KOS.
De hoofdstad in het noordoostelijke deel van een gelijknamig eiland voor de zuidwestkust van Klein-Azië. Door zijn gunstige ligging werd Kos al vroeg een belangrijke handels- en havenstad.
Nadat Paulus zich had „losgerukt” van de opzieners uit Efeze, met wie hij in Milete had gesproken (Hand. 20:17, 36-38; 21:1), koerste het schip met hem en Lukas aan boord „rechtstreeks” — d.w.z. het zeilde zonder te laveren, voor de wind, die juist gunstig was — „naar Kos”, een reis die de opvarenden ongeveer 55 km langs de kust zuidwaarts voerde. Volgens ramingen van sommige commentators kon zo’n afstand bij de in de Egeïsche Zee heersende noordwestenwinden in ongeveer zes uur worden afgelegd, zodat het mogelijk was (zoals Lukas vermeldt) dat Paulus’ schip Kos nog op dezelfde dag bereikte als waarop het van Milete was vertrokken. Waarschijnlijk lag het schip de hele nacht voor de oostkust van Kos voor anker en kwam het „de volgende dag”, na ’s morgens voor de betrekkelijk korte reis van ca. 80 km in zee te zijn gestoken, op Rhodos aan.