RING.
Ringvormige sieraden van verschillende aard, die door zowel mannen als vrouwen werden gedragen, waren onder de Hebreeën, Egyptenaren, Assyriërs, Babyloniërs, Grieken, Romeinen en andere volken uit de oudheid heel normaal. Men droeg neus-, oor- en vingerringen. Ze werden onder meer van goud, zilver, koper, brons, glas, ijzer en ivoor vervaardigd, terwijl sommige ringen met stenen waren bezet.
Een belangrijk Hebreeuws woord voor ring is tab·baʹ‛ath, dat is afgeleid van een grondwoord dat „zinken” betekent. Misschien dat deze uitdrukking in verband kan worden gebracht met de voornaamste toepassing van enkele ringen uit de oudheid, namelijk om een afdruk in klei of was te maken door de ring erin te drukken of erin te laten „zinken”. Zulke ringen waren van goud, zilver of brons, terwijl enkele met een gegraveerde steen waren bezet, die de naam of het symbool van de eigenaar droeg, zoals de cartouche van een Egyptische farao. Deze ringen hadden een ingevatte steen of waren zo geconstrueerd dat de steen kon draaien of rollen. Ze werden waarschijnlijk ook wel aan een decoratief snoer om de hals gedragen (Gen. 38:18, 25). Enkele jaren geleden werd er een oude zegelring gevonden die aan de Egyptische farao Cheops (Choefoe), de bouwer van de grote pyramide van Gizeh, had toebehoord.
De zegelring van een heerser of beambte was een symbool van zijn autoriteit (Gen. 41:41, 42). Officiële documenten of zaken die niet vervalst of veranderd mochten worden, werden ermee verzegeld, precies zoals tegenwoordig officiële zegels of handtekeningen worden gebruikt. — Esth. 3:10-13; 8:2, 8-12; Dan. 6:16, 17.
In zijn illustratie van de verloren zoon liet Jezus uitkomen dat de vergevensgezinde vader de opdracht gaf om de teruggekeerde verloren zoon een ring aan zijn hand te doen (Luk. 15:22). Deze handelwijze was een blijk van gunst en genegenheid van de zijde van de vader, alsook een teken van de waardigheid, eer en status die deze teruggekeerde zoon werden verleend. Jezus’ halfbroer Jakobus waarschuwde christenen ervoor begunstiging te tonen jegens personen met prachtige kleding en gouden ringen aan hun vingers (hetgeen op rijkdom en een maatschappelijke positie wees) (Jak. 2:1-9). Insgelijks gaf de apostel Petrus, hoewel hij het dragen van dergelijke sieraden niet veroordeelde, te kennen dat de geestelijke versiering veel belangrijker is. — 1 Petr. 3:1-5.
FIGUURLIJK GEBRUIK
In de oudheid schijnt een zegelring spreekwoordelijk te zijn geweest voor een waardevol voorwerp of persoon. De Judese koning Chonja (Jojachin) werd met een ’zegelring aan Jehovah’s rechterhand’ vergeleken, een ring die Hij zou afrukken. Jojachin werd na een zeer korte regeringsperiode onttroond (Jer. 22:24; 2 Kon. 24:8-15). En ten aanzien van de getrouwe Zerubbabel zei Jehovah: „Ik [zal] u nemen, . . . en ik zal u stellig als een zegelring stellen, want u heb ik verkozen.” Zerubbabel was een vorst in de geslachtslijn van David. De belofte betekende daarom kennelijk dat net zoals een zegelring als iets waardevols wordt beschermd, zo ook de soevereiniteit van de geslachtslijn van David bewaard zou blijven in Zerubbabel. Die dynastie bevond zich toentertijd in een vernederde toestand onder niet-joodse overheersing (Neh. 9:36, 37), maar Gods verbond met David stond vast (Ezech. 21:25-27). De werkelijke Erfgenaam van de troon van David, Jezus Christus, verscheen via de afstammingslijn van Zerubbabel. — Hag. 2:23; Matth. 1:12, 13; Luk. 3:27.