SPITSMUIZEN.
Vertaling van het Hebreeuwse woord chafar·pa·rōthʹ, dat ook wel weergegeven wordt met „mollen” en „ratten” (Jes. 2:20, SV, NBG). Het Hebreeuwse woord is vermoedelijk afgeleid van een grondwoord dat „graven, woelen” betekent, en daarom meent een aantal bijbelgeleerden dat het een aanduiding is van een verscheidenheid van dieren die in de grond woelen, o.a. ratten, muizen, blindmuizen, springmuizen en dergelijke. Volgens Koehler en Baumgartner (Lexicon in Veteris Testamenti Libros, blz. 322) wordt met chafar·pa·rōthʹ echter gedoeld op de „spitsmuis”.
Dit muisachtige diertje heeft een zachte, korte vacht, een lange, spitse snuit, kleine ogen en ronde oren die er nogal verschrompeld uitzien. Spitsmuizen bezitten een enorme eetlust — ze kunnen per dag meer dan hun eigen gewicht aan voedsel verorberen. Ze leven hoofdzakelijk van insekten en wormen, alhoewel ze zich ook voeden met kleine dieren van hun eigen formaat en groter, zoals muizen. Tot de verscheidene soorten spitsmuizen die door de 19de-eeuwse bioloog H. B. Tristram in Palestina zijn gevonden, behoorden de gewone spitsmuis en de veel kleinere dwergspitsmuis.