OFIR
(O̱fir).
Een plaats die vermaard was om het fijnste goud. Derhalve werden reeds in de tijd van Job (ca. 1600 v.G.T.) de uitdrukkingen „edel metaal in het stof” en „zuiver goud” met de uitdrukking „goud van Ofir” of „goud uit Ofir” op één lijn gesteld (Job 22:24; 28:15, 16). In Psalm 45:9 wordt de gemalin als getooid in kostbaar goud van Ofir afgebeeld, en in Jesaja 13:11, 12 wordt in de formele uitspraak tegen Babylon het relatief zeldzaam voorkomende goud van Ofir gebruikt om te symboliseren dat er in Babylon na zijn val nog maar weinig tirannen zouden zijn.
David schonk 3000 talenten goud uit Ofir voor de bouw van de tempel (1 Kron. 29:1, 2, 4). Later haalde de handelsvloot van Davids zoon Salomo geregeld 420 talenten goud uit Ofir (1 Kon. 9:26-28). Het parallelle verslag in 2 Kronieken 8:18 spreekt over 450 talenten. Waarschijnlijk zijn beide getallen juist; de 450 talenten vormden de bruto-opbrengst, terwijl de 420 talenten de nettowaarde vertegenwoordigden.
In 1946 werd het bijbelse verslag over het importeren van goud uit Ofir bevestigd toen in het N.O. van Tel Aviv een potscherf werd gevonden met de volgende inscriptie: „Goud uit Ofir voor Beth-Horon, 30 sikkelen.”
LIGGING
De precieze ligging van Ofir kan thans niet met zekerheid worden vastgesteld. Uit de verschillende mogelijkheden heeft men voornamelijk voor de volgende drie gekozen: India, Arabië en Noordoost-Afrika, aangezien al deze gebieden binnen het bereik lagen van een vloot die van Ezeon-Geber, dat aan het einde van de noordoostelijke arm van de Rode Zee lag, kon uitvaren.
De meest gangbare opvatting is dat Ofir een gebied in Zuidwest-Arabië in de omgeving van het huidige Jemen was. Deze zienswijze is gebaseerd op de vooronderstelling dat de nakomelingen van Joktans zoon Ofir zich samen met de nakomelingen van Scheba en Havila, de broers van Ofir, op het Arabische schiereiland vestigden (Gen. 10:28, 29). Het verslag over het bezoek van de koningin van Scheba (vermoedelijk uit Zuid-Arabië) verschijnt tussen de twee passages waarin vermeld wordt dat koning Salomo handelsbetrekkingen onderhield met Ofir. — 1 Kon. 9:26–10:11.