ECHTGENOOT
Een gehuwde man. In Israël werd ook een man die verloofd was, als „echtgenoot” aangeduid en het meisje als zijn „vrouw” (Deut. 22:23, 24; Matth. 1:18-20). Een verloving of een contract voor het toekomstige huwelijk werd gesloten doordat de man aan de vader of de voogd van het meisje een bruidsprijs of koopprijs betaalde (Ex. 22:16, 17). Daarna werd zij zijn eigendom (Ex. 20:17). Nu was het woord baʹ‛al, wat „meester, eigenaar, bezitter” betekent, op hem van toepassing, terwijl de vrouw be‛oe·lahʹ werd genoemd, wat „een echtgenote in eigendom” betekent (Gen. 20:3; Deut. 22:22; Jes. 62:4). Jehovah zei tot de oude natie Israël: „Ikzelf ben de echtgenoot-eigenaar [een vorm van baʹ‛al] van ulieden geworden.” — Jer. 3:14; Jes. 62:4, 5.
In patriarchale tijden trad de echtgenoot als priester en rechter in het gezin op, en overal in de Schrift werd aan de echtgenoot en vader bijna zonder uitzondering diep respect toegekend. — Gen. 31:31, 32; Job 1:5; 1 Petr. 3:5, 6; vergelijk Deuteronomium 21:18-21; Esther 1:10-21.
Wanneer een man huwt, brengt hij zijn vrouw onder een nieuwe wet, „de wet van haar man”, op grond waarvan hij regels en voorschriften voor zijn gezin kan opstellen (Rom. 7:2, 3). Hij wordt het hoofd van zijn vrouw, en zij dient aan hem onderworpen te zijn (Ef. 5:21-24, 33). Het gaat hierbij om een relatief gezag als hoofd in de derde graad, aangezien het ondergeschikt is aan het gezag van God en het gezag van Christus. — 1 Kor. 11:3; zie ECHTSCHEIDING; ERFDEEL, ERFENIS; GELOFTE; HUWELIJK; VADER.
FIGUURLIJK GEBRUIK
Aangezien de natie Israël uit de oudheid door het Wetsverbond aan Jehovah gebonden was, was God hun „echtgenoot-eigenaar” (Jer. 3:14). De apostel Paulus duidt Jehovah als de Vader van gezalfde christenen, zijn geestelijke zonen, aan en het „Jeruzalem dat boven is” als hun moeder, waaruit blijkt dat Jehovah zich als echtgenoot van dit hemelse Jeruzalem beschouwt. — Gal. 4:6, 7, 26; vergelijk Jesaja 54:5.
De man draagt in zijn positie als hoofd een zware verantwoordelijkheid. Hoewel hij de eigenaar van de vrouw is, moet hij erkennen dat zij in de ogen van God kostbaar is, vooral wanneer zij een christin is. Hij dient haar lief te hebben als zichzelf, want zij is „één vlees” met hem. — Gen. 2:24; Matth. 19:4-6; Ef. 5:28, 33.
Jezus Christus wordt als de Echtgenoot van de christelijke gemeente beschouwd (Ef. 5:22, 23; Openb. 19:7; 21:2). Echtgenoten dienen dezelfde liefdevolle zorg jegens hun vrouw te betonen als Christus jegens de gemeente betoont (Ef. 5:25, 28-30, 33). Zij moeten beseffen dat de vrouw „een zwakker vat” is en haar eer toekennen, waarbij zij haar fysieke en emotionele gesteldheid en haar wisselvalligheden in aanmerking nemen. Dit is vooral belangrijk wanneer beide huwelijkspartners christenen zijn, medeërfgenamen van de „onverdiende gunst des levens”, opdat hun gebeden niet worden verhinderd (1 Petr. 3:7). Zelfs als de echtgenote geen gelovige is, geeft dit de echtgenoot niet het recht van haar weg te gaan of zich van haar te laten scheiden. In plaats daarvan dient hij, wanneer zij het goedvindt bij hem te wonen, bij haar te blijven en te bedenken dat hij haar misschien kan helpen een gelovige te worden en tevens tot de redding van de kinderen kan bijdragen. — 1 Kor. 7:12, 14, 16.