GEREI.
Het Hebreeuwse woord keliʹ heeft een zeer brede toepassing en kan betrekking hebben op voorwerpen (Gen. 24:53; Ex. 3:22; Lev. 13:49, 52, 57-59; 15:4, 6), huisraad (Gen. 31:37), zakken (Gen. 42:25; 43:11), uitrusting (Gen. 45:20), werktuigen (Gen. 49:5; 1 Kon. 6:7), instrumenten (1 Kron. 15:16), toebehoren (Ex. 25:9), gerei (Gen. 27:3; Ex. 25:39; 27:3, 19; 30:27, 28; 31:7-9), vaten (Lev. 6:28; 11:32-34), kledingstukken (Deut. 22:5), wapens (Recht. 9:54; 18:11, 16, 17), bagage (1 Sam. 10:22; 17:22), tassen (1 Sam. 17:40, 49) en organismen. — 1 Sam. 21:5.
Vaak heeft keliʹ betrekking op het verschillende gerei dat in verband met het heiligdom werden gebruikt. Tot dit gerei behoorden onder andere schotels, kannen, schoppen, schalen, vorken, vuurpotten, lichtdovers, snuiters, bekkens en bekers (Ex. 25:29, 30, 39; 27:3, 19; 37:16, 23; 38:3; 1 Kon. 7:40-50; 2 Kron. 4:11-22). Aangezien dit gerei voor een heilig doel werd gebruikt, was het „heilig” (1 Kon. 8:4). Op grond hiervan moesten de joden die in 537 v.G.T. Babylon verlieten en het voorrecht hadden het heilige gerei terug te brengen dat koning Nebukadnezar uit Jeruzalem had meegenomen, zich in religieus en moreel opzicht rein houden. Voor hen gold het profetische gebod: „Vertrekt, vertrekt, gaat uit vandaar [Babylon], raakt niets onreins aan; gaat uit haar midden vandaan, houdt u rein, gij die het gerei van Jehovah draagt” (Jes. 52:11). Dit vereiste meer dan een uiterlijke, ceremoniële reinheid. Het vereiste een reinheid van hart. Toen de apostel Paulus aan de Korinthiërs schreef, paste hij de woorden uit Jesaja 52:11 toe om te tonen dat christenen zich eveneens van de verontreiniging van vlees en geest moeten reinigen. — 2 Kor. 6:14-18; 7:1.
De stichter van het christendom, Jezus Christus, gaf in dit opzicht het voorbeeld doordat hij „loyaal, schuldeloos, onbesmet, afgescheiden van de zondaars” bleef (Hebr. 7:26). Toen hij op aarde was, toonde hij zijn ijver voor het handhaven van de heiligheid van Jehovah’s tempel door deze tot tweemaal toe van commerciële bezigheden te reinigen (Joh. 2:13-25; Matth. 21:12, 13; Mark. 11:15-17; Luk. 19:45, 46). In verband met de tweede tempelreiniging bericht Markus dat Jezus niet toeliet dat „iemand een gebruiksvoorwerp door de tempel droeg” (Mark. 11:16). Klaarblijkelijk wilde Jezus niet dat er afbreuk aan de heiligheid van het tempelvoorhof werd gedaan doordat iemand dit voorhof alleen maar als een kortere weg gebruikte wanneer hij voorwerpen naar een ander deel van Jeruzalem droeg.