straten ook tijdschriften die Gods Woord der waarheid bevatten, en wanneer zij tijdens hun prediking tot de mensen in hun huizen gaan, bieden zij hun tevens Bijbels en verklarende lectuur aan. Deze lectuur is nog een kanaal waardoor de vloed van onderwijzing die tot het leven leidt, stroomt. Nabezoeken door de bedienaren van het evangelie zijn noodzakelijk om geen onderbreking te laten komen in de stroom van waarheid. Deze voortdurende hulpvaardigheid, die op een verstandige en tactvolle wijze wordt betoond (Matth. 10:16), werpt goede resultaten af, hetgeen bewijst dat Jehova’s getuigen overeenkomstig de naam leven. De mensen van goede wil worden ook actief als predikers van het Woord. — Openb. 22:17.

33, 34. Waarom moet er volharding worden getoond, wanneer men de naam waardig wil zijn? Hoe wordt ze getoond?

33 Overeenkomstig de naam leven, betekent niet, Jehova God slechts nu en dan loven. Het is niet beperkt tot het dienen van Jehova bij mooi weer. Geregelde, betrouwbare prediking wordt geëist, met veel geduld. „Laten wij niet moede worden goed te doen, want, wanneer het eenmaal tijd is, zullen wij oogsten, als wij maar niet verslappen” (Gal. 6:9, Nw. Vert.). Overeenkomstig de naam leven door volharding, vereist dat Jehova’s getuigen op de hoeken der straten met de tijdschriften blijven staan, ondanks de hardvochtige gezichten, de koude blikken en de afkeurende uitroepen der voorbijgangers, of slecht weer. Het betekent dat zij hun getuigeniswerk zullen voortzetten, ongeacht het gebrek aan belangstelling dat wordt getoond. Het betekent dat het gebied geregeld doorgekamd zal worden, ook al wordt de ene deur na de andere voor de neus dichtgeslagen.

34 De apostel Paulus had de volharding in gedachte die nodig is om overeenkomstig de naam te leven, toen hij schreef, dat de Christenen het geduld van een boer moeten bezitten (1 Kor. 3:6). Hij schreef daar: „Ik heb geplant, Apollos heeft nat gemaakt; maar God heeft den wasdom gegeven.” Evenals een boer moet wachten totdat de macht Gods het zaad doet opkomen en doet groeien, zo moeten Jehova’s getuigen hun getuigenisgebied beplanten, bebouwen en water geven, er over waken en het verzorgen. Zij moeten ook tegen het religieuze onkruid strijden dat de geestelijken tussen het gewas, de mensen van goede wil in het gebied, strooien. Doordat Jehova’s getuigen de volharding van een boer in het ijverig toezien op zijn gewassen aan de dag leggen, leven zij overeenkomstig de naam.

35. Wanneer zullen zij prediken, en op welke wijze?

35 Er wordt nog veel meer dan alleen maar prediken geëist voor het overeenkomstig de naam leven. Het is mogelijk, zoals de apostel zeide, tot anderen te prediken en toch verwerpelijk te worden (1 Kor. 9:27). Christenen moeten in hun dagelijkse leven overeenkomstig hun geloof leven, er te allen tijde op uit zijn Gods naam te loven en te eren, zowel tijdig als ontijdig (2 Tim. 4:2). Dit betekent dat Jehova’s getuigen, wanneer zij overeenkomstig de naam leven, elke gelegenheid zullen aangrijpen om de mensen de hoop uiteen te zetten die in hen is (1 Petr. 3:15). Zij zullen niet zwijgen, wanneer het op zijn plaats is te spreken. Zij zullen de Koninkrijksboodschap natuurlijk niet zonder onderscheid aan anderen opdringen. Zij zullen niet ongemanierd zijn. Doch zij zullen ook niet op een rechtstreekse vraag wachten om dan pas verantwoording af te leggen over de hoop die in hen is, of anderen iets over de Koninkrijksbeloften te vertellen. Zij zullen vriendelijk zijn en voordeel trekken van elke gelegenheid om de toehoorder in te lichten over hetgeen de Bijbel ten aanzien van de nieuwe wereld der gerechtigheid onthult.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen