ECHTGENOTE.
Jehovah God gaf de eerste man, Adam, een vrouw doordat hij een rib van hem nam en daaruit een vrouw formeerde. Hierdoor werd zij been van zijn gebeente en vlees van zijn vlees. Zij was zijn tegenhanger en werd als zijn hulp geschapen (Gen. 2:18, 20-23). God sprak rechtstreeks met Adam, en deze gaf vervolgens Gods geboden aan zijn vrouw door. Doordat de man als eerste en naar Gods beeld was geschapen, werd hem als hoofd de eerste plaats toegekend en trad hij voor de vrouw als Gods woordvoerder op. Hij diende zijn gezag als hoofd op liefdevolle wijze uit te oefenen, en de vrouw moest als hulp haar medewerking verlenen bij de tenuitvoerbrenging van de voortplantingsopdracht die hun was gegeven. — Gen. 1:28; zie VROUW.
Hoewel de man in de huwelijksregeling een superieure positie innam, verlangde God van hem dat hij in materieel en geestelijk opzicht voor het gezin zorgde. Ook wierp elk kwaad dat door het gezin werd bedreven, een ongunstig licht op hem. Bijgevolg droeg de man een zware verantwoordelijkheid. Hij genoot echter ook grotere voorrechten dan de vrouw, maar Gods wet beschermde de vrouw en verleende haar eveneens bepaalde unieke voorrechten, zodat zij een gelukkig en produktief leven kon leiden.
De Wet bevatte bijvoorbeeld de volgende bepalingen die de echtgenote betroffen: Zowel man als vrouw konden wegens overspel ter dood worden gebracht. Wanneer een man zijn vrouw van huwelijksontrouw verdacht, kon hij haar naar de priester brengen, opdat Jehovah God de kwestie zou beoordelen. Indien de vrouw schuldig was, zouden haar geslachtsorganen wegkwijnen. Was zij echter onschuldig, dan moest haar man haar zwanger maken en daardoor openlijk erkennen dat zij onschuldig was (Num. 5:12-31). Een man kon zijn vrouw door echtscheiding ontslaan wanneer hij iets onwelvoeglijks van haar zijde ontdekte. Vermoedelijk ging het hierbij om dingen van ernstige aard, zoals wanneer zij blijk gaf van grove minachting jegens hem of smaad op het huisgezin of dat van zijn vader bracht. De vrouw werd echter beschermd doordat hij een echtscheidingscertificaat voor haar moest uitschrijven. Daarna was zij vrij om een andere man te huwen (Deut. 24:1, 2). Wanneer de vrouw een gelofte deed die in de ogen van haar man onverstandig was of het welzijn van het gezin zou kunnen schaden, kon hij die ongeldig verklaren (Num. 30:10-15). Dit was echter een bescherming voor de vrouw, want het weerhield haar ervan overijld te werk te gaan en daardoor wellicht in moeilijkheden te geraken.
Polygamie was onder de Mozaïsche wet toegestaan, maar ter bescherming van de vrouw bij de wet geregeld. De man kon het eerstgeboorterecht niet van de zoon van een minder geliefde vrouw op de zoon van zijn lievelingsvrouw overdragen (Deut. 21:15-17). Wanneer een Israëliet zijn dochter als slavin had verkocht en haar meester haar als bijvrouw nam, doch zij hem niet welgevallig was, kon hij haar laten loskopen, maar hij mocht haar niet aan een buitenlands volk verkopen (Ex. 21:7, 8). Wanneer hij of zijn zoon haar als bijvrouw had genomen en vervolgens nog een andere vrouw huwde, moest haar voortaan voedsel, kleding en onderdak worden gegeven en moest de huwelijksplicht ten opzichte van haar worden vervuld (Ex. 21:9-11). Indien een man zijn vrouw met boos opzet ervan beschuldigde dat zij ten tijde van hun huwelijk valselijk beweerd had maagd te zijn en deze beschuldiging vals bleek te zijn, werd hij niet alleen gestraft, maar moest hij haar vader ook de dubbele bruidsprijs voor maagden betalen en mocht hij haar gedurende al zijn dagen niet door echtscheiding ontslaan (Deut. 22:13-19). Wanneer een man een niet verloofde maagd verleidde, moest hij haar vader de bruidsprijs betalen, en als de vader toestemming gaf dat hij haar huwde, mocht hij haar al zijn dagen niet door echtscheiding ontslaan. — Deut. 22:28, 29; Ex. 22:16, 17.
Hoewel de positie van de vrouw in de Hebreeuwse samenleving enigszins verschilde van haar status in de huidige westerse samenleving, voelde de getrouwe Hebreeuwse echtgenote zich toch gelukkig en vond zij voldoening in haar werk. Zij hielp haar man, bracht de kinderen groot, deed de huishouding, ja, zij kon veel doen wat haar voldoening en vreugde schonk en de gelegenheid gaf haar vrouwelijke aard en haar talenten volledig te ontplooien.
BESCHRIJVING VAN EEN GOEDE ECHTGENOTE
Het voldoeningschenkende geluk en de bezigheden van een getrouwe echtgenote worden in Spreuken 31 beschreven. Er wordt van haar gezegd dat zij voor haar man waardevoller is dan koralen. Hij kan op haar vertrouwen. Zij is vlijtig, vervaardigt geweven stoffen en maakt kleding voor haar gezin; zij zorgt ervoor dat de voor het huisgezin noodzakelijke dingen worden gekocht, werkt in de wijngaard, doet haar huishouding en houdt toezicht op de bedienden. Zij helpt hulpbehoevenden, verschaft haar gezin mooie kleren, draagt door haar handenarbeid zelfs tot het inkomen bij en rust haar gezin voor toekomstige noodsituaties toe. Zij spreekt woorden van wijsheid en liefderijke goedheid, en wegens haar vrees voor Jehovah en haar goede werken wordt zij door haar man en haar zonen geroemd, wat tot gevolg heeft dat haar man en haar gezin in het gehele land in aanzien zijn. Wie een goede echtgenote heeft gevonden, heeft inderdaad iets goeds gevonden en verkrijgt goede wil van Jehovah. — Spr. 18:22.
FIGUURLIJK GEBRUIK
Vanwege het verbond dat Jehovah met Israël had gesloten, werd die natie in figuurlijke zin als zijn vrouw aangeduid (Jes. 54:6). De apostel Paulus spreekt over Jehovah als de Vader van de door heilige geest verwekte christenen en over het „Jeruzalem dat boven is” als hun moeder, alsof Jehovah met dit Jeruzalem gehuwd is om de door heilige geest verwekte christenen voort te brengen (Gal. 4:6, 7, 26). De christelijke gemeente wordt als de bruid of de vrouw van Jezus Christus aangeduid. — Ef. 5:23, 25; Openb. 19:7; 21:2, 9.
IN DE CHRISTELIJKE GEMEENTE
In de christelijke gemeente mag een man slechts één levende vrouw hebben (1 Kor. 7:2; 1 Tim. 3:2). Van vrouwen wordt verlangd dat zij aan hun man onderworpen zijn, of hij nu een christelijke gelovige is of niet (Ef. 5:22-24). Een vrouw mag haar man de huwelijksplicht niet onthouden, want evenals haar man „oefent [ook zij] geen autoriteit over haar eigen lichaam” (1 Kor. 7:3, 4). Echtgenotes krijgen de raad om hun voornaamste versiering de verborgen persoon van het hart te laten zijn en de vrucht van de geest voort te brengen, zodat hun ongelovige man misschien alleen al door hun gedrag voor het christendom gewonnen kan worden. — 1 Petr. 3:1-6.