MAGOG
(Ma̱gog).
Een zoon van Jafeth en kleinzoon van Noach. Zijn naam komt voor onder de namen van de familiehoofden uit wie de eerste nationale groepen zich na de Vloed over de aarde hebben verspreid. — Gen. 10:1, 2, 5; 1 Kron. 1:5.
De naam wordt later aangetroffen in Ezechiëls profetie over de stormachtige aanval door „Gog van het land Magog” op Jehovah’s weer bijeenvergaderde volk. „Magog” schijnt daarom door de profeet gebruikt te worden om daarmee een land of streek aan te duiden in „de meest afgelegen streken van het noorden”, waar Gogs menigte vandaan komt, en zijn plunderende strijdkrachten worden beschreven als „rijdend te paard, een grote vergadering, ja, een talrijke krijgsmacht” die zwaard en boog hanteert. — Ezech. 38:2-4, 8, 9, 13-16; 39:1-3, 6; zie ook Openbaring 20:8.
SYMBOLISCH GEBRUIK
Het feit dat de bijbel (alsook de wereldlijke geschiedenis) ons met betrekking tot de precieze ligging van het „land Magog” in het ongewisse laat, en de verwijzing van de profeet naar „het laatst der jaren” (Ezech. 38:8), alsook het feit dat er geen letterlijke invasie in Israël bekend is die met de beschrijving zou zijn overeengekomen, verschaffen de basis voor de veronderstelling dat de profetie betrekking heeft op een toekomstige tijd in de bijbelse ’tijd van het einde’. Veel bijbelcommentators zien er derhalve een voorzegging in van de laatste aanval der wereldmachten op het koninkrijk Gods en verstaan onder het land Magog „de wereld die Gods volk en zijn koninkrijk vijandig gezind is”. — A New Standard Bible Dictionary door Jacobus, Lane en Zenos, blz. 307; zie GOG.