NATIËN.
In ruime en algemene zin verstaat men onder een natie alle mensen die een zelfde afstamming hebben en dezelfde taal spreken. Zo’n nationale groep bewoont gewoonlijk een bepaald geografisch gebied en is onderworpen aan de een of andere vorm van centraal regeringsbestuur. In de Schrift heeft de uitdrukking gewoonlijk betrekking op heidense natiën.
OORSPRONG
In de periode na de Vloed wordt er in verband met de bouw van de toren van Babel voor het eerst melding van gemaakt dat er zich afzonderlijke natiën vormden. Degenen die aan dit project deelnamen, waren eensgezind gekant tegen Gods voornemen. De voornaamste factor waardoor hun eensgezinde actie werd vergemakkelijkt, was dat „de gehele aarde . . . nog steeds één taal en één woordenschat” had (Gen. 11:1-4). Jehovah nam hier nota van, en door hun taal te verwarren, „verstrooide [hij] hen vandaar over de gehele oppervlakte der aarde”. — Gen. 11:5-9.
Nu communicatiebarrières een scheiding hadden gebracht, ontwikkelde elke taalgroep haar eigen cultuur, kunst, gebruiken, kenmerken en religie, ja, had elke groep zo haar eigen manier van doen (Lev. 18:3). Daar de diverse volken zich van God vervreemd hadden, maakten ze van hun mythische godheden vele afgodsbeelden. — Deut. 12:30; 2 Kon. 17:29, 33.
Er waren drie grote takken van deze natiën, die van de zonen en kleinzonen van Noachs zonen Jafeth, Cham en Sem afstamden. Deze zonen werden als de grondleggers beschouwd van de respectieve natiën die naar hun namen waren genoemd. De lijst in Genesis hoofdstuk 10 kan derhalve als de oudste natiëntabel (in totaal worden 70 natiën opgesomd) worden aangeduid. Veertien waren Jafethitisch, 30 Hamitisch en 26 Semitisch van oorsprong. — Gen. 10:1-8, 13-32; 1 Kron. 1:4-25.
In de loop des tijds deden zich natuurlijk vele veranderingen voor. Sommige natiën gingen in hun naburen op of verdwenen tengevolge van zwakte, ziekte en oorlog helemaal van het wereldtoneel; door volksverhuizingen en bevolkingstoename ontstonden nieuwe natiën. Onder bepaalde groepen ontwikkelde zich soms een heel sterk nationaliteitsgevoel, en dit, te zamen met succesvolle militaire veldtochten, gaf ambitieuze mannen de nodige stuwkracht om ten koste van zwakkere natiën een wereldrijk op te bouwen.
EEN VADER VAN NATIËN
God gebood Abram om Ur te verlaten en naar een land te trekken dat hij hem zou tonen, want, zo zei God: „Ik zal u tot een grote natie maken” (Gen. 12:1-4). Later breidde God zijn belofte uit door te zeggen: „Gij zult stellig een vader van een menigte natiën worden. . . . En ik wil u zeer, zeer vruchtbaar maken en wil u tot natiën doen worden, en koningen zullen uit u voortkomen” (Gen. 17:1-6). Deze belofte werd vervuld. Abrahams zoon Ismaël werd de vader van „twaalf oversten naar hun clans” (Gen. 25:13-16; 17:20; 21:13, 18), en daar Abraham bij Ketura zes zonen had, konden nog andere natiën hun geslachtslijn tot hem terugvoeren (Gen. 25:1-4; 1 Kron. 1:28-33; Rom. 4:16-18). Van Abrahams zoon Isaäk stamden de Israëlieten en de Edomieten af (Gen. 25:21-26). In een veel grotere, geestelijke betekenis werd Abraham „een vader van vele natiën”, want personen uit vele nationale groepen, met inbegrip van de christelijke gemeente in Rome, konden op grond van hun geloof en gehoorzaamheid Abraham hun vader noemen; hij is namelijk „de vader . . . van allen die geloof hebben”. — Rom. 4:11, 16-18; zie ISRAËL nr. 2.
DE NIEUWE NATIE VAN HET GEESTELIJKE ISRAËL
Eeuwenlang handelde Jehovah God exclusief met het natuurlijke Israël; steeds weer zond hij zijn profeten tot de natie om de mensen ertoe te brengen zich van hun eigenzinnige loopbaan af te keren. Ten slotte zond hij zijn Zoon, Christus Jezus, maar de meerderheid verwierp hem. Daarom zei Jezus tot de ongelovige overpriesters en Farizeeën: „Het koninkrijk Gods zal van u worden weggenomen en aan een natie worden gegeven die de vruchten daarvan voortbrengt.” — Matth. 21:33-43.
De apostel Petrus maakte duidelijk dat die „natie” was samengesteld uit personen die Christus Jezus hadden aanvaard (1 Petr. 2:4-10). Ja, Petrus paste zelfs dezelfde woorden die tot het natuurlijke Israël waren gericht, op zijn medechristenen toe: „Gij zijt ’een uitverkoren geslacht, een koninklijke priesterschap, een heilige natie, een volk tot een speciaal bezit’” (1 Petr. 2:9; vergelijk Exodus 19:5, 6). Zij allen erkenden God als regeerder en zijn Zoon als Heer en Christus (Hand. 2:34, 35; 5:32). Zij bezaten het hemelse burgerschap (Fil. 3:20) en waren verzegeld met de heilige geest, die een van tevoren gegeven onderpand van hun hemelse erfenis was (2 Kor. 1:22; 5:5; Ef. 1:13, 14). Terwijl het natuurlijke Israël tot een natie werd gemaakt toen het Wetsverbond in werking trad, kwam de „heilige natie” van door de geest verwekte christenen tot bestaan toen zij in het nieuwe verbond werden opgenomen (Ex. 19:5; Hebr. 8:6-13). Om deze redenen was het uiterst passend dat zij een „heilige natie” werden genoemd.
Toen op Pinksteren van het jaar 33 G.T. Gods geest voor de eerste maal op ongeveer 120 discipelen van Jezus Christus (allen natuurlijke joden) werd uitgestort, trad duidelijk aan het licht dat God met een nieuwe geestelijke natie handelde (Hand. 1:4, 5, 15; 2:1-4; vergelijk Efeziërs 1:13, 14). Later, te beginnen in het jaar 36 G.T., konden ook onbesneden heidenen leden van de nieuwe natie worden en eveneens Gods geest ontvangen. — Hand. 10:24-48; Ef. 2:11-20.