Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 933-935
  • Kreupel, kreupelheid

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Kreupel, kreupelheid
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • JAKOBS KREUPELHEID
  • CONSIDERATIE
  • ILLUSTRATIEF EN FIGUURLIJK GEBRUIK
  • Spreekwoordelijk gebruik
  • Gods natie uit de oudheid
  • Consideratie met de geestelijk kreupelen
  • VOLLEDIGE GENEZING
  • Kreupel, kreupelheid
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
  • Blijvende genezing nabij
    Ontwaakt! 1987
  • Vragen van lezers
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1957
  • Hoe handicaps een eind zullen nemen
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2002
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 933-935

KREUPEL, KREUPELHEID.

Een lichamelijk gebrek dat iemand verhindert normaal te lopen. Sommige personen zijn wegens een aangeboren misvorming kreupel (Hand. 3:2; 14:8), maar in de meeste gevallen wordt kreupelheid door een ongeluk of een ziekte veroorzaakt.

Een kreupele kon niet in de Aäronitische priesterschap dienen, hoewel het hem was toegestaan van de dingen te eten die de priesterschap voor hun levensonderhoud ter beschikking werden gesteld (Lev. 21:16-23). Jehovah stelde voor zijn priesterschap een hoge maatstaf met betrekking tot lichamelijke geschiktheid, daar de priesters hem in zijn heiligdom voor het hele volk vertegenwoordigden. Christus, de grote Hogepriester, was „loyaal, schuldeloos, onbesmet, afgescheiden van de zondaars” (Hebr. 7:26). Onder de Wet was het ook verboden een kreupel dier te offeren. — Deut. 15:21; Lev. 22:19, 20; vergelijk Romeinen 12:1.

JAKOBS KREUPELHEID

Toen Jakob ongeveer 97 jaar was, worstelde hij een hele nacht met een gematerialiseerde engel van God. Hij slaagde erin de engel net zo lang vast te houden tot deze hem zegende. Tijdens de worsteling raakte de engel de gewrichtsholte van Jakobs dijbeen aan, waardoor die werd ontzet. Sindsdien ging Jakob kreupel of mank (Gen. 32:24-32; Hos. 12:2-4). Op deze wijze werd Jakob er voortdurend aan herinnerd dat hij, hoewel hij ’met God [Gods engel] en met mensen gestreden had, zodat hij ten laatste had gezegevierd’, toch niet werkelijk een machtige engel van God had verslagen. Slechts op grond van Gods voornemen en met Gods toestemming had Jakob met de engel mogen worstelen, om er blijk van te geven dat hij zich ten zeerste bewust was van de noodzaak door God gezegend te worden.

CONSIDERATIE

De Schrift dringt erop aan de kreupelen met consideratie te bejegenen. Job verklaarde dat hij zelfs in tijden van grote voorspoed ’voeten voor de kreupele was geweest’ (Job 29:15). Jezus en zijn discipelen hadden mededogen met de zieken en de kreupelen en genazen veel van zulke personen. — Matth. 11:4, 5; 15:30, 31; 21:14; Hand. 3:1-10; 8:5-7; 14:8-10.

ILLUSTRATIEF EN FIGUURLIJK GEBRUIK

De Jebusieten illustreerden hun pocherige vertrouwen in de zekerheid van hun citadel toen zij honend tot David zeiden: „’Gij zult hier niet binnenkomen, maar de blinden en de kreupelen zullen u stellig wegjagen’, denkend: ’David zal hier niet binnenkomen.’” Zij hebben zulke personen misschien wel werkelijk als verdedigers op de muren gezet, zoals Josephus dit vermeldt, en dat kan de reden zijn waarom David zei: „Laat al wie de Jebusieten slaat, door middel van de watertunnel in contact komen met zowel de kreupelen als de blinden, die door Davids ziel gehaat worden!” Deze kreupelen en blinden waren het symbool van de David aangedane belediging door de Jebusieten en, wat nog ernstiger was, van hun honen van Jehovah’s legerscharen. David haatte de Jebusieten, alsook hun kreupelen en blinden, wegens deze arrogante houding. Misschien noemde hij in werkelijkheid de leiders der Jebusieten wel spottend ’de kreupelen en blinden’. — 2 Sam. 5:6-8.

De begrippen „kreupel gaan” en „struikelen” worden in beeldspraak gebruikt om onregelmatigheid of onstandvastigheid in iemands levenswandel of doeleinden, of in zijn spraak, aan te duiden. Om Job zogenaamd te waarschuwen voor gevaren die op zijn weg lagen, zei Bildad over iemand die een slechte weg inslaat: „Het ongeluk staat gereed om hem kreupel te doen gaan” (Job 18:12). In eenzelfde trant spraken David en Jeremia erover dat hun vijanden erop wachtten dat zij een wankele stap zouden doen, ja, loerden op hun kreupel gaan, zodat, zoals Jeremia’s vijanden zeiden, „wij hem kunnen overmeesteren en onze wraak op hem kunnen nemen” (Jer. 20:10; Ps. 38:16, 17). De vijanden van Jezus Christus zouden graag zien dat Jezus in zijn woorden struikelde, zodat zij hem „op grond van zijn woorden in de val konden laten lopen”. — Matth. 22:15.

Spreekwoordelijk gebruik

„Als een die zijn voeten verminkt [waardoor hij kreupel zou worden], als een die louter geweld drinkt, is hij die zaken in de hand van een verstandeloze legt”, zei de wijze koning Salomo. Wie een verstandeloze opdraagt iets voor hem te doen, schaadt in feite zijn eigen belangen. Hij zal beslist ervaren dat zijn voorgenomen werk ineenstort, waardoor hij zichzelf schade berokkent. — Spr. 26:6.

De daaropvolgende spreuk bevat een soortgelijke illustratie: „Hebben de benen van de kreupele water naar boven gehaald? Dan is er een spreuk in de mond der verstandelozen” (Spr. 26:7). In de oudheid was het — vooral in steden die op een heuvel waren gebouwd — vaak nodig een ladder of een lange trap af te gaan om uit een bron water naar boven te halen. Dat een kreupele uit zo’n bron water omhoog zou halen, is zeer onwaarschijnlijk. Net zo onwaarschijnlijk is het dat uit de mond van een verstandeloze ware, zuivere, wijze woorden komen; en wanneer een verstandeloze tracht een spreuk te bezigen of toe te passen, doet hij dit net zo gebrekkig en ondoeltreffend als een kreupele die tracht water een trap op te dragen.

Gods natie uit de oudheid

Toen Jehovah het herstel van zijn volk voorzei, beloofde hij dat hij hen zou sterken opdat zij Babylon konden verlaten en de gevaarlijke terugreis naar het verwoeste Jeruzalem konden ondernemen. Elke eventuele geestelijke kreupelheid, aarzeling of besluiteloosheid zou verwijderd worden. Bij monde van de profeet Jesaja moedigde God hen aan met de woorden: „In die tijd zal de kreupele klimmen net als een hert” (Jes. 35:6). Gods natie was kreupel gegaan en ten val gekomen, doordat ze in gevangenschap was geraakt, maar „op die dag”, zei Jehovah, „wil ik haar vergaderen die kreupel ging . . . En ik zal haar die kreupel ging, stellig tot een overblijfsel maken, en haar die ver verwijderd was, tot een machtige natie”. — Micha 4:6, 7; Zef. 3:19.

Ter verdere vertroosting van zijn volk beloofde Jehovah als hun Koning dat hij hen tegen aanvallers zou beschermen. Hij beschreef de hulpeloosheid van Sions vijanden als een schip waarvan de tuigage loshangt, waarvan de mast wiebelt en dat geen zeil meer heeft. Toen zei hij: „In die tijd zal er zelfs buit [van de vijand] in overvloed verdeeld moeten worden; zelfs de kreupelen zullen werkelijk een grote roof vergaren.” Zelfs degenen die gewoonlijk niet aan het plunderen konden deelnemen, zouden in die tijd sterk genoeg daarvoor zijn. — Jes. 33:23.

Consideratie met de geestelijk kreupelen

De christelijke schrijver van de brief aan de Hebreeën wees erop dat er onder hen veel geestelijk onrijpe personen waren, die betere vorderingen zouden moeten maken (Hebr. 5:12-14). Na over streng onderricht gesproken te hebben, zei hij vervolgens: „Blijft rechte paden voor uw voeten maken, opdat wat kreupel is niet ontwricht raakt, maar veeleer gezond gemaakt wordt” (Hebr. 12:13). Zelfs de sterkeren dienden er nauwlettend op toe te zien hoe zij op hun christelijke levensweg wandelden, opdat de zwakkeren, de geestelijk ’kreupelen’, niet zouden struikelen of zich niet zouden bezeren. Indien degenen die sterker in het geloof waren, hun geestelijke vrijheid zouden gebruiken om dingen te doen die geoorloofd waren, zouden degenen die zwakker in het geloof waren, door hun handelwijze tot struikelen gebracht kunnen worden. — Rom. 15:1.

De apostel Paulus licht dit beginsel toe aan de hand van de kwestie van eten en drinken (Rom. 14:13-18, 21). In dit schriftgedeelte geeft hij onder meer de raad: „Neemt liever deze beslissing, een broeder geen struikelblok in de weg te leggen noch iets waarover hij kan vallen.” Hij zegt: „Het is goed geen vlees te eten noch wijn te drinken noch iets te doen waarover uw broeder struikelt.” — Vergelijk 1 Korinthiërs 8:7-13.

Aan de andere kant moet een christen — zoals de apostel te kennen geeft — zijn eigen geestelijke ’benen’ sterken, opdat hij niet door wat er gebeurt of door wat iemand anders doet, mank wordt gemaakt of tot struikelen wordt gebracht. Hij dient zich te sterken, zodat hij standvastig de christelijke levensweg blijft volgen. Paulus zegt: „Laat degene die eet, niet neerzien op degene die niet eet, en laat degene die niet eet, geen oordeel vellen over degene die eet, want God heeft hem aanvaard” (Rom. 14:3). De psalmist bracht dit beginsel als volgt tot uitdrukking: „Overvloedige vrede behoort hun toe die uw wet liefhebben, en voor hen is er geen struikelblok” (Ps. 119:165). Degenen die Gods wet liefhebben, zullen er door niets toe worden gebracht geestelijk kreupel of mank te worden.

VOLLEDIGE GENEZING

Kreupelheid heeft al heel wat tranen doen vloeien. Doch net zoals Jezus vele kreupelen en verminkten heeft genezen toen hij op aarde was, en zelfs verdorde of geamputeerde lichaamsdelen genas of heelde (Mark. 3:1, 5; Luk. 22:50, 51), zal hij door middel van „een nieuwe hemel” wederom zulke genezingen verrichten. Als Gods Hogepriester en Koning zal hij de mensen volkomen genezen en aldus elke traan uit hun ogen wegwissen. — Matth. 8:16, 17; Openb. 21:1, 4.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen