ZONNEWIJZER.
Een instrument dat overdag de tijd aangeeft doordat de schaduw van een wijzer zich over een van een schaalverdeling voorzien vlak beweegt en korter of langer wordt naarmate de zon rijst of daalt. De wijzer was gewoonlijk een stift of gnomon (een dunne driehoekige metalen plaat, die boven de schaalverdeling was aangebracht), hoewel ook een draad of een ander voorwerp werd gebruikt. Het oppervlak met de schaalverdeling kon vlak, holrond of zelfs cilindervormig zijn.
In 2 Koningen 20:8-11 en Jesaja 38:4-8 staat het verslag over het wonderteken dat God aan de zieke koning Hizkia gaf als antwoord op Jesaja’s gebed. Het wonderteken bestond hierin, dat een schaduw die geleidelijk was gedaald, van richting veranderde en tien treden terugging. Deze treden konden betrekking hebben op de treden of graden van een zonnewijzer om de tijd aan te geven, en het is niet uitgesloten dat Hizkia’s vader zo’n zonnewijzer bezat, die misschien zelfs uit Babylon afkomstig was. De joodse geschiedschrijver Josephus schrijft echter in een verhandeling over dit verslag dat deze treden van Achaz zich „in zijn huis” bevonden, waarmee hij blijkbaar te kennen gaf dat ze een deel van een trap vormden. Misschien stond er naast de trap een zuil die de zonnestralen opving en ervoor zorgde dat de schaduw zich geleidelijk langs de trap verder uitstrekte en zo als tijdmeter diende.
Bij dit wonder speelde blijkbaar de relatie tussen de aarde en de zon een rol, en als dat zo is, kwam het overeen met het in Jozua 10:12-14 opgetekende wonder. Het schijnt dat dit wonderteken verstrekkende gevolgen had, want volgens 2 Kronieken 32:24, 31 werden boodschappers uit Babylon naar Jeruzalem gezonden om ernaar te informeren.