MICHAL
(Mi̱chal) [misschien: wie is gelijk God?].
Koning Sauls jongste dochter, die de vrouw van David werd. Saul had zijn oudste dochter Merab aan David tot vrouw beloofd, maar vervolgens gaf Saul haar aan een andere man. Michal was echter „verliefd op David”, en Saul beloofde hem haar tot vrouw te geven indien hij de voorhuiden van 100 Filistijnen zou kunnen verschaffen. Saul dacht echter dat David bij diens poging zo veel vijandelijke krijgslieden te doden, zelf gedood zou worden. David nam de uitdaging aan en bracht Saul 200 voorhuiden van de Filistijnen, waarop hem Michal tot vrouw werd gegeven. Maar daarna „koesterde Saul nog meer vrees wegens David, en Saul werd voorgoed een vijand van David” (1 Sam. 14:49; 18:17-29). Toen later de haat van Saul tegenover David een hoogtepunt bereikte, hielp Michal David de toorn van de koning te ontvluchten. Gedurende de lange afwezigheid van David gaf Saul Michal aan Palti, de zoon van Laïs uit Gallim, tot vrouw. — 1 Sam. 19:11-17; 25:44.
Toen Abner later een verbond met David wilde sluiten, weigerde David hem te zien tenzij hij Michal meebracht. David bracht via boden zijn eis aan Sauls zoon Isboseth over, en Michal werd van haar man Paltiël (Palti) weggehaald en aan David teruggegeven. — 2 Sam. 3:12-16.
WEGENS ONEERBIEDIGHEID TEGENOVER DAVID GESTRAFT
Toen David koning was en de ark van het verbond naar Jeruzalem liet brengen en daarbij zijn vreugde voor Jehovah’s aanbidding tot uitdrukking bracht door ’met een linnen efod omgord’ uitbundig te dansen, sloeg Michal hem vanuit een venster gade, „en zij ging hem in haar hart verachten”. Toen David naar zijn huisgezin terugkeerde, bracht Michal op sarcastische wijze haar gevoelens tot uitdrukking en verried een gebrek aan waardering voor de ijver die David voor Jehovah’s aanbidding aan de dag had gelegd; zij gaf te kennen dat hij zich naar haar mening op onwaardige wijze had gedragen. David wees haar vervolgens terecht en strafte haar klaarblijkelijk ook door geen gemeenschap meer met haar te hebben, zodat zij kinderloos stierf. — 2 Sam. 6:14-23.
BRENGT DE KINDEREN VAN HAAR ZUSTER GROOT
Het verslag in 2 Samuël 21:8 spreekt over ’de vijf zonen van Michal, de dochter van Saul, die zij Adriël gebaard had’, en deze zonen behoorden tot de leden van Sauls huis die David aan de Gibeonieten had overgegeven om verzoening te doen voor Sauls poging hen uit te roeien (2 Sam. 21:1-10). De schijnbare tegenspraak tussen 2 Samuël 21:8 en 2 Samuël 6:23, waar wordt gezegd dat Michal kinderloos stierf, kan opgelost worden door de zienswijze die sommige bijbelcommentators eropna houden, namelijk dat deze kinderen de vijf zonen van Michals zuster Merab waren en dat Michal hen na de vroegtijdige dood van hun moeder grootbracht. — Zie MERAB.