Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 1572-1574
  • Vervolging

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Vervolging
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • GESCHIEDENIS
  • CHRISTENVERVOLGING
  • DE JUISTE INSTELLING TEN AANZIEN VAN VERVOLGING
  • Vervolging
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
  • Christenen moeten vervolging verwachten
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1966
  • Gelukkig bent u wanneer men u vervolgt
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1971
  • Christenen bieden met volharding het hoofd aan vervolging
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1983
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 1572-1574

VERVOLGING.

Het Hebreeuwse woord voor vervolgen is ra·dhafʹ en het Griekse woord is di·oʹko; beide woorden betekenen „achtervolgen, najagen, vervolgen”. Meer in het bijzonder kan vervolging worden gedefinieerd als het opzettelijk lastig vallen van of schade berokkenen aan een persoon op grond van zijn maatschappelijke positie, ras of religieuze overtuiging en geloofsopvattingen, waarbij het er in het laatste geval om gaat zulke geloofsopvattingen uit te roeien en de verbreiding ervan onder nieuwe bekeerlingen te verhinderen.

Vervolging kan verschillende vormen aannemen. Ze kan zich tot beschimping, spot of beledigingen beperken (2 Kron. 36:16; Hand. 19:9), of ze kan economische druk (Openb. 13:16, 17), het toebrengen van lichamelijk letsel (Matth. 27:29, 30; Hand. 5:40), opsluiting in de gevangenis (Luk. 21:12; Hand. 16:22-24), haat en zelfs de dood omvatten (Matth. 24:9; Hand. 12:2). Vervolging kan op aanstichting van religieuze autoriteiten plaatsvinden (Mark. 3:6; Hand. 24:1, 27), of veroorzaakt worden door mensen die uit onkunde (Gen. 21:8, 9; Gal. 4:29) en onwetendheid handelen (1 Tim. 1:13), of door een onredelijk, fanatiek gepeupel (Luk. 4:28, 29; Hand. 14:19; 17:5). Maar vaak zijn deze mensen slechts de werktuigen van machtiger en boosaardiger aanstichters — onzichtbare goddeloze geestenkrachten. — Ef. 6:11, 12.

In de eerste profetie voorzei Jehovah God dat er vijandschap zou zijn tussen de „slang” en de „vrouw” en tussen hun respectieve ’zaden’ (Gen. 3:15). De bijbel als geheel legt getuigenis af van de vervulling van deze profetie. Jezus identificeerde de slang duidelijk als Satan de Duivel en zei terzelfder tijd tot degenen die hem vervolgden, dat zij ’uit hun vader de Duivel’ en dus een deel van diens „zaad” waren (Joh. 8:37-59). Uit het boek Openbaring blijkt dat deze vervolging voortduurt tot het moment waarop Christus zijn regeringsmacht opneemt en ook nog enige tijd daarna, want wanneer Satan en zijn engelen naar de aarde worden neergeworpen, gaat de draak ertoe over ’de vrouw te vervolgen en oorlog te voeren tegen de overgeblevenen van haar zaad, die God gehoorzamen en getuigenis afleggen omtrent Jezus’. — Openb. 12:7-17.

GESCHIEDENIS

Volgens Jezus’ woorden gaat de geschiedenis van religieuze vervolging helemaal terug tot Adams zoon Kaïn (Gen. 4:3-8; Matth. 23:34, 35). Kaïn doodde zijn broer Abel op aanstichting van „de goddeloze”, Satan de Duivel (1 Joh. 3:12). De kwestie waar het bij Abels dood om draaide, was de getrouwe aanbidding van Jehovah (Hebr. 11:4). Job, een man Gods, wiens naam „voorwerp van vijandschap” betekent, werd mettertijd het doelwit van een door Satan veroorzaakte goddeloze vervolging. Jobs vrouw en zijn drie vrienden waren bewust of onbewust slechts werktuigen waarvan deze aartsvijand van God en de mens zich bediende. — Job 1:8–2:9; 19:22, 28.

Van tijd tot tijd brachten heersers van Juda en Israël veel lijden over mannen die God op een speciale wijze vertegenwoordigden. Koning Saul maakte bijvoorbeeld David (’de man aangenaam naar Gods hart’ [Hand. 13:22]) tot het voornaamste doelwit van zijn haat (1 Sam. 20:31-33; 23:15, 26; Ps. 142:6). Tijdens de regering van Achab en Izebel moesten vele profeten van Jehovah vluchten en zich verborgen houden, anders werden zij gedood (1 Kon. 18:13, 14; 19:10). Koning Manasse vergoot „zeer veel” onschuldig bloed (2 Kon. 21:16). Koning Jojakim doodde Uria, „een man . . . die profeteerde in de naam van Jehovah” (Jer. 26:20-23). Jeremia werd door regeringsfunctionarissen hevig vervolgd (Jer. 15:15; 17:18; 20:11; 37:15, 16; 38:4-6). Wegens de ontrouw van zijn volk Israël liet Jehovah soms toe dat andere natiën hen vervolgden, ja, zelfs in gevangenschap voerden. — Deut. 30:7; Klaagl. 1:3.

In andere gevallen brak er door het uitvaardigen van regeringsverordeningen hevige vervolging uit over degenen die hun rechtschapenheid jegens Jehovah bewaarden, zoals toen de drie Hebreeën in de vurige oven werden geworpen, en toen men Daniël voor de leeuwen wierp (Dan. 3:13-20; 6:4-17). Tijdens de regering van de Perzische koning Ahasveros werden de joden in het algemeen en Mordechai in het bijzonder, op aanstichting van de goddeloze Agagiet Haman aan bedreiging en vervolging blootgesteld. — Esth. 3:1-12; 5:14.

Vervolging kan ook van de zijde van vroegere metgezellen (1 Petr. 4:4) of vrienden en buren komen (Jer. 1:1; 11:21). Jezus zei dat naaste bloedverwanten, ja, de eigen huisgenoten, soms fanatieke vervolgers zouden worden van degenen die geloof in hem stellen. — Matth. 10:21, 35, 36.

De voornaamste menselijke aanstichters van religieuze vervolging waren echter de promotors van valse religie. Dit was zo in het geval van Jeremia (Jer. 26:11). Het was ook de ervaring van de apostel Paulus (Hand. 13:6-8; 19:23-29). In het geval van Jezus lezen wij: „De overpriesters en de Farizeeën riepen daarop het Sanhedrin bijeen en . . . Kajafas, die dat jaar hogepriester was, zei tot hen: ’. . . gij overweegt niet dat het in uw belang is dat één mens sterft ten behoeve van het volk en niet de gehele natie wordt vernietigd.’ . . . Van die dag af dan beraadslaagden zij om hem [Jezus] te doden” (Joh. 11:47-53). Voordat Jezus Christus ten slotte aan de martelpaal stierf, werd hij door goddeloze mannen — ondersteuners van de religieuze leiders die hem uit de weg wilden ruimen — op andere manieren hevig vervolgd. — Matth. 26:67; 27:1, 2, 26-31, 38-44.

CHRISTENVERVOLGING

Met de dood van Jezus kwam er geen einde aan de vervolging van getrouwe dienstknechten van Jehovah. Gods Zoon voorzei zelfs dat ze zou voortduren (Matth. 10:22, 23; 23:34, 35; Joh. 15:20; 16:2). En dit bleek ook zo te zijn. Kort na Pinksteren in 33 G.T. kwam het tot arrestaties, bedreigingen en geselingen (Hand. 4:1-3, 21; 5:17, 18). Vervolgens werd Stefanus gegrepen en doodgestenigd (Hand. 7:52-60; zie ook Hebreeën 11:36, 37). Na de moord op Stefanus brak er een zware vervolging los, waarover Saulus van Tarsis deels de leiding had. Dit had tot gevolg dat de gemeente van Jeruzalem overal heen werd verstrooid, waardoor de prediking van het goede nieuws zich echter uitbreidde (Hand. 8:1-4; 9:1, 2). Later liet Herodes Agrippa I Jakobus, de broer van Johannes, met het zwaard ter dood brengen, en waarschijnlijk zou hij hetzelfde met Petrus hebben gedaan als niet de engel van Jehovah de apostel door een wonder midden in de nacht had bevrijd. — Hand. 12:1-11.

Door zijn bekering tot het christendom werd de vervolger Saulus de vervolgde Paulus, en zoals hij zelf zegt, was dit te danken aan Jehovah’s onverdiende goedheid. Dit gebeurde toen hij uiteindelijk tot het besef kwam dat hij tegen de Heer zelf streed (Hand. 9:4, 5; 22:4, 7, 8; 26:11, 14, 15; 1 Kor. 15:9; Gal. 1:13, 23; Fil. 3:6). Uit het verslag over zijn daaropvolgende bediening en reizen vernemen wij dat Paulus op zijn beurt hevig vervolgd werd door de vijanden van het christendom. — Hand. 13:50; 2 Kor. 6:3-5; 11:23-25; Gal. 5:11; 2 Tim. 3:10, 11.

Van de christenvervolging door de gezagdragers van het Romeinse Rijk vanaf de dagen van Nero en daarna wordt in de wereldlijke geschiedenis melding gemaakt. De aanklachten varieerden, maar het doel schijnt altijd hetzelfde te zijn geweest, namelijk de onderdrukking van het christendom.

DE JUISTE INSTELLING TEN AANZIEN VAN VERVOLGING

Wie zich als een christen aan Gods geboden houdt, kan onmogelijk aan vervolging ontkomen, want „allen die met godvruchtige toewijding in vereniging met Christus Jezus wensen te leven, zullen ook vervolgd worden” (2 Tim. 3:12). Toch zijn ware christenen in staat elke vorm van goddeloze vervolging te verduren zonder hun vreugde te verliezen en zonder een wrok of haat jegens de vervolgers te koesteren. Dit komt doordat zij de bij de vervolging betrokken strijdpunten begrijpen, want zij weten uit welke bron de vervolging afkomstig is en waarom ze wordt toegelaten. In plaats van verwonderd of verontrust te zijn over zulke ervaringen, verheugen zij zich erover met Christus deel te hebben aan de beproeving op loyaliteit onder vervolging. — 1 Petr. 4:12-14.

Een christen moet er echter zeker van zijn dat hij werkelijk ter wille van een rechtvaardige zaak lijdt. Het bijbelse verslag en de bijbelse voorbeelden geven te kennen dat noch inmenging in politieke aangelegenheden noch het smeden van komplotten noch welke criminele activiteiten maar ook, er de oorzaak van mogen zijn dat iemand vervolgd wordt. De apostel Petrus legt hier vooral de nadruk op door erop aan te dringen: „Bewaart een voortreffelijk gedrag onder de natiën, opdat zij in datgene waarin zij ten nadele van u spreken als over boosdoeners, ten gevolge van uw voortreffelijke werken, waarvan zij ooggetuigen zijn, God mogen verheerlijken op zijn inspectiedag” (1 Petr. 2:11, 12). Vervolgens geeft hij de raad onderworpen te zijn aan regeringsfunctionarissen, aan slaveneigenaars en aan echtgenoten, waarbij hij Christus Jezus aanhaalt als het model dat nagevolgd moet worden (1 Petr. 2:13-25; 3:1-6). Een christen kan gelukkig zijn wanneer hij ter wille van rechtvaardigheid lijdt (3:13, 14), maar hij dient nooit te lijden „als een moordenaar of een dief of een boosdoener of als iemand die zich met andermans zaken bemoeit”. — 1 Petr. 4:15, 16.

Christenen hebben ook waardering voor de prijs die is weggelegd voor degenen die volharden. Jezus zei over deze beloning: „Gelukkig zijn zij die ter wille van de rechtvaardigheid zijn vervolgd, want hun behoort het koninkrijk der hemelen toe” (Matth. 5:10). De instelling van een christen is dus belangrijk als hij onder de druk van tegenstand getrouw wil blijven. — Fil. 2:5-8; Hebr. 12:2; zie ook 2 Korinthiërs 12:10; 2 Thessalonicenzen 1:4; 1 Petrus 2:21-23.

De instelling van een christen tegenover de vervolgers zelf speelt ook een belangrijke rol. Wie zijn vijanden liefheeft en zijn tegenstanders zegent, is beter in staat te volharden (Matth. 5:44; Rom. 12:14; 1 Kor. 4:12, 13). Bovendien weet een christen dat iemand die huis en bloedverwanten heeft verlaten ter wille van het koninkrijk des hemels, het honderdvoudige zal ontvangen, maar „mèt vervolgingen” (Mark. 10:29, 30). Het is waar dat niet iedereen die het goede nieuws van het Koninkrijk hoort, onder de hitte van vervolging zal volharden; sommigen zullen wellicht proberen de strijdpunten te omzeilen om moeilijkheden te vermijden (Matth. 13:21; Gal. 6:12). Maar het is beter zich op Jehovah’s kracht te verlaten en hem net als David te bidden of men bevrijd mag worden van de vervolgers, in het besef dat hij zijn dienstknechten niet in de steek laat. Dan zullen wij met de apostel kunnen zeggen: „Wij [komen] volledig als overwinnaars uit de strijd te voorschijn door bemiddeling van hem die ons heeft liefgehad.” — Ps. 7:1; 2 Kor. 4:9, 10; Rom. 8:35-37.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen