PEES.
Vezelstreng die spieren en beenderen met elkaar verbindt. Van mensen wordt gezegd dat God hen met beenderen en pezen heeft samengeweven (Job 10:11; zie ook Job 40:15-18). De Israëlieten hadden, figuurlijk gesproken, een nek als „een ijzeren pees”, hetgeen betekent dat zij eigenzinnig, weerbarstig en hardnekkig waren (Jes. 48:4; vergelijk Exodus 32:9). De geestelijke herleving van Gods volk werd afgebeeld doordat beenderen tot elkaar naderden en met pezen en vlees overtrokken werden. — Ezech. 37:6-8.
Toen Jakob met een engel worstelde, raakte deze de gewrichtsholte van Jakobs dijbeen aan, zodat ze ontzet werd. In het later door Mozes geschreven verslag staat: „Daarom zijn de zonen van Israël tot op de huidige dag [in de tijd van Mozes] niet gewoon de pees van de dijzenuw te eten, die op de gewrichtsholte van het dijbeen ligt, omdat hij bij de pees van de dijzenuw de gewrichtsholte van Jakobs dijbeen had aangeraakt” (Gen. 32:32). Veel joden houden nog aan dit gebruik vast doordat zij de heupzenuw met aderen en pezen niet eten, maar haar bij het slachten van het vee wegsnijden. Volgens sommige joodse commentators moet dit voorschrift dienen als een herinnering aan Gods voorzienigheid jegens Israël, zoals wordt afgebeeld door de ervaring van de patriarch Jakob, de vader van de twaalf stammen van Israël.
HET DOORSNIJDEN VAN DE PEZEN
Bij viervoeters is de achillespees de achterste pees boven het spronggewricht van de achterpoten. Door het doorsnijden van deze pezen wordt het dier kreupel gemaakt zodat het onbruikbaar is voor de arbeid of de oorlogvoering (Gen. 49:6). Wanneer de Israëlieten oorlog voerden, sneden zij de paarden van hun vijanden de pezen door; bij één gelegenheid gaf Jehovah Jozua het uitdrukkelijke bevel daartoe (Joz. 11:6, 9; 2 Sam. 8:3, 4; 1 Kron. 18:3, 4). Dit was de eenvoudigste methode om paarden ongeschikt te maken voor de oorlogvoering. De paarden werden nadat men ze kreupel had gemaakt, ongetwijfeld gedood, uit de weg geruimd evenals de oorlogswagens. Doordat de Israëlieten zich de paarden van hun vijanden niet toeëigenden om ze voor de oorlogvoering te gebruiken, werden zij gevrijwaard voor de strik zich op paarden te verlaten in plaats van hun toevlucht te zoeken bij Jehovah. — Vergelijk Deuteronomium 17:16; Jesaja 31:1, 3.