TARSIS
(Tarsis) [misschien chrysoliet, of een goudkleurige steen].
Een van Javans vier zonen, die na de Vloed werden geboren (Gen. 10:4; 1 Kron. 1:7). Hij behoort tot de 70 familiehoofden uit wie de natiën zich „over de aarde verspreid” hebben (Gen. 10:32). Net als in het geval van Javans andere zonen werd de naam Tarsis gaandeweg op een volk en op een gebied toegepast. Er zijn enige aanwijzingen betreffende de richting waarin de nakomelingen van Tarsis in de eeuwen na de Vloed zijn getrokken.
De profeet Jona (ca. 844 v.G.T.), aan wie Jehovah de opdracht had gegeven naar Nineve in Assyrië te gaan, trachtte zich aan zijn toewijzing te onttrekken door naar de havenstad Joppe (thans Tel Aviv-Jaffa) aan de Middellandse Zee te gaan en passage te boeken op „een schip dat naar Tarsis ging” (Jona 1:1-3; 4:2). Tarsis moet dus kennelijk in of aan de Middellandse Zee en in tegengestelde richting van Nineve hebben gelegen en was blijkbaar gemakkelijker over zee dan over land te bereiken. In Ezechiël 27:25, 26 worden „de schepen van Tarsis” met „het hart van de open zee” in verband gebracht. (Vergelijk Psalm 48:7; Jona 2:3.) Met het oog hierop schijnt de opvatting van Josephus, die Tarsis met de stad Tarsus in Cilicië (Klein-Azië) identificeerde, geen deugdelijke basis te hebben. In Tarsus zou Jona dichter bij Nineve zijn geweest dan toen hij zich nog in Palestina bevond.
De Assyrische heerser Esar-Haddon (7de eeuw v.G.T.) beroemt zich in een inscriptie op zijn overwinningen over Tyrus en Egypte en beweert dat alle koningen van de eilanden vanaf Cyprus „tot aan Tarsisi” hem schatting betaalden. Aangezien Cyprus in het oostelijke deel van de Middellandse Zee ligt, duidt ook deze verwijzing naar Tarsis op een plaats in het westelijke deel van de Middellandse Zee.
De meeste geleerden brengen Tarsis met Spanje in verband, aangezien Griekse en Romeinse schrijvers uit de oudheid melding maken van Tartessus, een plaats of een gebied in Spanje. De Griekse geograaf Strabo (1ste eeuw v.G.T.) identificeerde Tartessus weliswaar met het gebied waardoorheen de Guadalquivir in Andalusië stroomt, maar de naam schijnt doorgaans op het zuidelijke deel van het Iberisch Schiereiland te worden toegepast.
HANDELSBETREKKINGEN MET SALOMO
Dat de Feniciërs met Tarsis handel dreven, blijkt duidelijk uit het verslag over de tijd van koning Salomo (zo’n 13 eeuwen na de Vloed), toen ook de natie Israël zich op de zeehandel ging toeleggen. Salomo had in de Rode Zee een handelsvloot, deels bemand met ervaren zeelui die door de Fenicische koning Hiram van Tyrus waren verschaft en die vooral op Ofir voeren, dat rijk aan goud was (1 Kon. 9:26-28). Daarna wordt er melding van gemaakt dat koning Salomo „een vloot van Tarsisschepen” op zee had, „samen met Hirams vloot van schepen”. Over deze schepen wordt gezegd dat ze eens in de drie jaar uitvoeren om goud, zilver, ivoor, apen en pauwen te importeren (1 Kon. 10:22). Naar algemeen wordt aangenomen, werd het begrip ’Tarsisschip’ in de loop van de tijd toegepast op een bepaald soort schip, zoals één lexicon zegt: „grote, zeewaardige vaartuigen, geschikt om geregeld naar en van Tarsis te varen” (A Hebrew and English Lexicon of the Old Testament, door Brown, Driver en Briggs, blz. 1077). Men zou dit kunnen vergelijken met de schepen die „Oostindiëvaarders” werden genoemd. Aanvankelijk had deze naam betrekking op de grote handelsschepen die op Oost-Indië voeren. In de loop van de tijd werd de naam toegepast op allerlei grote zeeschepen, ongeacht hun afkomst of plaats van bestemming. Bijgevolg wordt in 1 Koningen 22:48 (NBG [49]) gezegd dat koning Josafat (ca. 936–911 v.G.T.) „Tarsisschepen [bouwde] om in Ofir goud te gaan halen”.
In het verslag in Kronieken staat echter dat de schepen van Salomo die voor de driejaarlijkse reizen gebruikt werden, ’naar Tarsis voeren’ (2 Kron. 9:21); ook dat de schepen van Josafat bestemd waren „om naar Tarsis te varen” en dat ze, nadat ze schipbreuk hadden geleden, „geen kracht [behielden] om naar Tarsis te varen” (2 Kron. 20:36, 37). Hieruit valt op te maken dat Ofir niet de enige aanloophaven voor de Israëlitische „Tarsisschepen” was, maar dat ze ook de wateren van de Middellandse Zee bevoeren. Dit stelt ons natuurlijk voor een probleem, daar volgens het verslag ten minste enkele van deze schepen bij Ezeon-Geber, aan de Golf van Akaba, zee kozen (1 Kon. 9:26). Wilden deze schepen de Middellandse Zee bereiken, dan moesten ze hetzij van de Rode Zee via een kanaal naar de Nijl en vervolgens naar de Middellandse Zee koersen of om het continent Afrika heen varen. Hoewel het thans onmogelijk is precies vast te stellen welke vaarroutes (met inbegrip van kanalen) er ten tijde van Salomo en Josafat bestonden of gebruikt werden, wil dat nog niet zeggen dat de beschreven ondernemingen onuitvoerbaar waren.
JAFETHITISCH, NIET SEMITISCH OF HAMITISCH
Een aantal geleerden tracht te bewijzen dat het woord „Tarsis” van Akkadische (Assyro-Babylonische) oorsprong is en dat het in het Fenicisch „smelter of metaalsmelterij” betekent. Op grond van deze populaire theorie beweren zij dat de „Tarsisschepen” eenvoudig schepen waren die naar plaatsen voeren waar zich zulke metaalsmelterijen bevonden en dat de naam „Tarsis” op elk van zulke plaatsen betrekking kon hebben. Volgens het verslag in Genesis (10:2, 4) was „Tarsis” echter Jafethitisch en kan er derhalve geen verband worden gelegd met de Akkadisch-sprekende volken (Semieten) en ook niet met de Feniciërs (van Hamitische oorsprong). Bovendien wordt de naam „Tarsis” elders in het bijbelse verslag als aanduiding van een bepaalde (en destijds blijkbaar welbekende) plaats of streek gebruikt. Het lijkt meer voor de hand te liggen dat de naam „Tarsis” op grond van de belangrijke rol die het metaalsmelten bij de nakomelingen van Tarsis ging spelen, of op grond van de grote hoeveelheid mineralen die in het door hen bewoonde gebied voorhanden was, mettertijd synoniem werd met „metaalsmelterij”, zo dit al het geval was.
IN DE PROFETIEËN
Tarsis blijkt een belangrijke markt voor de handelsstad Tyrus geweest te zijn; mogelijk had ze gedurende een bepaalde tijdsperiode haar grootste rijkdom aan Tarsis te danken. Van oudsher had Spanje mijnen voor de winning van zilver, ijzer, tin en andere metalen die daar in rijke hoeveelheden voorkwamen. (Vergelijk Jeremia 10:9; Ezechiël 27:3, 12.) Zo luidt Jesaja’s profetische formele uitspraak over de val van Tyrus dat de schepen van Tarsis zouden ’jammeren’ wanneer zij Kittim (Cyprus, misschien de laatste aanloophaven op hun vaart naar het oosten) bereikten en de boodschap ontvingen dat de rijke havenstad Tyrus geplunderd was. — Jes. 23:1, 10, 14.
In andere profetieën wordt voorzegd dat God enkelen van zijn volk naar Tarsis zou zenden om daar zijn heerlijkheid te verkondigen (Jes. 66:19), en dat de „schepen van Tarsis” de zonen van Sion van verre zouden brengen (Jes. 60:9). De „koningen van Tarsis en van de eilanden” moeten Jehovah’s koning schatting betalen (Ps. 72:10). In Ezechiël 38:13 daarentegen wordt getoond hoe „de kooplieden van Tarsis” samen met andere handelsvolken zelfzuchtig geïnteresseerd blijken te zijn in Gog van Magogs voorgenomen plundering van Jehovah’s weer bijeengebrachte volk. Tot de dingen die zelfverheffing, hoogmoed en hovaardigheid symboliseren en die omlaaggehaald moeten worden, behoren ook de schepen van Tarsis, en alleen Jehovah moet verhoogd worden op de „dag die Jehovah der legerscharen toebehoort”. — Jes. 2:11-16.