Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 1116-1118
  • Natuur

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Natuur
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • MENSEN EN DIEREN
  • GODDELIJKE NATUUR
  • AANGEBOREN NATUUR
  • GEWETEN
  • NATUURLIJK GEBRUIK VAN HET LICHAAM
  • GEBOORTE
  • Natuur
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
  • ’O de diepte van Gods wijsheid!’
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2011
  • Olijfboom
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • De olijfboom — Letterlijk en symbolisch
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1959
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 1116-1118

NATUUR

[Grieks: fuʹsis, natuur, aard, oorsprong, geboorte; of: de ordelijke wetmatigheid van dingen of van natuurlijke processen; van het werkwoord fuʹo, produceren, voortbrengen, (doen) groeien].

Over het algemeen geven vertalers de woorden fuʹsis en fuʹsi·kos (het bijvoeglijk naamwoord) met respectievelijk „natuur” en „natuurlijk” weer.

MENSEN EN DIEREN

Dat de mens een andere natuur of aard heeft dan wilde dieren, en dat zelfs niet alle in het wild levende dieren een zelfde natuur bezitten, blijkt uit wat er in Jakobus 3:7 wordt gezegd: „Want elke diersoort [Grieks: fuʹsis, natuur], zowel wilde beesten als vogels en kruipende dieren en zeedieren, kan door het menselijk geslacht [fuʹsei tei an·throʹpi·nei, natuur die de mens toebehoort] getemd worden en is al getemd.” Dit onderscheid met betrekking tot „natuur, aard, oorsprong, geboorte” onthult de verscheidenheid die in Gods schepping wordt aangetroffen en die in stand wordt gehouden door de goddelijke wet die bepaalt dat elke soort zijn eigen soort voortbrengt. — Gen. 1:20-28; vergelijk 1 Korinthiërs 15:39.

GODDELIJKE NATUUR

Ook Gods geestelijke schepselen in de hemel bezitten een andere natuur. De apostel Petrus spreekt tot zijn medechristenen, geestelijke broeders van Jezus Christus, over „de kostbare en zeer grootse beloften . . ., opdat gij daardoor deelhebbers aan de goddelijke natuur [fuʹse·os] moogt worden” (2 Petr. 1:4). Dat hiermee hemels leven wordt bedoeld, toont Petrus in zijn eerste brief als volgt aan: „God . . . heeft . . . ons door middel van de opstanding van Jezus Christus uit de doden een nieuwe geboorte gegeven [a·na·gen·neʹsas heʹmas, ons . . . opnieuw verwekt hebbend] tot een levende hoop . . . Ze is in de hemelen weggelegd voor u” (1 Petr. 1:3, 4). De „goddelijke natuur” maakt dus een nieuwe geʹne·sis, een nieuwe geboorte, een door middel van de dood en de opstanding teweeggebrachte verandering van natuur noodzakelijk, zoals de apostel Paulus in 1 Korinthiërs hoofdstuk 15 duidelijk maakt. Hij legt uit dat een christen moet sterven (vs. 36) en met een ander lichaam, een geestelijk lichaam, moet worden opgewekt (vs. 38, 44, 49), hetgeen een verandering vereist (vs. 51).

Aangezien de uitdrukking „natuur” de grondgedachte inhoudt van iets wat een oorsprong heeft, geboren of voortgebracht wordt of groeit, zou het onjuist zijn deze uitdrukking toe te passen op God, die geen begin heeft noch geboren is; ze heeft veeleer betrekking op degenen die door God in de hemel of op aarde geschapen zijn, of die door middel van het door hem ingestelde proces op aarde geboren worden.

AANGEBOREN NATUUR

Paulus zegt over zijn landgenoten, de joden, dat zij „van nature joden” zijn, d.w.z. geboren uit joodse ouders, uit de kinderen van Israël of Jakob. — Gal. 2:15.

In de illustratie van de olijfboom noemt hij de vleselijke joden de natuurlijke (kaʹta fuʹsin, „overeenkomstig de natuur”) takken van de gekweekte olijfboom. Tot de heidense christenen zegt hij: „Want indien gij uit de van nature wilde olijfboom werdt weggesneden en tegen de natuur in op de gekweekte olijfboom werdt geënt, hoeveel te meer zullen dan dezen, die natuurlijke takken zijn, op hun eigen olijfboom worden geënt!” (Rom. 11:21-24) De wilde olijfboom is onvruchtbaar of brengt zeer minderwaardige vruchten voort, maar in de landen rondom de Middellandse Zee is het algemeen gebruikelijk takken van gekweekte olijfbomen op een wilde olijfboom te enten opdat deze goede vruchten voortbrengt. Maar indien de tak van een wilde olijfboom op een gekweekte boom wordt geënt, brengt die boom slechts de kwalitatief slechte vruchten van de wilde olijfboom voort. Daarom noemt Paulus deze laatste wijze van enten „tegen de natuur in”. Hierdoor doet hij Gods kracht goed uitkomen alsook de onverdiende goedheid die God jegens de heidenen betoonde door hen te „enten” om „natuurlijke takken” te vervangen. De joden waren eeuwenlang door Jehovah als een „gekweekte olijfboom” gecultiveerd; de heidenen daarentegen waren als een „wilde” boom, d.w.z. zij bezaten de ware religie niet en brachten geen vruchten voor God voort. Niet op natuurlijke wijze, maar uitsluitend door Gods kracht kon bereikt worden dat zij voortreffelijke vruchten voortbrachten. Daarom kon alleen Jehovah met deze wijze van „enten” succes boeken.

GEWETEN

Bepaalde eigenschappen of hoedanigheden zijn de mensheid aangeboren, aangezien ze vanaf het begin in de mens zijn gelegd. Volgens dat wat de apostel Paulus zegt, heeft de gevallen mens nog steeds een geweten, of althans wat daarvan is overgebleven, ook al is hij vaak van God afgedwaald en zonder Zijn wet geweest. Dit verklaart waarom alle natiën vele wetten hebben opgesteld die in overeenstemming zijn met rechtvaardigheid en gerechtigheid en waarom velen zich aan bepaalde goede beginselen houden. — Rom. 2:14, 15.

Toen Paulus met de gemeente in Korinthe het gezagsbeginsel besprak, vestigde hij de aandacht op de regel dat een vrouw wanneer zij ten aanhoren van de gemeente bidt of profeteert, als teken van onderworpenheid een hoofdbedekking dient te dragen. Ter illustratie zegt hij: „Leert de natuur zelf u niet dat indien een man lang haar heeft, dit hem tot oneer strekt, maar indien een vrouw lang haar heeft, het haar tot heerlijkheid strekt? Want het haar is haar gegeven in plaats van een hoofdbedekking.” — 1 Kor. 11:14, 15.

De bijbelgeleerde Albert Barnes merkt over Paulus’ gebruik van het woord „natuur” in deze passage op: „Het woord natuur . . . duidt kennelijk op het gevoel van fatsoen dat alle mensen bezitten en dat tot uitdrukking komt in elk overheersende of algemene gebruik. . . . Het is datgene wat wordt ingegeven door het natuurlijke welvoeglijkheidsgevoel der mensen. . . . Het woord betekent hier derhalve niet de wijze waarop de seksen zijn gemaakt, . . . noch duidt het eenvoudig op gewoonte of gebruik, . . . maar het heeft betrekking op een diep innerlijk gevoel van wat gepast en juist is” (Notes on the First Epistle of Paul to the Corinthians [1851], blz. 225, 226). Ook dr. A. T. Robertson zegt: „Het duidt hier niet louter op het zich laten leiden door wat gebruikelijk is, maar op een aangeboren gevoel van fatsoen (vgl. Rom. 2:14), maar dan een gevoel dat berust op het concrete verschil dat er bestaat met betrekking tot de wijze waarop de dingen zijn gemaakt.” — Word Pictures in the New Testament (1931), blz. 162.

Die christenen in Korinthe waren zich ervan bewust dat het de algemene gewoonte voor mannen was het haar tamelijk kort te knippen. Dat gold in het algemeen ook voor joodse mannen, want lang, ongeknipt haar was het herkenningsteken van een nazireeër, die een speciale gelofte jegens God had afgelegd om gedurende zijn nazireeërschap het haar te laten groeien. — Num. 6:5.

De joodse vrouwen daarentegen droegen hun haar gewoonlijk flink lang (Luk. 7:38; Joh. 11:2). En het kaalgeschoren hoofd of heel kortgeknipte haar van een vrouw was in de Griekse stad Korinthe een teken dat zij een slavin was of een te schande gemaakte vrouw omdat zij betrapt was op hoererij of overspel. — 1 Kor. 11:6.

Dat Paulus met het door hem gebezigde woord „natuur” (fuʹsis) in de tekst die wij hier beschouwen niet slechts „gebruik” bedoelde, blijkt uit vers 16, waar hij met betrekking tot het dragen van een hoofdbedekking door de vrouw zegt: „Indien iemand echter ten gunste van een ander gebruik [su·ne·theiʹan] schijnt te redetwisten: wij hebben geen ander en de gemeenten van God evenmin.”

Wanneer Paulus zegt: „Leert de natuur zelf u niet . . .?”, personifieert hij de natuur niet, alsof ze een godin was. Integendeel, God heeft de natuurlijke dingen of de natuur geschapen, voortgebracht of geproduceerd. Hij heeft de mens het verstand gegeven. Wanneer de mens de door God gemaakte en door hem geordende dingen observeert en erover nadenkt, komt hij veel te weten met betrekking tot dat wat betamelijk is. Hij wordt feitelijk door God onderwezen, en wanneer hij zijn verstand door Gods Woord in de juiste richting laat leiden, kan hij de dingen in hun juiste perspectief en verhouding zien en daardoor vaststellen wat natuurlijk en wat tegennatuurlijk is (Rom. 1:20). Aldus kan hij in dit opzicht een geoefend geweten hebben en vermijden dat zijn geweten verontreinigd raakt en tegennatuurlijke dingen goedkeurt. — Tit. 1:15; 1 Kor. 8:7.

NATUURLIJK GEBRUIK VAN HET LICHAAM

Het is verkeerd wanneer mannen en vrouwen hun lichaam gebruiken op een manier die niet in harmonie is met de functies waarvoor God ze heeft geschapen. Wat in die zin tegennatuurlijk is, is zondig. Met de volgende woorden beschrijft de Schrift de onreine toestand waarin degenen geraken die deze dingen beoefenen en de veroordeling die over hen komt: „Daarom heeft God hen overgegeven aan schandelijke seksuele begeerten, want ook hun vrouwen hebben het natuurlijke [fuʹsi·ken] gebruik van zichzelf verruild voor een tegennatuurlijk gebruik; en evenzo hebben ook de mannen het natuurlijke gebruik van de vrouw laten varen en zijn zeer verhit geworden in hun wellust jegens elkaar, mannen met mannen, ontucht plegend en in zichzelf de volledige vergelding ontvangend die hun voor hun dwaling toekwam.” Zulke personen verlagen zich tot een dierlijk peil (Rom. 1:26, 27; 2 Petr. 2:12). Zij gaan verkeerde vleselijke dingen achterna omdat zij, net als de dieren, redeloos, niet geestelijk gezind, zijn. — Jud. 7, 10.

GEBOORTE

Een ander Grieks woord dat dikwijls met „natuurlijk” wordt vertaald en dat eveneens „geboorte” of „oorsprong” betekent, is geʹne·sis. Jakobus spreekt van „een man die zijn natuurlijke aangezicht [letterlijk: „het aangezicht van zijn geboorte”] in een spiegel bekijkt” (Jak. 1:23). Jakobus zegt ook dat ’de tong een vuur is’, en dat ze „het rad van het natuurlijke leven [letterlijk: „het geboorterad”] in vlam” zet (Jak. 3:5, 6). Blijkbaar doelt Jakobus hier op een wagenrad, dat door zijn heetgelopen as in brand gezet wordt en derhalve een illustratie is van de wijze waarop de tong de hele levensloop waarin iemand door zijn geboorte terechtkomt, in vlam zet.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen