Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 1436-1439
  • Spiritisme

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Spiritisme
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • DE BRON ERVAN
  • IN ISRAËL
  • KONING SAULS BEZOEK AAN EEN MEDIUM
  • JEZUS’ MACHT OVER DE DEMONEN
  • Weerlegt de valse beschuldiging van de Farizeeën
  • EEN WERK VAN HET VLEES
  • MAGISCHE KUNSTEN NAUW VERWANT
  • EEN PROFETIE TEGEN JERUZALEM
  • Spiritisme
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
  • Goddeloze geesten zijn machtig
    U kunt voor eeuwig in een paradijs op aarde leven
  • Wat zegt de Schrift over „Een voortbestaan na de dood”? (Deel 2)
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1955
  • Spiritisme
    Redeneren aan de hand van de Schrift
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 1436-1439

SPIRITISME.

Het geloof of de leer dat de geesten van de overledenen verder leven wanneer het fysieke lichaam dood is, en dat ze met de levenden in contact kunnen treden en dat ook doen, hoofdzakelijk via een persoon (een medium) die bijzonder ontvankelijk is voor hun invloed; spiritualisme. Zowel de bijbel als de wereldlijke geschiedenis onthullen dat het spiritisme al vanaf de vroegste oudheid bestaat. Egyptes religie was ervan doortrokken (Jes. 19:3). En ook de religie van Babylon (welke stad tevens het voornaamste religieuze centrum van Assyrië vormde) was spiritistisch. — Jes. 47:12, 13.

Het Griekse woord voor „spiritisme” is far·maʹ- ki·a. W. E. Vine’s Expository Dictionary of New Testament Words (Deel IV, blz. 51, 52) zegt over dit woord: „PHARMAKIA . . . had voornamelijk betrekking op het gebruik van medicijnen, drogerijen (Engels: drugs), toverformules; vervolgens op vergiftiging; vervolgens op tovenarij, Gal. 5:20, R.V., ’tovenarij’ . . ., dat genoemd wordt als een van ’de werken van het vlees’. Zie ook Openb. 9:21; 18:23. In de Sept[uaginta]: Ex. 7:11, 22; 8:7, 18; Jes. 47:9, 12. Bij tovenarij ging het gebruik van drogerijen, of ze nu licht of zwaar waren, over het algemeen gepaard met toverformules en het aanroepen van occulte machten, terwijl hierbij van verscheidene bezweringsmiddelen, amuletten, enz., gebruik werd gemaakt, zogenaamd met het doel de smekeling of patiënt voor de aandacht en de macht van de demonen te behoeden, maar in werkelijkheid om de gebruiker onder de indruk te brengen van de mysterieuze hulpmiddelen en krachten van de tovenaar.”

DE BRON ERVAN

Een belangrijk kenmerk van het spiritisme is het vermeende contact met de doden. Aangezien de doden „zich van helemaal niets bewust” zijn, is het in werkelijkheid onmogelijk met hen in contact te treden (Pred. 9:5). Gods wet aan Israël verbood het ondervragen van de doden, en op de beoefening van spiritisme stond de doodstraf (Lev. 19:31; 20:6, 27; Deut. 18:9-12; vergelijk Jesaja 8:19). En in de christelijke Griekse Geschriften wordt uitdrukkelijk gezegd dat degenen die spiritisme beoefenen, „Gods koninkrijk niet zullen beërven” (Gal. 5:20, 21; Openb. 21:8). Daaruit volgt logischerwijs dat elk vermeende contact met de doden, voor zover degene die zo’n contact beweert te hebben niet opzettelijk liegt, afkomstig moet zijn uit een kwade bron, een bron die gekant is tegen Jehovah God.

Uit de bijbel blijkt duidelijk dat boze geesten, demonen, deze kwade bron zijn. (Zie BEZETENHEID; DEMON.) Een treffend voorbeeld hiervan is een „zeker dienstmeisje” in de stad Filippi. Zij verschafte haar meesters gewoonlijk groot gewin door „de kunst van het voorspellen” te beoefenen, een van de dingen die met spiritisme verband houden (Deut. 18:11). Het verslag zegt onomwonden dat haar voorspellingen niet hun oorsprong vonden bij God, maar bij een „waarzeggende demon”, een boze geest. Toen de apostel Paulus de boze geest uitwierp, verloor dit meisje dan ook haar vermogen om te voorspellen. — Hand. 16:16-19.

IN ISRAËL

Hoewel God het spiritisme in de Wet ten strengste had verboden, verschenen er van tijd tot tijd geestenmediums in het land Israël. Dit waren vermoedelijk buitenlanders die in het land waren gekomen, of het waren enkelen van degenen wier leven door de Israëlieten gespaard was. Koning Saul verwijderde hen tijdens zijn regering uit het land, maar kennelijk waren enkele geestenmediums tegen het einde van zijn heerschappij weer met hun praktijken begonnen. Hoe ver Saul zich van God had afgewend, bleek duidelijk toen hij de „meesteres . . . in het geestenmediumschap” te En-Dor ging raadplegen. — 1 Sam. 28:3, 7-10.

KONING SAULS BEZOEK AAN EEN MEDIUM

Toen Saul naar het medium ging, was Jehovah’s geest al geruime tijd van hem geweken, en God antwoordde hem niet wanneer Saul hem raadpleegde, noch door dromen noch door de Urim (gebruikt door de hogepriester) noch door de profeten (1 Sam. 28:6). God wilde niets meer met hem te maken hebben; en Gods profeet Samuël had Saul al heel lang — al vanaf de tijd vóór Davids zalving tot koning — niet meer gezien. Het zou dus onredelijk zijn te denken dat Samuël, zelfs al was hij nog in leven, nu zou komen om Saul van advies te dienen. Bovendien zou God Samuël, die hij vóór diens dood niet naar Saul had gezonden, stellig niet uit de doden laten terugkeren om met Saul te spreken. — 1 Sam. 15:35.

Dat Jehovah Sauls handelwijze geenszins zou goedkeuren of er zijn medewerking aan zou verlenen, blijkt uit zijn latere uitspraak bij monde van Jesaja: „En ingeval men tot ulieden zou zeggen: ’Wendt u tot de spiritistische mediums of tot hen die een voorspellende geest hebben, die daar piepen en op gedempte toon iets uitbrengen’ — dient welk volk maar ook zich niet tot zijn God te wenden? Dient men zich te wenden tot dode personen ten behoeve van levende personen? Tot de wet en tot het formele getuigenis!” — Jes. 8:19, 20.

Wanneer het verslag dan ook zegt: „Toen de vrouw ’Samuël’ zag, ging zij luidkeels schreeuwen”, verhaalt het de gebeurtenis kennelijk vanuit het standpunt van het medium, dat werd bedrogen door de geest die zich voor Samuël uitgaf (1 Sam. 28:12). Wat Saul betreft, op hem is het door de apostel Paulus vermelde beginsel van toepassing: „Evenals zij het verwerpelijk hebben geacht aan een nauwkeurige kennis van God vast te houden, heeft God hen aan een verwerpelijke geestestoestand overgegeven om de dingen te doen die niet betamen . . . Ofschoon dezen zeer goed op de hoogte zijn van de rechtvaardige verordening van God, dat zij die zulke dingen beoefenen, de dood verdienen, blijven zij ze niet alleen doen, maar stemmen zij ook nog in met hen die ze beoefenen.” — Rom. 1:28-32.

In Biblischen Commentar über das Alte Testament op de boeken Samuël door de professoren C. F. Keil en F. Delitzsch (Deel 2, Leipzig 1875, blz. 210) wordt verwezen naar de Septuaginta, die in 1 Kronieken 10:13 de woorden „. . . en Samuël, de profeet, antwoordde hem” heeft toegevoegd. Het Commentar ondersteunt de zienswijze die door deze niet-geïnspireerde woorden in de Septuaginta wordt overgebracht, maar voegt eraan toe: „Niettemin stelden de kerkvaders, hervormers en vroege kerkelijke theologen, een enkele uitzondering daargelaten, zich op het standpunt dat het hier geen werkelijke, doch slechts een vermeende verschijning van Samuël betrof. Evenals Ephraem Syr. reeds verklaart dat de koning door middel van demonische kunsten een verschijning van Samuël voorgespiegeld kreeg, zo beschouwden ook Luther en Calvin en na hen de vroege protestantse exegeten de verschijning als niets dan een duivelse spookgestalte, een phantasma seu spectrum diabolicum sub schemate Samuelis [een verschijning of een duivelse spookgestalte in de gedaante van Samuël], en Samuëls mededeling niet als een door God ingegeven voorzegging, maar als een duivelse openbaring die onder goddelijke toelating werd gegeven en waarin waarheid met leugen vermengd is.”

JEZUS’ MACHT OVER DE DEMONEN

Toen Jezus op aarde was, bewees hij dat hij de Messias, Gods Gezalfde, was door demonen uit te werpen. Dit deed hij zonder een speciaal ritueel of een seance of enige vorm van magie. Hij beval de demonen eenvoudig uit te gaan, en zij gehoorzaamden zijn stem. De demonen waren, zij het onwillig, gedwongen zijn autoriteit te erkennen (Matth. 8:29-34; Mark. 5:7-13; Luk. 8:28-33), evenals Satan Jehovah’s autoriteit erkende toen Jehovah hem toestond ongeluk over Job te brengen om hem op de proef te stellen, maar Satan het bevel gaf Job niet te doden (Job 2:6, 7). Bovendien dreef Jezus de demonen uit zonder daar geld voor te vragen. — Matth. 8:16, 28-32; Mark. 1:34; 3:11, 12; Luk. 4:41.

Weerlegt de valse beschuldiging van de Farizeeën

Jezus’ vijanden, de Farizeeën, uitten na een van die door Jezus bewerkte genezingen de beschuldiging: „Deze mens werpt de demonen slechts uit door bemiddeling van Beëlzebub, de heerser der demonen.” Het verslag vervolgt echter: „Daar hij hun gedachten kende, zei hij tot hen: ’Ieder koninkrijk dat tegen zichzelf verdeeld is, komt tot verwoesting, en iedere stad of ieder huis dat tegen zichzelf verdeeld is, zal geen stand houden. Wanneer Satan dus Satan uitwerpt, is hij tegen zichzelf verdeeld geworden; hoe zal zijn koninkrijk dan standhouden? Wanneer ik bovendien door bemiddeling van Beëlzebub de demonen uitwerp, door bemiddeling van wie werpen uw zonen ze dan uit? Daarom zullen zij rechters over u zijn.’” — Matth. 12:22-27.

De Farizeeën moesten noodgedwongen toegeven dat er bovenmenselijke kracht nodig was om de demonen uit te werpen. Niettemin wilden zij verhinderen dat de mensen geloof stelden in Jezus. Daarom zeiden zij dat hij zijn kracht van de Duivel had. Jezus toonde vervolgens aan wat de logische gevolgtrekking zou zijn als men op hun argument doorredeneerde. Hij antwoordde dat Satan — indien Jezus als werktuig van de Duivel diens werk tenietdeed — in werkelijkheid zichzelf tegenwerkte (wat geen enkele menselijke koning zou doen) en zijn ondergang dan onvermijdelijk zou zijn. Bovendien vestigde hij de aandacht op hun „zonen”, of discipelen, die eveneens beweerden demonen uit te werpen. Als het argument van de Farizeeën waar was, namelijk dat demonen in de kracht van Satan werden uitgeworpen, dan handelden hun eigen discipelen eveneens onder invloed van die kracht, iets wat de Farizeeën natuurlijk niet wilden onderschrijven. Jezus zei dat hun eigen „zonen” daarom rechters waren die hen en hun argument veroordeelden. Vervolgens zei Jezus: „Maar als ik door middel van Gods geest de demonen uitwerp, dan is het koninkrijk Gods werkelijk onverwachts tot u gekomen.” — Matth. 12:28.

Wat Jezus Christus over het uitwerpen van demonen zei, hoeft echter niet noodzakelijkerwijs te betekenen dat de „zonen” der Farizeeën en alle anderen die beweerden demonen uit te werpen, instrumenten van God waren. Jezus sprak over personen die zouden vragen: „Heer, Heer, hebben wij niet in uw naam geprofeteerd, en in uw naam demonen uitgeworpen, en in uw naam vele krachtige werken verricht?” Hij zou hun echter antwoorden: „Ik heb u nooit gekend! Gaat weg van mij, gij werkers der wetteloosheid” (Matth. 7:22, 23). Omdat zulke werkers der wetteloosheid geen ware discipelen van Jezus Christus zouden zijn, zouden zij kinderen van de Duivel zijn. (Vergelijk Johannes 8:44; 1 Johannes 3:10.) Als zij derhalve zogenaamd demonen zouden uitdrijven, zouden zij dat niet als instrumenten van God, maar als werktuigen van de Duivel doen. Wanneer Satan personen als exorcisten of duivelbanners zou gebruiken, zelfs al zouden zij dit in de naam van Jezus doen (vergelijk de in Handelingen 19:13-16 beschreven poging van de zeven zonen van Skeva), zou hij niet tegen zichzelf verdeeld zijn. Door dit schijnbaar goede werk, het uitbannen van demonen, zou Satan zich veeleer veranderen in een „engel des lichts” en aldus zijn macht en invloed over de bedrogenen vergroten. — 2 Kor. 11:14; zie BESCHIMPEN.

EEN WERK VAN HET VLEES

Hoewel degenen die spiritisme beoefenen, misschien denken dat het een ’spiritueel gebruik’ is, betitelt Gods Woord spiritisme niet als een werk van de geest of een onderdeel van de vrucht daarvan, maar als een werk van het vlees. Merk op met welke verfoeilijke dingen het in één adem genoemd wordt: „hoererij, onreinheid, een losbandig gedrag, afgoderij, beoefening van spiritisme [letterlijk: „gebruik van drogerijen (drugs)”], vijandschappen, twist, jaloezie, vlagen van toorn, ruzies, verdeeldheid, sekten, uitingen van afgunst, drinkgelagen, brasserijen en dergelijke”. Het doet een beroep op de begeerten van het zondige vlees, niet op de dingen van de geest, en de apostel waarschuwt dat „wie zulke dingen beoefenen, Gods koninkrijk niet zullen beërven”. — Gal. 5:19-21, NW, Stud., voetn.

MAGISCHE KUNSTEN NAUW VERWANT

Nauw verwant aan het spiritisme zijn magische kunsten. In Efeze stelden velen geloof in de prediking van Paulus, en „vrij velen van hen die magische kunsten hadden beoefend, brachten hun boeken bijeen en verbrandden ze ten aanschouwen van iedereen” (Hand. 19:19). Het Griekse woord voor ’magische kunst’ is pe·ri·erʹgos, „nieuwsgierigheid (nieuwsgierig)”, en betekent letterlijk: „dingen om een werk heen”, en dus overbodig, d.w.z. de kunsten van hen die zich met de hulp van boze geesten nieuwsgierig bezighouden met verboden zaken. — Kingdom Interlinear Translation; Vine’s Dictionary of New Testament Words, Deel I, blz. 261.

EEN PROFETIE TEGEN JERUZALEM

In een formele uitspraak gericht tegen Jeruzalem vanwege de ontrouw van de stad, zei Jehovah: „En gij moet neergehaald worden, zodat gij als het ware vanuit de aarde zult spreken, en als uit het stof zal uw woord gedempt klinken. En als een geestenmedium moet uw stem worden, ja, uit de aarde, en uit het stof zal uw eigen woord piepen” (Jes. 29:4). Deze woorden wezen vooruit naar de tijd dat er vijanden tegen Jeruzalem zouden optrekken en de stad zeer zouden vernederen, als het ware met de grond gelijk maken. Dientengevolge zou elk woord dat de inwoners van Jeruzalem in hun vernederde toestand zouden spreken, van diep uit de grond komen. Het zou zijn alsof een geestenmedium op zo’n manier sprak dat het leek of er een zacht, dof, laag, gedempt en zwak geluid vanuit het stof van de aarde kwam. Zoals uit Jesaja 29:5-8 blijkt, zou Jeruzalem echter bevrijd worden.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen