JOSAFAT
(Jo̱safat) [Jehovah is rechter].
Zoon van de Judese koning Asa bij Azuba, de dochter van Silhi. Op 35-jarige leeftijd volgde Josafat zijn vader als koning op en regeerde 25 jaar (936–911 v.G.T.) (1 Kon. 22:42; 2 Kron. 20:31). Zijn goede regering viel samen met die van de Israëlitische koningen Achab, Ahazia en Joram (1 Kon. 22:41, 51; 2 Kon. 3:1, 2; 2 Kron. 17:3, 4). Ze werd gekenmerkt door stabiliteit, voorspoed, heerlijkheid en relatieve vrede met naburige landen. Josafat ontving geschenken van zijn onderdanen en schatting van de Filistijnen en de Arabieren. — 2 Kron. 17:5, 10, 11.
WAT HIJ TOT STAND BRACHT
Deze Judese koning verstevigde zijn positie door strijdkrachten in Juda’s versterkte steden te legeren en garnizoenen te plaatsen in zowel het land Juda als de Israëlitische gebieden die zijn vader Asa had veroverd. In Jeruzalem diende een groot korps van dappere krijgslieden de koninklijke belangen, en in Juda werden versterkte plaatsen en voorraadsteden gebouwd. — 2 Kron. 17:1, 2, 12-19.
In tegenstelling tot de Israëlitische koningen van het noordelijke koninkrijk, toonde Josafat grote belangstelling voor de ware aanbidding (2 Kron. 17:4). Hij gaf bepaalde vorsten, levieten en priesters de opdracht om in de steden van Juda de wet van Jehovah te onderwijzen (2 Kron. 17:7-9). Josafat heiligde ook heilige offergaven (2 Kon. 12:18) en reisde persoonlijk door zijn gehele rijk om zijn onderdanen ertoe aan te sporen in getrouwheid tot Jehovah terug te keren (2 Kron. 19:4). Moedig zette hij de door Asa gestarte veldtocht tegen afgoderij voort, zodat geleidelijk de hoge plaatsen, de heilige palen en de overgebleven mannelijke tempelprostitués uit Juda verdwenen (1 Kon. 22:46; 2 Kron. 17:6). De valse aanbidding op de hoge plaatsen was bij de Israëlieten echter zo diep ingeworteld dat Josafat er ondanks zijn krachtsinspanningen niet in slaagde ze volledig en voorgoed uit te roeien. — 1 Kon. 22:43; 2 Kron. 20:33.
Onder Josafats regering werd ook de rechtspraak verbeterd. De koning zelf doordrong de rechters van de belangrijkheid onpartijdig te zijn en geen steekpenningen aan te nemen, aangezien zij niet voor de mens, maar voor Jehovah rechtspraken. — 2 Kron. 19:5-11.
Josafat betoonde zich een koning die volledig op Jehovah vertrouwde. Toen Juda door de verenigde strijdkrachten van Ammon, Moab en het bergland Seïr werd bedreigd, erkende Josafat nederig dat de natie niet tegen dit gevaar opgewassen was en bad tot Jehovah om hulp. Daarop streed Jehovah voor Juda door de vijandelijke gelederen in verwarring te brengen, zodat zij elkaar afslachtten. Als gevolg daarvan werden de omliggende natiën bevreesd, en Juda bleef in vrede wonen. — 2 Kron. 20:1-30.
ZIJN BETREKKINGEN TOT HET TIENSTAMMENRIJK
Josafat onderhield vredige betrekkingen met het noordelijke koninkrijk en verzwagerde zich met Achab (1 Kon. 22:44; 2 Kron. 18:1). Dit had tot gevolg dat hij bij verschillende gelegenheden in andere bondgenootschappen met het koninkrijk Israël verwikkeld raakte.
Toen Josafat enige tijd nadat Joram, zijn eerstgeborene, met Achabs dochter Athalia getrouwd was, een bezoek bracht aan het noordelijke koninkrijk, verklaarde hij zich bereid koning Achab te vergezellen op een gewaagde militaire onderneming die ten doel had Ramoth-Gilead op de Syriërs te heroveren. Voordat zij echter ten strijde trokken, vroeg Josafat of Achab Jehovah wilde raadplegen. Vierhonderd profeten verzekerden Achab dat de veldtocht zou slagen. Maar Jehovah’s ware profeet Michaja, die door Achab werd gehaat doch op Josafats aandringen was geroepen, voorzei dat zij beslist een nederlaag zouden lijden. Toch trok Josafat — misschien om vast te houden aan zijn oorspronkelijke belofte Achab te vergezellen — in zijn koninklijke kledij ten strijde. Aangezien Achab zich voorzichtigheidshalve had vermomd, dachten de Syriërs ten onrechte dat Josafat Israëls koning was en maakten hem derhalve tot het mikpunt van hun zwaarste aanval. Josafat ontsnapte ternauwernood aan de dood, en Achab werd ondanks zijn vermomming dodelijk gewond (1 Kon. 22:2-37; 2 Kron. hfdst. 18). Na zijn terugkeer in Jeruzalem werd Josafat wegens zijn onverstandige bondgenootschap met de goddeloze Achab terechtgewezen. De visionair Jehu zei tot hem: „Dient er aan de goddeloze hulp te worden verleend, en dient gij liefde te hebben voor hen die Jehovah haten? En hiervoor is er verontwaardiging tegen u van de persoon van Jehovah.” — 2 Kron. 19:2.
Later werd Josafat de compagnon van koning Ahazia, Achabs opvolger, in een onderneming die opgezet was om bij Ezeon-Geber, aan de Golf van Akaba, schepen te bouwen. Maar Jehovah keurde dit maritieme bondgenootschap met de goddeloze Ahazia af. Zoals voorzegd, leden de schepen daarom schipbreuk. — 1 Kon. 22:48, 49; 2 Kron. 20:35-37; zie AHAZIA nr. 1.
Enige tijd daarna verbond Josafat zich met Joram, de troonopvolger van Ahazia, en met de koning van Edom om de opstand van de Moabitische koning Mesa tegen het tienstammenrijk in een militair offensief neer te slaan. De geallieerde legers kregen in een waterloze wildernis echter met ernstige moeilijkheden te kampen. Daarom vroeg Josafat om een profeet van Jehovah. Slechts uit consideratie met Josafat zocht de profeet Elisa goddelijke inspiratie, en de raad die hij vervolgens gaf, redde de drie koningen en hun legers van de ondergang. — 2 Kon. 3:4-25.
JORAM WORDT KONING
Nog tijdens zijn leven gaf Josafat het koningschap aan Joram, zijn eerstgeborene, maar aan zijn andere zonen gaf hij kostbare geschenken en versterkte steden in Juda (2 Kon. 8:16; 2 Kron. 21:3). Vooral na Josafats dood en begrafenis in de Stad van David bleek de verzwagering met het huis van Achab rampzalig voor het koninkrijk Juda te zijn. Onder invloed van Athalia verliet Joram de rechte weg van zijn vader en voerde opnieuw afgodische gebruiken in. — 1 Kon. 22:50; 2 Kron. 21:1-7, 11.