ZOON.
In de oudheid koesterden echtparen vurig de wens om een mannelijke nakomeling te hebben (Gen. 4:1, 25; 29:32-35). De psalmist bracht dit als volgt onder woorden: „Zonen zijn een erfdeel van Jehovah . . . Gelukkig is de fysiek sterke man die zijn pijlkoker ermee heeft gevuld” (Ps. 127:3-5). Door zonen werd het voortbestaan van de geslachtslijn verzekerd, werd de naam van de voorvaders onder het nageslacht in stand gehouden en bleef het landerfdeel in de familie (Num. 27:8). Israëlitische vrouwen koesterden de wens om zonen te hebben, misschien omdat zij hoopten dat een van hun zonen het „zaad” zou blijken te zijn door bemiddeling van wie God de mensheid zou zegenen, zoals hij Abraham had beloofd (Gen. 22:18; 1 Sam. 1:5-11). Te bestemder tijd maakte de engel Gabriël aan Maria, een maagd uit de stam Juda, bekend dat zij een „hooglijk begunstigde” was en voegde eraan toe: „Gij zult in uw schoot ontvangen en een zoon baren, en gij moet hem de naam Jezus geven. Deze zal groot zijn en de Zoon van de Allerhoogste worden genoemd; en Jehovah God zal hem de troon van zijn vader David geven.” — Luk. 1:28, 31, 32.
Volgens de Wet moest een zoon op de achtste dag na zijn geboorte besneden worden (Lev. 12:3; Luk. 1:59; 2:21). Na de geboorte van een zoon bleef de moeder zeven dagen „onrein” en bovendien „nog drieëndertig dagen . . . in het reinigingsbloed”. Dit betekende dat zij gedurende die 40 dagen niet in de heilige plaats mocht komen en ook niets heiligs mocht aanraken. Wanneer er een dochter werd geboren, was de periode tweemaal zo lang (Lev. 12:2-8; Luk. 2:22-24). Een eerstgeboren zoon behoorde Jehovah toe en moest met een loskoopprijs worden losgekocht. — Num. 18:15, 16.
OUDERLIJK GEZAG
Hoewel de opleiding en het onderricht van zonen in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de vader was, had ook de moeder er een aandeel aan, vooral wanneer de kinderen nog tamelijk klein waren (Gen. 18:19; Deut. 6:6-8; 1 Sam. 1:23; Spr. 1:8; Ef. 6:4). Zolang een zoon nog in het huis van zijn vader woonde, was hij aan de vader onderworpen. Onder de Wet moest een zoon die een dronkaard en een veelvraat werd en onhandelbaar en weerspannig jegens zijn ouders was, aan de rechters worden overgedragen om ter dood gebracht te worden (Deut. 21:18-21). Vaak regelden de ouders het huwelijk van hun zonen (Gen. 24:2-4; 28:1, 2; Recht. 14:2). Na de dood van de vader erfden de zonen het familiebezit, waarbij de eerstgeborene een dubbel deel ontving en het hoofd van het huisgezin werd. — Deut. 21:17.
RUIMER GEBRUIK VAN HET WOORD
Het Hebreeuwse woord ben en het Griekse woord huʹi·os, die beide „zoon” betekenen, worden dikwijls in ruimere zin gebruikt — niet alleen ter aanduiding van een rechtstreekse mannelijke nakomeling. Met „zoon” kan een geadopteerde zoon of de zoon van een pleegvader (Ex. 2:10; Joh. 1:45), een nakomeling (kleinzoon, achterkleinzoon enz.) (Ex. 1:7; 2 Kron. 35:14; Jer. 35:16; Matth. 12:23) of een schoonzoon bedoeld worden. — Vergelijk 1 Kronieken 3:17 met Lukas 3:27 (Sealthiël was blijkbaar de zoon van Jechonja en de schoonzoon van Neri); met de in Lukas 3:23 genoemde „Jozef, zoon van Eli,” wordt kennelijk de schoonzoon bedoeld (in deze zinsnede komt huʹi·os, „zoon”, in de Griekse tekst niet voor, maar kan erbij worden gedacht).
HULP TER IDENTIFICATIE
Mannen werden vaak geïdentificeerd of onderscheiden door de naam van hun vader of die van een verdere voorvader, zoals (David) „de zoon van Isaï” (1 Sam. 22:7, 9). Het Hebreeuwse woord ben en het Aramese woord bar, „zoon”, werden dikwijls als voorvoegsels aan de naam van de vader toegevoegd, zodat de zoon een bijnaam kreeg, zoals Bar-Jezus („zoon van Jezus”) (Hand. 13:6). Sommige vertalingen laten het voorvoegsel onvertaald; andere vertalen het in de meeste gevallen; sommige vermelden de vertaling in een voetnoot. Het voorvoegsel kon ook aan de naam worden toegevoegd wegens de omstandigheden rond de geboorte van het kind, zoals Ben-Ammi, wat „zoon van mijn volk” betekent, d.w.z. zoon van mijn bloedverwanten en niet van vreemden; of Ben-Oni, wat „zoon van mijn smart” betekent, de naam die Benjamin van zijn stervende moeder kreeg. — Gen. 19:38; 35:18.
ALS OMSCHRIJVING GEBRUIKT
Bovendien dient het woord „zonen” veelvuldig als omschrijving, zoals: „oosterlingen (letterlijk: „zonen van het Oosten” [1 Kon. 4:30; Job 1:3, NW, Stud., voetn.]); „gezalfden” (letterlijk: „zonen van de olie” [Zach. 4:14, NW, Stud., voetn.]); leden („zonen”) van beroepsgroepen, zoals „profetenzonen” (1 Kon. 20:35) of „een lid [„zoon”] van de zalfmengers” (Neh. 3:8); teruggekeerde ballingen („zonen der Ballingschap”) (Ezra 10:7, 16, NW, Stud., voetn.); nietswaardige mannen, schurken („zonen van belial”) (Recht. 19:22, NW, Stud., voetn.). Personen die een bepaalde gedragslijn volgen of bepaalde karakteristieke eigenschappen aan de dag leggen, worden aangeduid met uitdrukkingen als „zonen van de Allerhoogste”, „zonen van het licht en zonen van de dag”, „zonen van het koninkrijk”, „zonen van de goddeloze”, „zoon van de Duivel”, „zonen der ongehoorzaamheid” (Luk. 6:35; 1 Thess. 5:5; Matth. 13:38; Hand. 13:10; Ef. 2:2). Ook personen die op grond van hun karakteristieke eigenschappen voor een met name vermeld strafgericht in aanmerking komen, worden „een voorwerp voor Gehenna” (letterlijk: „een zoon van Gehenna”), „de zoon der vernietiging” genoemd (Matth. 23:15; Joh. 17:12; 2 Thess. 2:3). Jesaja, die profeteerde dat God Israël zou tuchtigen, noemde de natie „mijn gedorsten en de zoon van mijn dorsvloer”. — Jes. 21:10; zie ZOON (ZONEN) VAN GOD.