Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 1467-1468
  • Syrië

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Syrië
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • IN PATRIARCHALE TIJD
  • DE PERIODE VAN DE RECHTERS
  • DE PERIODE VAN DE KONINGEN VAN ISRAËL EN JUDA
  • Na de verdeling van Israëls koninkrijk
  • IN DE EERSTE EEUW G.T.
  • Syrië
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
  • Syrië, Syriërs
    Verklarende woordenlijst
  • Damaskus
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • Ben-Hadad
    Hulp tot begrip van de bijbel
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 1467-1468

SYRIË.

Het gebied dat in het O. wordt begrensd door Mesopotamië, in het W. door het Libanongebergte, in het N. door het Taurusgebergte en in het Z. door Palestina en de Syrisch-Arabische Woestijn. In de Hebreeuwse Geschriften wordt het gebied Aram genoemd. Deze grenzen zijn slechts globaal, aangezien de Syrische invloed en heerschappij binnen dit gebied gedurende de meeste tijd tamelijk veranderlijk en onstabiel was.

IN PATRIARCHALE TIJD

De enige verslagen die wij in de bijbel aantreffen over de Syriërs in de patriarchale tijd hebben betrekking op gebeurtenissen rond Haran in verband met het leven van Rebekka’s familie, want zowel haar vader Bethuël als haar broer Laban worden als Syriërs of letterlijk Arameeërs aangeduid (Gen. 25:20; 28:5; 31:20, 24). Omdat Jakob 20 jaar in dit gebied woonde, aldaar Labans twee dochters huwde en de vader werd van zonen en dochters, en wegens de ellende die hij in dienst van Laban ondervond, werd hij later beschreven als „een Syriër die op het punt stond van honger om te komen”. Ook Jakobs moeder was een Syrische. — Deut. 26:5; Gen. 31:40-42; Hos. 12:12.

DE PERIODE VAN DE RECHTERS

Toen de Israëlieten gedurende de periode van de rechters de aanbidding van Jehovah de rug toekeerden, hield de Syrische koning Kuschan-Rischataïm hen acht jaar in onderworpenheid (Recht. 3:7-10). Bij een andere gelegenheid bleek de invloed van Syrië zo sterk dat Israël ertoe gebracht kon worden buiten andere heidense godheden ook de goden van Syrië te aanbidden. — Recht. 10:6.

DE PERIODE VAN DE KONINGEN VAN ISRAËL EN JUDA

Vanaf de geboorte van Israëls monarchie werd Syrië in militair opzicht agressief, en gedurende de gehele geschiedenis van het noordelijke koninkrijk kwam het voortdurend tot vijandelijkheden tussen de twee koninkrijken. Israëls eerste koning, Saul, trok ten strijde tegen de Syrische koningen van Zoba (1 Sam. 14:47). Toen David koning werd, bracht hij het leger van de Syrische koning Hadadezer zware verliezen toe. Terzelfder tijd werd er veel goud, zilver en koper buitgemaakt en aan Jehovah geheiligd. David vestigde ook garnizoenen in Damaskus en dwong de Syriërs schatting te betalen (2 Sam. 8:3-12; 1 Kron. 18:3-8). Later sloegen meer dan 30.000 Syrische huursoldaten die door de Ammonieten in dienst waren genomen, voor de Israëlieten op de vlucht in plaats van te vechten. Maar nadat er Syrische versterkingstroepen waren aangerukt, volgde er een gevecht tegen Israël waarbij de Syriërs zware verliezen leden, waarop zij om vrede smeekten. — 2 Sam. 10:6-19; 1 Kron. 19:6-19.

Hierna riep een zekere Syrische opstandeling, Rezon genaamd, die voor Hadadezer was gevlucht, zichzelf in Damaskus tot koning uit en werd gedurende al de dagen van Salomo een tegenstrever van Israël (1 Kon. 11:23-25). Door deze ontwikkelingen werd Damaskus de voornaamste Syrische stad, die lange tijd werd erkend als „het hoofd van Syrië”. Tot dit „hoofd” waren ook Jehovah’s formele uitspraken tegen die natie gericht. — Jes. 7:8; 17:1-3; Amos 1:5.

Na de verdeling van Israëls koninkrijk

De bijbelse geschiedenis over de Syriërs na de dood van Salomo en de verdeling van zijn koninkrijk vertelt hoofdzakelijk over hun successen en tegenslagen in hun betrekkingen met de Israëlieten van zowel het noordelijke als het zuidelijke koninkrijk. Van bepaalde gebeurtenissen wordt vermeld dat ze plaatsvonden tijdens de regeringen van Asa (1 Kon. 15:18-20; 2 Kron. 16:2-4, 7), Achab (1 Kon. 20:1-34; 22:3, 4, 29-35; 2 Kron. 18:10, 28-34), Joram van Israël (2 Kon. 6:24–7:16; 8:28, 29; 9:14b, 15; 2 Kron. 22:5, 6), Joas van Juda (2 Kon. 12:17, 18; 2 Kron. 24:23, 24), Joahaz (2 Kon. 13:3-7, 22), Joas van Israël (2 Kon. 13:14-19, 24, 25), Jotham (2 Kon. 15:37, 38), Achaz (2 Kon. 16:5-9; 2 Kron. 28:5; Jes. 7:1-8; 9:12) en Jojakim (2 Kon. 24:2). Het was hoogst ongewoon en verdiende speciale vermelding wanneer er ’drie jaar lang geen oorlog tussen Syrië en Israël was’. — 1 Kon. 22:1.

Jehovah’s profeet Elisa had bepaalde contacten met de Syriërs, bijv. toen hij de Syrische legeroverste Naäman van melaatsheid genas (2 Kon. 5:1-20), en toen hij aan Hazaël onthulde dat deze in plaats van zijn meester, Ben-Hadad II, koning van Syrië zou worden (2 Kon. 8:7-15). Bij een andere gelegenheid, toen een detachement Syriërs Dothan omsingelde om Elisa gevangen te nemen, vroeg de profeet eerst aan God hen met een vorm van blindheid te slaan, en vervolgens leidde Elisa hen naar Samaria, waar zij hun gezichtsvermogen terugkregen, waarop hij hun iets te eten liet geven en hen naar huis stuurde (2 Kon. 6:8-23). Zie voor verdere bijzonderheden over deze ervaringen van de Syriërs met de profeet het artikel over ELISA (I).

De Syriërs waren Semieten, nauw verwant aan en verbonden met de Israëlieten. Maar toch verschilden hun talen in de 8ste eeuw v.G.T. zo veel van elkaar dat de gemiddelde jood geen Aramees verstond (2 Kon. 18:26-28; Jes. 36:11, 12; zie ARAMEES [De taal]). Ook in religieus opzicht waren er enorme verschillen tussen de polytheïstische Syriërs en de joden, en pas toen de laatsten afvallig werden, duldde men de aanbidding van de Syrische goden in het land Israël. — Recht. 10:6; 2 Kon. 16:10-16; 2 Kron. 28:22, 23.

IN DE EERSTE EEUW G.T.

Ten tijde van de apostelen was Syrië een Romeinse provincie die door Pompejus in 64 v.G.T. bij het rijk was ingelijfd. Deze provincie omvatte een groot deel van het oude gebied van Syrië alsook heel Palestina. Ten tijde van Jezus’ geboorte werd ze geregeerd door de legaat van keizer Augustus, stadhouder Quirinius, wiens residentie zich in Antiochië, de hoofdstad van de provincie en de op twee na grootste stad van het Romeinse Rijk, aan de rivier de Orontes, bevond (Luk. 2:1, 2). Jezus beperkte zijn bediening tot het eigenlijke Palestina, maar berichten over zijn prachtige wonderen drongen door „tot in geheel Syrië”. — Matth. 4:24.

Toen de christenen in Jeruzalem wegens de vervolging die na de steniging van Stefanus losbrak, werden verstrooid, brachten sommige van hen het goede nieuws naar Antiochië, de hoofdstad van Syrië. Daar hoorden eerst de joden de boodschap en later ook de mensen van andere nationale groepen. Barnabas en Paulus hadden beiden een aandeel aan het opbouwen van de gemeente in Antiochië. Het was voor het eerst in deze Syrische stad dat „de discipelen door goddelijke voorzienigheid christenen werden genoemd”. — Hand. 11:19-26; Gal. 1:21.

Omstreeks het jaar 46 G.T., toen er tijdens de regering van keizer Claudius een grote hongersnood ontstond, zonden de christenen in en rond Antiochië via Barnabas en Paulus een ondersteuning ten dienste van hun broeders in Jeruzalem (Hand. 11:27-30). De brief betreffende de besnijdenis, die door de apostelen en oudere mannen in Jeruzalem werd uitgezonden, was in de eerste plaats gericht aan de gemeenten in Antiochië, Syrië en Cilicië (een aangrenzend gewest) (Hand. 15:23). Gedurende de jaren dat Paulus als zendeling veel reizen maakte, gebruikte hij Antiochië in Syrië als thuisbasis. — Hand. 15:40, 41; 18:18; 20:3; 21:3; Gal. 2:11; zie ARAM; ASSYRIË.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen