KRACHT, KRACHTIGE WERKEN.
[Hebreeuws: koʹach, kracht; gevoe·rahʹ, kracht, macht, sterkte; ‛oz, sterkte; Grieks: duʹna·mis, kracht, krachtige werken, vermogen (van deze term zijn de woorden dynamo, dynamiet en dynamisch afgeleid)].
Onder kracht verstaat men het vermogen om iets te doen, iets tot stand te brengen, een werk te verrichten. Het woord „werk” duidt op zinvolle activiteit. Jehovah’s daden zijn geen afzonderlijke, op zichzelf staande of grillige ontladingen van energie, maar gecoördineerde handelingen met een bepaald doel of oogmerk. Hoewel Jehovah door zijn kracht het universum en de levende schepselen daarin onderhoudt (Ps. 136:25; 148:2-6; Matth. 5:45), is hij niet met een onpersoonlijke krachtcentrale te vergelijken; zijn daden bewijzen dat hij een persoon en een God met een voornemen is. Hij is ook een God die geschiedenis maakt, want hij heeft in het verleden op vastgestelde tijden, op specifieke plaatsen en met betrekking tot afzonderlijke personen of hele volken in de menselijke aangelegenheden ingegrepen. Als de „levende en ware God” (1 Thess. 1:9; Joz. 3:10; Jer. 10:10) heeft hij bewezen dat hij te allen tijde weet wat er in het universum geschiedt, dienovereenkomstig reageert en stappen ter bevordering van zijn voornemen doet.
Van Jehovah kan redelijkerwijs verwacht worden dat hij, teneinde te bewijzen dat hij de ware God is, duidelijk toont de geschapen krachten te beheersen, en wel op een dusdanige wijze dat daardoor duidelijk aan het licht treedt dat zijn Naam daarmee verbonden is (Ps. 135:5, 6). Aangezien de zon, de maan, de planeten en de sterren hun vaste baan volgen, en aangezien de gesteldheid van de aardatmosfeer (waardoor wind, regen en andere natuurverschijnselen worden veroorzaakt) de wetten gehoorzaamt waaraan ze onderworpen is, en aangezien sprinkhanen nu eenmaal zwermen en vogels migreren, zouden deze en vele andere normale natuurverschijnselen niet voldoende zijn om Gods naam voor de ogen van tegenstanders en aanbidders van valse goden te heiligen.
Niettemin zou Jehovah God kunnen bewerken dat de schepping en de natuurkrachten getuigenis van zijn godheid aflegden door ze zo te gebruiken dat ze, vaak op een speciaal daarvoor bestemde tijd, een specifiek doel dienden dat boven de functie die ze normaal vervullen, uit ging. Zelfs al waren de gebeurtenissen op zich niet uniek, zoals een droogte, een stortbui of soortgelijke weersomstandigheden, dan nog zouden ze kenmerkend zijn omdat ze zich als een vervulling van Jehovah’s profetie voordeden. (Vergelijk 1 Koningen 17:1; 18:1, 2, 41-45.) Doch in de meeste gevallen waren de gebeurtenissen op zich buitengewoon, hetzij wegens hun omvang of hun intensiteit (Ex. 9:24) of omdat ze zich op een ongewone, ongekende wijze of op een abnormale tijd voordeden. — Ex. 34:10; 1 Sam. 12:16-18.
Ook met betrekking tot mensen was dit het geval. De geboorte van een kind was iets normaals. Maar de geboorte van een kind wiens moeder haar leven lang onvruchtbaar was geweest en de leeftijd was gepasseerd waarop zij kinderen kon baren (zoals Sara), was iets buitengewoons (Gen. 18:10, 11; 21:1, 2), een bewijs van Gods tussenkomst. Ook de dood was een alledaags gebeuren. Wanneer die echter op een voorzegde tijd of op een tevoren aangekondigde wijze en door een anderszins onbekende oorzaak intrad, was ook dit iets buitengewoons en duidde op een goddelijk ingrijpen (1 Sam. 2:34; 2 Kon. 7:1, 2, 20; Jer. 28:16, 17). Door dit alles werd bewezen dat Jehovah de ware God is en dat de „natuurgoden” „waardeloze goden” zijn. — Ps. 96:5.
„CHRISTUS, DE KRACHT GODS EN DE WIJSHEID GODS”
Na de door een wonder bewerkte geboorte van Jezus openbaarde Gods kracht zich als nooit tevoren in en door Jezus. Evenals de psalmist werd hij „voor velen . . . net als een wonder” (Ps. 71:7). Jezus en zijn discipelen waren evenals Jesaja en zijn kinderen „tot tekenen en tot wonderen in Israël vanwege Jehovah der legerscharen” doordat zij op de toekomst wezen en Gods voornemen openbaarden (Jes. 8:18; Hebr. 2:13; vergelijk Lukas 2:10-14). In Jezus bereikte de kracht Gods die duizenden jaren werkzaam was geweest, nu haar doel of droeg vrucht. Terecht kon de apostel aangaande Jezus zeggen dat hij „de kracht Gods en de wijsheid Gods” was. — 1 Kor. 1:24.
Jezus bleek de langverwachte Messias te zijn, Jehovah’s Gezalfde, over wie was voorzegd dat hij er blijk van zou geven de ’geest van kracht’ te bezitten (Jes. 11:1-5). Er kon dan ook verwacht worden dat hij over een krachtig getuigenis dienaangaande zou beschikken (Micha 5:2-5; vergelijk Johannes 7:31). Reeds bij de geboorte van zijn Zoon uit een joodse maagd begon God getuigenis ten behoeve van zijn Zoon af te leggen (Luk. 1:35-37). Deze geboorte was niet louter een opzienbarende tentoonspreiding van goddelijke kracht, maar diende zeer duidelijk omschreven doeleinden. Hierdoor werd een volmaakt mens voortgebracht, een ’tweede Adam’, die de naam van zijn Vader kon heiligen en de smaad kon uitwissen die de eerste mensenzoon op deze naam had gebracht, ja, die Satans uitdaging als een leugen aan de kaak kon stellen. Bovendien zou de volmaakte Jezus een wettelijke basis verschaffen op grond waarvan de gehoorzame mensen uit de greep van koning zonde en koning dood verlost konden worden (1 Kor. 15:45-47; Hebr. 2:14, 15; Rom. 5:18-21; zie LOSPRIJS). Ook zou deze volmaakte nakomeling van David de erfgenaam van een eeuwig Koninkrijk zijn. — Luk. 1:31-33.
Jezus werd met Gods geest en Gods kracht gezalfd (Hand. 10:38). Als ’de profeet die groter was dan Mozes’ — over wie gezegd werd dat hij „krachtig in zijn woorden en daden” was — beschikte Jezus dan ook over indrukwekkender geloofsbrieven (Deut. 34:10-12; Hand. 7:22; Luk. 24:19; Joh. 6:14). Terecht gaf hij onderwijs „als iemand die autoriteit heeft” (Matth. 7:28, 29). Evenals God de Israëlieten redenen had verschaft om in Mozes, Jozua en anderen te geloven, zo voorzag hij nu in een deugdelijke basis om geloof te stellen in zijn Zoon (Matth. 11:2-6; Joh. 6:29). Jezus eiste geen eer voor zichzelf op, maar wees steeds op God als de Bron van zijn krachtige werken (Joh. 5:19, 26; 7:28, 29; 9:3, 4; 14:10). Oprechte personen erkenden „de majestueuze kracht van God”, die door bemiddeling van hem openbaar werd. — Luk. 9:43; 19:37; Joh. 3:2; 9:28-33; vergelijk Lukas 1:68; 7:16.
Voortekenen van toekomstige zegeningen
Wat Jezus deed, was een bewijs van Gods belangstelling voor de mensheid; het toonde aan wat God uiteindelijk voor allen die rechtvaardigheid liefhebben zou doen. Jezus’ krachtige werken hielden grotendeels verband met de problemen van de mensheid, waartoe in eerste instantie de zonde met al haar schadelijke gevolgen behoort. Ziekte en dood hangen nauw samen met de zonde, en Jezus’ vermogen om allerlei ziekten te genezen (Matth. 8:14, 15; Luk. 6:19; 17:11-14; 8:43-48) en zelfs doden op te wekken (Matth. 9:23-25; Luk. 7:14, 15; Joh. 11:39-44), was het bewijs dat hij er door God toe bestemd was de mensheid van zonde en de straf daarop te bevrijden. (Vergelijk Markus 2:5-12.) Als het „ware brood uit de hemel”, „het brood des levens”, was Jezus verre superieur aan het manna dat de Israëlieten in de wildernis hadden gegeten (Joh. 6:31-35, 48-51). Hij bracht geen letterlijk water uit een rots te voorschijn, maar verschafte „levend water”, het „water des levens”. — Joh. 7:37, 38; Openb. 22:17; vergelijk Johannes 4:13, 14.
Zijn krachtige werken waren ook „voortekenen” van andere zegeningen die door middel van zijn Koninkrijksheerschappij zouden komen. Terwijl Elisa met slechts 20 broden en wat koren 100 man had gevoed, gaf Jezus met veel minder duizenden te eten (2 Kon. 4:42-44; Matth. 14:19; 15:32). Mozes en Elisa hadden bitter of vergiftigd water zoet gemaakt. Jezus veranderde gewoon water in voortreffelijke wijn, om tot de vrolijke stemming van een bruiloftsfeest bij te dragen (Ex. 15:22-25; 2 Kon. 2:21, 22; Joh. 2:1-11). Onder zijn regering zal daarom beslist niemand honger hoeven te lijden; er zal ’voor alle volken een heerlijk feestmaal’ worden bereid (Jes. 25:6). Zijn vermogen om het werk van mensen zeer produktief te doen zijn, zoals dit bij een visvangst van zijn discipelen bleek, vormt een waarborg dat onder de zegen van zijn Koninkrijk niemand amper de kost zal kunnen verdienen en slechts met een bestaansminimum zal moeten rondkomen. — Luk. 5:4-9; vergelijk Johannes 21:3-7.
Nog belangrijker is dat al deze dingen verband hielden met geestelijke zaken. Terwijl Jezus geestelijk blinden, geestelijk stommen en geestelijk zieken genas, schonk hij ook een overvloed aan geestelijk voedsel en geestelijke drank en gaf hij de verzekering dat de bediening van zijn discipelen produktief zou zijn. (Vergelijk Lukas 5:10, 11; Johannes 6:35, 36.) Wanneer hij bij bepaalde gelegenheden door een wonder in de fysieke behoeften van de mensen voorzag, deed hij dit hoofdzakelijk om hun geloof te versterken. Zulke wonderen waren nooit het doel op zich. (Vergelijk Johannes 6:25-27.) Het Koninkrijk en Gods rechtvaardigheid moesten eerst worden gezocht, niet voedsel en drank (Matth. 6:31-33). Jezus gaf hierin een goed voorbeeld door te weigeren ten behoeve van zichzelf stenen in brood te veranderen. — Matth. 4:1-3.
Geestelijke bevrijding
Israël had grote krijgslieden gekend, maar Gods kracht die werkzaam was door bemiddeling van zijn Zoon was tegen grotere vijanden, niet slechts tegen menselijke soldaten gericht. Jezus was de Bevrijder (Luk. 1:69-74) die de weg tot vrijheid van de voornaamste veroorzakers van onderdrukking, namelijk Satan en zijn demonen, ontsloot (Hebr. 2:14, 15). Hij bevrijdde niet alleen persoonlijk velen die door demonen bezeten waren (Luk. 4:33-36), maar bewerkte door zijn krachtige woorden van waarheid ook dat de poorten tot vrijheid wijd opengingen voor degenen die de onderdrukkende lasten en de slavernij die de valse religie hun had opgelegd, wilden afwerpen (Matth. 23:4; Luk. 4:18; Joh. 8:31, 32). Doordat Jezus getrouw bleef en zijn rechtschapenheid bewaarde, overwon hij niet slechts een stad of een rijk, maar „de wereld”. — Joh. 14:30; 16:33.
De relatieve belangrijkheid van wonderdaden
Hoewel Jezus in eerste instantie de nadruk legde op de waarheden die hij verkondigde, wees hij echter ook op de relatieve belangrijkheid van zijn krachtige werken door er steeds de aandacht op te vestigen dat ze als een bekrachtiging dienden van zijn zending en boodschap. Ze waren vooral van belang omdat daardoor bepaalde profetieën werden vervuld (Joh. 5:36-39, 46, 47; 10:24-27, 31-38; 14:11; 20:27-29). Daarom kwam op degenen die deze werken zagen, een bijzondere mate van verantwoordelijkheid te rusten (Matth. 11:20-24; Joh. 15:24). Jezus was, zoals Petrus later (op Pinksteren) tot de scharen zei, „een man die door God in het openbaar aan u is getoond door middel van krachtige werken en wonderen en tekenen, welke God door bemiddeling van hem in uw midden heeft gedaan, zoals gij zelf weet” (Hand. 2:22). Door deze bewijzen van goddelijke kracht werd te kennen gegeven dat Gods koninkrijk ’onverwachts tot hen was gekomen’. — Matth. 12:28, 31, 32.
Doordat God zijn Zoon op zo’n veelbetekenende wijze gebruikte, werden „de overleggingen van vele harten blootgelegd” (Luk. 2:34, 35). De mensen zagen dat „de arm van Jehovah” werd geopenbaard, maar velen, ja, de meesten schreven aan datgene wat zij zagen een andere betekenis toe of lieten zich er door zelfzuchtige belangen van afhouden in overeenstemming met het „teken” te handelen (Joh. 12:37-43; 11:45-48). Velen wilden wel persoonlijk voordeel trekken van Gods kracht maar hongerden niet oprecht naar waarheid en rechtvaardigheid. Hun hart werd niet bewogen door het mededogen en de goedheid die het motief vormden voor veel van Jezus’ krachtige werken (vergelijk Lukas 1:78; Mattheüs 9:35, 36; 15:32-37; 20:34; Markus 1:40, 41; Lukas 7:11-15 met Lukas 14:1-4; Markus 3:1-6) en die het mededogen van zijn Vader weerspiegelden. — Mark. 5:18, 19.
Verantwoord gebruik van kracht
Jezus gebruikte zijn kracht steeds op een verantwoorde wijze, nooit alleen maar om te laten zien waartoe hij in staat was. De vervloeking van de onvruchtbare vijgeboom had klaarblijkelijk een zinnebeeldige betekenis (Mark. 11:12-14; vergelijk Mattheüs 7:19, 20; 21:42, 43; Lukas 13:6-9). Jezus wees Satans voorstellen om iets louter voor de show te doen, van de hand. Als hij over water liep, deed hij dit omdat hij naar een bepaalde plaats wilde gaan en hem op dat late uur geen vervoermiddel meer ter beschikking stond; dat was heel iets anders dan van de tempelkantelen te springen, wat voor hem zelfmoord had kunnen betekenen (Matth. 4:5-7; Mark. 6:45-50). De door verkeerde motieven ingegeven nieuwsgierigheid van Herodes werd niet bevredigd, aangezien Jezus weigerde een teken voor hem te verrichten (Luk. 23:8). Enige tijd voordien had Jezus geweigerd op verzoek van de Farizeeën en Sadduceeën een „teken uit de hemel” te veroorzaken, omdat zij zo’n teken klaarblijkelijk niet zochten om hun geloof in de vervulling van Gods Woord te versterken, maar om er niet in te hoeven geloven. Hun beweegreden was slecht. — Matth. 16:1-4; vergelijk 15:1-6; 22:23, 29.
Zo was het ook met betrekking tot Jezus’ activiteit in Nazareth, de stad waar hij zijn jeugd doorbracht en als jonge man had gewoond. Wegens het ongeloof van de inwoners verrichtte hij daar niet veel krachtige werken, doch stellig niet omdat zijn krachtbron ontoereikend was, maar omdat de omstandigheden het niet rechtvaardigden of het niet toelieten. Gods kracht moest niet aan onontvankelijke sceptici worden verspild (Mark. 6:1-6; vergelijk Mattheüs 10:14; Lukas 16:29-31). Dat het voor mensen niet absoluut noodzakelijk was eerst te geloven voordat Jezus wonderdaden zou verrichten, blijkt uit het feit dat Jezus het afgeslagen oor van de slaaf van de hogepriester genas, hoewel deze slaaf tot de schare behoorde die gekomen was om Jezus te arresteren. — Luk. 22:50, 51.
Dat Jezus Christus uit de doden werd opgewekt tot geestelijk leven, was het tot op die tijd grootste bewijs van Gods kracht. Zonder deze opstanding zou het christelijke geloof „vergeefs” zijn en zouden Christus’ volgelingen „van alle mensen het meest te beklagen” zijn (1 Kor. 15:12-19). Over deze daad werd door Jezus’ discipelen volledig eenstemmig verslag uitgebracht en ze is ook de belangrijkste factor ter versterking van het geloof. Toen Jezus op aarde was, vormde afstand voor hem geen belemmering om zijn kracht uit te oefenen (Matth. 8:5-13; Joh. 4:46-53), en vanuit zijn hemelse positie zalfde hij vervolgens op Pinksteren zijn volgelingen met Gods geest, waardoor zij in staat werden gesteld in zijn afwezigheid krachtige werken te verrichten. Op deze wijze bekrachtigde hij hun getuigenis omtrent zijn opstanding (Hand. 4:33; Hebr. 2:3, 4) en bevestigde hij eveneens dat zij Gods goedgekeurde volk, zijn gemeente, waren. — Hand. 2:1-4, 14-36, 43; 3:11-18.
Jehovah’s hand was door de dood van zijn Zoon als mens niet verkort, zoals werd bevestigd door de vele wonderen en tekenen die de apostelen en anderen verrichtten (Hand. 4:29, 30; 6:8; 14:3; 19:11, 12). Zij verrichtten soortgelijke krachtige werken als hun Meester, want zij genazen kreupelen (Hand. 3:1-9; 14:8-10) en zieken (Hand. 5:12-16; 28:7-9), wekten doden op (Hand. 9:36-41; 20:9-11) en wierpen demonen uit (Hand. 8:6, 7; 16:16-18). Zij deden dit zonder op hun eigen voordeel of eer uit te zijn (Hand. 3:12; 8:9-24; 13:15-17). Door bemiddeling van hen uitte God zijn oordelen over kwaaddoeners, zoals hij dit vroeger bij monde van de profeten had gedaan, en bewerkte zo dat hem en zijn vertegenwoordigers gepast respect werd betoond (Hand. 5:1-11; 13:8-12). Er werden hun nieuwe gaven verleend, zoals de gave om in vreemde talen te spreken en ze te vertalen. Dit diende eveneens een „nuttig doel”, want zij moesten het predikingswerk spoedig tot gebieden buiten Israël uitbreiden en Jehovah’s wonderwerken onder de natiën verkondigen. — 1 Kor. 12:4-11; Ps. 96:3, 7.