JORDAAN
(Jorda̱a̱n) [de afdalende].
De belangrijkste rivier van het Beloofde Land, die een natuurlijke grens tussen het grootste deel van O.- en W.-Palestina vormt (Joz. 22:25). De vier stromen die na hun vereniging de Jordaan vormen, ontspringen bij de berg Hermon en worden gevoed door het smeltwater van deze berg.
De Jordaan is inderdaad een afdalende rivier. Over een afstand van ruim 15 km tussen het Hulabekken en de Zee van Galilea bedraagt het verval ca. 270 m. Tijdens haar verdere verloop vanaf de Zee van Galilea naar de Dode Zee vormt de Jordaan 27 stroomversnellingen en daalt daarbij nog eens ca. 180 m.
Ten Z. van de Zee van Galilea stroomt de Jordaan door een ongeveer 6 tot 13 km breed dal. Maar bij Jericho heeft dit dal een breedte van ca. 23 km. Via de ongeveer 400 m tot 3 km brede dalbodem (de Zor) slingert en kronkelt de Jordaan zich door een dicht struikgewas van doornen en distels, klimplanten en heesters, oleanders, tamarisken, wilgen en populieren. In de oudheid hielden zich in het „trotse struikgewas langs de Jordaan” leeuwen op (Jer. 49:19; 50:44; Zach. 11:3). Nog steeds worden daar wolven en jakhalzen aangetroffen. De zomers in dit oerwoudachtige gebied zijn uiterst heet en vochtig, met temperaturen die tot minstens 40 °C oplopen. En in het voorjaar, als de sneeuw op de berg Hermon smelt, zet de Jordaan de Zor onder water.
Het hogere terras van het dal (de Ghor) ligt ongeveer 45 m boven de Jordaanjungle en is hiervan gescheiden door kale en geërodeerde, grauwe mergelheuvels. Het gedeelte van de Ghor dat zich over een afstand van zo’n 40 km ten Z. van de Zee van Galilea uitstrekt, omvat bouwland en weidegronden. Afgezien hiervan is het grootste deel van de Ghor onbebouwd. In de tijd van Abraham en Lot, vóór de verwoesting van Sodom en Gomorra, moet echter een veel groter gedeelte daarvan vruchtbaar zijn geweest, vooral in de omgeving van de Dode Zee. — Gen. 13:10, 11.
Het ondiepe water van de Jordaan en zijn talrijke stroomversnellingen en draaikolken maken de rivier onbevaarbaar. Naar verluidt zijn er minstens 60 plaatsen waar men de rivier, als er geen hoogwaterstand is, kan doorwaden. In de oudheid bood de beheersing van de doorwaadbare plaatsen in de rivier strategisch voordeel, aangezien ze de beste mogelijkheid vormden om de Jordaan over te steken. — Recht. 3:28; 12:5, 6.
Het gedeelte van de Jordaan ten Z. van de Zee van Galilea is doorgaans gemiddeld zo’n 1 tot 3 m diep en ongeveer 27 tot 30 m breed. In het voorjaar treedt de Jordaan echter buiten zijn oevers en is dan veel breder en dieper (Joz. 3:15). Bij hoogwater zouden de mannen, vrouwen en kinderen van de natie Israël niet veilig de Jordaan hebben kunnen oversteken, vooral niet bij Jericho. De stroom is daar zo sterk dat in recentere tijden baders letterlijk werden meegesleurd. Jehovah damde echter door een wonder de Jordaan af, zodat de Israëlieten over droge grond konden oversteken (Joz. 3:14-17). Eeuwen later deed zich ten behoeve van Elia eens een soortgelijk wonder voor toen hij zich in gezelschap van Elisa bevond, en ook nog eens ten behoeve van Elisa alleen. — 2 Kon. 2:7, 8, 13, 14.
De Jordaan speelde ook een rol bij de wonderbare genezing van Naäman. Nadat Naäman, die de rivieren van Damaskus beter vond dan alle wateren van Israël, met behulp van zijn dienstknecht de juiste zienswijze had gekregen, baadde hij zich gehoorzaam zevenmaal in de Jordaan. Na de zevende keer was hij volledig van zijn melaatsheid genezen. — 2 Kon. 5:10-14.
In de 1ste eeuw G.T. dompelde Johannes de Doper vele berouwvolle joden onder in het water van de Jordaan. Hij had ook het voorrecht Jezus, de volmaakte Zoon van God, daar te dopen. — Matth. 3:1, 5, 6, 13-17.