JAKOB
(Ja̱kob) [hij die de hiel beetpakt; verdringer].
Zoon van Isaäk en Rebekka, de jongere tweelingbroer van Esau. Jakobs ouders waren al 20 jaar getrouwd toen deze tweeling — hun enige kinderen — in 1858 v.G.T. geboren werd. Isaäk was op dat moment 60 jaar. Dus net als in Abrahams geval werden Isaäks gebeden om nageslacht pas verhoord nadat zijn geduld en zijn geloof in Jehovah’s beloften volledig op de proef waren gesteld. — Gen. 25:20, 21, 26; Rom. 9:7-10.
Toen Rebekka het tijdens haar zwangerschap zwaar te verduren kreeg doordat de twee zonen in haar buik met elkaar gingen strijden, maakte Jehovah haar duidelijk dat uit hen twee natiën zouden voortkomen die elkaar zouden bestrijden. Bovendien verklaarde Jehovah dat de oudste, geheel tegen de heersende gewoonte in, de jongste zou dienen. In overeenstemming daarmee hield Jakob, die bij de geboorte als tweede te voorschijn kwam, de hiel van Esau vast; vandaar de naam Jakob, die „hij die de hiel beetpakt” betekent (Gen. 25:22-26). Zo gaf Jehovah blijk van zijn vermogen om de genetische aanleg van het ongeborene te onderkennen en om gebruik te maken van zijn voorkennis en van het recht om vooraf te bepalen wie hij uitkiest voor een rol in zijn voornemens, zonder echter op enigerlei wijze het uiteindelijke lot van personen voor te beschikken. — Rom. 9:10-12; Hos. 12:3.
In tegenstelling tot Isaäks lievelingszoon Esau, een wilde, rusteloze, rondzwervende jager, wordt Jakob beschreven als „een onberispelijk [Hebreeuws: tam] man, die in tenten woonde”, iemand die een rustig leven als herder leidde, aan wie men huishoudelijke aangelegenheden kon toevertrouwen, iemand naar wie de bijzondere liefde van zijn moeder uitging (Gen. 25:27, 28). Dit Hebreeuwse woord tam wordt elders gebruikt om personen aan te duiden die Gods goedkeuring genieten. Bijvoorbeeld: „Bloeddorstige mannen haten al wie onberispelijk [Hebreeuws: tam] is”, maar Jehovah geeft de verzekering: „De toekomst van [de onberispelijke] man zal vredig zijn” (Spr. 29:10; Ps. 37:37). Job, die zijn rechtschapenheid bewaarde, „bleek onberispelijk [Hebreeuws: tam] en oprecht te zijn”. — Job 1:1, 8; 2:3.
ONTVANGT HET EERSTGEBOORTERECHT EN DE ZEGEN
Abraham stierf pas toen zijn kleinzoon Jakob 15 jaar oud was, in 1843 v.G.T., en Jakob heeft dus als jongen volop gelegenheid gehad om rechtstreeks uit de mond van zijn grootvader en ook van zijn vader over Gods door een eed bekrachtigde verbond te horen (Gen. 22:15-18). Jakob besefte wat een voorrecht het zou zijn een aandeel te hebben aan de vervulling van die door God gegeven beloften. De gelegenheid om op wettige wijze het eerstgeboorterecht met alles wat daarmee gepaard ging van zijn broer te kopen, deed zich ten slotte voor toen Esau op een dag uitgeput thuiskwam van het veld en het smakelijke gerecht rook dat zijn broer gekookt had (Deut. 21:15-17). „Laat mij alstublieft vlug wat opslokken van dat rode”, riep Esau uit, „dat rode daar, want ik ben moe!” Jakob antwoordde: „Verkoop mij dan eerst uw eerstgeboorterecht!” Esau „verachtte . . . het eerstgeboorterecht” en dus werd de koop snel gesloten en met een plechtige eed bekrachtigd (Gen. 25:29-34; Hebr. 12:16). Jehovah had dus voldoende reden om te zeggen: „Jakob heb ik liefgehad, maar Esau heb ik gehaat.” — Rom. 9:13; Mal. 1:2, 3.
Jehovah’s liefde voor Jakob trad bijzonder duidelijk aan het licht toen hij de gebeurtenissen zodanig manoeuvreerde dat Isaäks voor Esau bestemde patriarchale zegen Jakob ten deel viel. Isaäk had Esau verzocht een stuk wild te jagen. Tijdens Esau’s afwezigheid hulde Jakob zich op aandringen van zijn moeder in Esau’s kleren, waaraan de geur van het veld hing, bedekte zijn handen en zijn hals met geitevellen zodat hij op zijn behaarde broer leek en bracht zijn vader een smakelijk gerecht van geitevlees, dat door Isaäk ten onrechte voor het begeerde wildbraad werd gehouden. In de overtuiging dat de eerstgeborene voor hem stond, sprak Isaäk de kostbare zegen over Jakob uit. — Gen. 27:1-37.
Het gaat hier niet om een geval van boosaardige misleiding. Jakob had het eerstgeboorterecht op wettige wijze gekocht en nam derhalve de plaats in van zijn broer, van wie zijn vader, wiens gezichtsvermogen zwak was geworden, kennelijk dacht dat hij het eerstgeboorterecht nog steeds bezat.
Esau zijnerzijds erkende niet dat zijn broer het eerstgeboorterecht geheel rechtmatig had gekocht en, wat het allerergste was, hij weigerde Gods hand in de hele gang van zaken te zien. Hij overwoog dat zijn vader binnenkort wel zou sterven en nam zich voor zijn broer Jakob daarna te doden. Rebekka was er echter op bedacht zowel het leven van Jakob als de belangen van het Beloofde Zaad te beschermen, want zodra zij hoorde van Esau’s plan om Jakob uit de weg te ruimen, haalde zij Isaäk over Jakob naar Paddan-Aram te sturen teneinde zich daar uit zijn bloedverwanten een vrouw te nemen. Aldus werd hij beschermd tegen de Kanaänitische invloed die door Esau in huis gehaald was. — Gen. 27:41–28:5.
JAKOB TREKT NAAR PADDAN-ARAM
Jakob was 77 jaar toen hij uit Berseba vertrok naar het land van zijn voorvaders, waar hij de volgende 20 jaar van zijn leven doorbracht (Gen. 28:10; 31:38). Na bijna 100 km in noordoostelijke richting te zijn gereisd, hield hij halt bij Luz in de heuvels van Judea om daar te overnachten, met een steen als hoofdkussen. Daar zag hij in zijn droom een ladder of een trap die tot in de hemel reikte en waarlangs engelen opklommen en afdaalden. Bovenaan was Jehovah te zien. Bij deze gelegenheid bevestigde God tegenover Jakob het verbond dat hij met Abraham en Isaäk gesloten had. — Gen. 28:11-13; 1 Kron. 16:16, 17.
In dit verbond beloofde Jehovah Jakob dat hij met hem zou zijn en hem zou behoeden en hem niet zou verlaten totdat de grond waarop Jakob lag, in zijn bezit gekomen was en zijn zaad zo talrijk als de stofdeeltjes van de aarde was geworden. Bovendien zei hij: „Door bemiddeling van u en door bemiddeling van uw zaad zullen alle families van de aardbodem zich stellig zegenen” (Gen. 28:13-15). Toen de betekenis van de gebeurtenissen welke die nacht hadden plaatsgevonden in haar volle omvang tot Jakob doordrong, riep hij uit: „Hoe vrees inboezemend is deze plaats! Dit is niets anders dan het huis van God.” Daarom veranderde hij de naam Luz in Bethel, hetgeen „huis van God” betekent. Vervolgens richtte hij er een zuil op en zalfde die als een getuigenis van deze gedenkwaardige gebeurtenissen. Uit dankbaarheid voor Gods belofte dat hij hem zou steunen, zwoer Jakob op zijn beurt dat hij Jehovah zonder mankeren een tiende zou geven van alles wat hij zou verkrijgen. — Gen. 28:16-22.
Daarop vervolgde Jakob zijn reis en ten slotte ontmoette hij in de buurt van Haran zijn nicht Rachel en werd hij door haar vader Laban, de broer van Jakobs moeder, uitgenodigd bij hen te blijven. Jakob werd verliefd op Rachel en kwam met haar vader overeen dat hij zeven jaar voor hem zou werken indien Laban hem zijn dochter tot vrouw zou geven. De jaren die verstreken, waren in Jakobs ogen „als slechts enkele dagen”, zo diep was zijn liefde voor Rachel. Toen het huwelijk werd voltrokken, bedroog Laban hem echter door hem in plaats van Rachel haar oudere zuster Lea te geven. Laban voerde daarvoor als reden aan: „Het is . . . niet gebruikelijk . . . om de jongste vrouw vóór de eerstgeborene te geven.” Nadat dit huwelijk een week lang gevierd was, gaf Laban Jakob ook Rachel tot vrouw, waarbij overeengekomen werd dat Jakob nog eens zeven jaar als betaling voor haar zou werken. Laban gaf Lea en Rachel ook elk een dienstmaagd, Zilpa en Bilha. — Gen. 29:1-29; Hos. 12:12.
Jehovah legde nu het fundament voor een grote natie die uit deze huwelijksregeling zou voortkomen. Lea schonk Jakob achtereenvolgens vier zonen: Ruben, Simeon, Levi en Juda. Toen Rachel bemerkte dat zij onvruchtbaar bleef, gaf zij haar slavin Bilha aan Jakob en via haar kreeg zij twee zonen, Dan en Naftali. Aangezien inmiddels ook Lea onvruchtbaar geworden was, gaf zij haar slavin Zilpa aan Jakob en kreeg uit deze verbintenis twee zonen, namelijk Gad en Aser. Vervolgens werd Lea zelf weer zwanger en baarde eerst Issaschar, daarna Zebulon, en toen een dochter, die Dina werd genoemd. Eindelijk werd ook Rachel zwanger en zij baarde Jozef. Het gevolg was dat Jakob in de betrekkelijk korte tijd van zeven jaar met veel kinderen gezegend werd. — Gen. 29:30–30:24.
JAKOB WORDT RIJK VOORDAT HIJ UIT HARAN VERTREKT
Na afloop van de 14-jarige arbeidsovereenkomst die Jakob was aangegaan om zijn vrouwen te krijgen, wilde hij heel graag terug naar zijn geboorteland. Maar Laban, die zag hoe Jehovah hem wegens Jakob gezegend had, stond erop dat hij zijn kleinveekudden bleef hoeden; Jakob mocht zelfs zijn eigen loon vaststellen. In dat gedeelte van de wereld zijn de schapen en geiten over het algemeen effen van kleur: de schapen wit, de geiten zwart. Jakob vroeg daarom of hij alleen maar de schapen en geiten met een afwijkende kleur of tekening mocht hebben — alle donkerbruine schapen en alle geiten met witte vlekken. „Welnu, dat is voortreffelijk!” luidde Labans antwoord. En om het loon zo laag mogelijk te houden, zonderde Laban op voorstel van Jakob alle gestreepte, gespikkelde en bonte geiten alsmede de donkerbruine jonge rammen van de kleinveestapel af en gaf ze aan zijn eigen zonen om ze te weiden. Hij stelde zelfs een afstand van drie dagreizen tussen hen om kruisingen tussen de beide kudden te voorkomen. Alleen dieren die in de toekomst met een afwijkende kleur geboren zouden worden, zouden Jakob toebehoren. — Gen. 30:25-36.
En dus begon Jakob schapen te hoeden die allemaal normaal van kleur waren en geiten die niet getekend waren. Maar hij werkte hard en trof maatregelen waarvan hij verwachtte dat het aantal afwijkend gekleurde dieren erdoor zou toenemen. Hij nam jonge, groene twijgen van de storaxboom, de amandelboom en de plataan, en schilde de bast daarvan zodanig weg dat ze een gestreept en gevlekt aanzien kregen. Deze takken legde hij in de goten van de waterdrinkbakken voor de dieren, kennelijk met de gedachte dat wanneer de dieren naar die strepen keken terwijl ze bronstig waren, daarvan een prenatale invloed zou uitgaan waardoor de jongen gevlekt of afwijkend van kleur zouden worden. Ook lette Jakob er zorgvuldig op dat hij de stokken alleen maar in de drinkbakken legde als de sterke, robuuste dieren bronstig waren. — Gen. 30:37-42.
Het resultaat? Het aantal jongen met een abnormale tekening of afwijkende kleur, Jakobs „loon” dus, bleek veel groter dan het aantal dieren dat de normale effen kleur had en Laban ten deel zou vallen. Aangezien de gewenste resultaten werden verkregen, zal Jakob vermoedelijk gedacht hebben dat dit aan zijn list met de gestreepte stokken toe te schrijven was. Ongetwijfeld deelde hij daarin de misvatting van velen, namelijk dat zoiets van invloed kan zijn op het nageslacht. Maar zijn Schepper liet hem door middel van een droom weten dat het anders zat.
In zijn droom werd Jakob duidelijk gemaakt dat er bepaalde genetische beginselen aan zijn succes ten grondslag lagen en het niet aan de stokken lag. Hoewel Jakob alleen effen gekleurde beesten te verzorgen had, onthulde het visioen dat de bokken gestreept, gespikkeld en gevlekt waren. Hoe kon dat? Ook al waren de dieren effen van kleur, dan waren het blijkbaar hybriden, het resultaat van kruisingen in Labans kleinveekudde voordat Jakobs loonregeling begon. Een aantal dieren droeg dus in hun voortplantingscellen de erfelijke factoren voor gevlekte en gespikkelde toekomstige generaties, in overeenstemming met de erfelijkheidswetten die in de vorige eeuw door Gregor Mendel zijn ontdekt. — Gen. 31:10-12.
Gedurende de zes jaar waarin Jakob volgens deze regeling werkte, werd hij door Jehovah zeer gezegend en begunstigd doordat niet alleen zijn kleinveekudden maar ook zijn bedienden, kamelen en ezels in aantal toenamen, en dit ondanks het feit dat Laban de loonafspraken telkens weer veranderde. Ten slotte droeg de „ware God van Bethel” Jakob op naar het Beloofde Land terug te keren. — Gen. 30:43; 31:1-13, 41.
TERUGKEER NAAR HET BELOOFDE LAND
Jakob vreesde dat Laban opnieuw zou proberen hem te beletten zijn dienst te beëindigen. Daarom nam hij in het geheim zijn vrouwen en kinderen en al zijn bezittingen, stak de Eufraat over en begaf zich op weg naar Kanaän. Uit Genesis 31:4, 21 blijkt dat Jakob zijn kleinveekudden waarschijnlijk dicht bij de Eufraat liet grazen toen hij dit plan bedacht. Op dat tijdstip was Laban zijn schaapskudden gaan scheren en pas drie dagen later werd hij van Jakobs vertrek in kennis gesteld. Het is mogelijk dat er nog meer tijd verstreken is voordat het scheren was voltooid en er voorbereidingen getroffen waren om Jakob met zijn mannen na te zetten. Al met al zou dit Jakob voldoende tijd gegeven hebben om zijn traag voorttrekkende kleinveekudden helemaal naar het bergland van Gilead te drijven voordat Laban hem inhaalde. De afstand van Haran tot dit bergland bedroeg hemelsbreed maar liefst ruim 560 km, een afstand die Laban en zijn bloedverwanten op de kamelen waarmee zij hem najoegen, echter gemakkelijk in zeven dagen hebben kunnen afleggen. — Gen. 31:14-23.
Laban bereikte het doel van zijn achtervolging enige kilometers ten N. van de rivier de Jabbok, waar Jakob zijn kamp had opgeslagen, en hij eiste een verklaring van Jakob: Waarom was hij vertrokken zonder Laban de kans te geven zijn kinderen en kleinkinderen vaarwel te kussen, en waarom had hij Labans goden gestolen? (Gen. 31:24-30) Het antwoord op de eerste vraag lag tamelijk voor de hand: vrees dat Laban zijn vertrek zou hebben verhinderd. Wat de tweede vraag betrof, aan dat feit was Jakob onschuldig, en toen het kamp werd doorzocht, kwam niet aan het licht dat Rachel de familieterafim inderdaad gestolen had en ze in de zadelmand van haar kameel verborgen had. — Gen. 31:31-35.
Een mogelijke verklaring voor Rachels handelwijze en Labans verontrusting is de volgende: „Wie de huisgoden bezat, gold als de wettige erfgenaam, hetgeen verklaart waarom er voor Laban volgens Gen. 31:26 vv. zoveel aan gelegen was zijn huisgoden van Jakob terug te krijgen.” — Ancient Near Eastern Texts, J. B. Pritchard, 2de druk, blz. 220, voetn. 51.
Toen hun ruzie in der minne geschikt was, richtte Jakob een stenen zuil op en maakte vervolgens een steenhoop die daar vele jaren is blijven staan als een getuige van het vredesverbond dat zij beiden bij een ceremoniële maaltijd hadden gesloten. De namen die deze steenhoop kreeg, waren Gal-Ed („getuigenishoop”) en De Wachttoren. — Gen. 31:36-55.
Jakob wilde nu ook heel graag vrede sluiten met zijn broer Esau, die hij ruim 20 jaar niet gezien had. Om eventuele haatgevoelens die zijn broer misschien nog koesterde te verzachten, zond Jakob kostbare geschenken voor Esau vooruit — honderden geiten en schapen, en veel kamelen, runderen en ezels (Gen. 32:3-21). Jakob was vrijwel zonder bezittingen uit Kanaän gevlucht; nu keerde hij dank zij Jehovah’s zegen als een rijk man terug.
In de nacht waarin Jakobs huisgezin de Jabbok overstak, op weg naar het Z. om Esau te ontmoeten, beleefde Jakob iets hoogst merkwaardigs. Hij worstelde met een engel, en wegens Jakobs volharding werd zijn naam veranderd in Israël, hetgeen „God strijdt” of „strijder (volharder) met God” betekent (Gen. 32:22-28). Nadien komen beide namen vaak in Hebreeuwse dichterlijke parallellen voor (Ps. 14:7; 22:23; 78:5, 21, 71; 105:10, 23). Tijdens deze worsteling raakte de engel de gewrichtsholte van Jakobs dijbeen aan, waardoor Jakob voor de rest van zijn leven kreupel is gebleven — misschien om hem nederigheid te leren en hem er voortdurend aan te herinneren zich niet al te verheven te voelen wegens de voorspoed die God hem geschonken had of wegens het feit dat hij met een engel geworsteld had. Ter gedachtenis aan deze gedenkwaardige gebeurtenissen noemde Jakob de plaats Pniël of Pnuël. — Gen. 32:25, 30-32.
Na afloop van deze vriendschappelijke ontmoeting tussen Jakob en Esau gingen de tweelingen, nu omstreeks 99 jaar oud, elk huns weegs, en vermoedelijk hebben zij elkaar niet meer gezien tot zij ongeveer 23 jaar later samen hun vader Isaäk begroeven. Esau begaf zich met zijn geschenken zuidwaarts naar Seïr, en Jakob wendde zich naar het N. en stak de Jabbok weer over. — Gen. 33:1-17; 35:29.
DE VOLGENDE DRIEËNDERTIG JAAR ALS INWONENDE VREEMDELING
Nadat Jakob en Esau uiteengegaan waren, vestigde Jakob zich in Sukkoth. Dit was de eerste plaats waar hij na zijn terugkeer uit Paddan-Aram geruime tijd bleef. Hoe lang hij daar geweest is, wordt niet vermeld, maar het kan een aantal jaren geweest zijn, want hij bouwde een permanente woning voor zichzelf alsook hutten of een soort overdekte stallen voor zijn veestapel. — Gen. 33:17.
Toen Jakob weer opbrak, trok hij westwaarts de Jordaan over naar de omgeving van Sichem, waar hij voor „honderd geldstukken [Hebreeuws: qesi·tahʹ]” een stuk land kocht van de zonen van Hemor (Gen. 33:18-20; Joz. 24:32). In Sichem begon Jakobs dochter Dina om te gaan met de Kanaänitische vrouwen, en daardoor weer kreeg Sichem, de zoon van de overste Hemor, de gelegenheid haar te verkrachten. Tijdens de nasleep van dit incident liepen de gebeurtenissen Jakob weldra geheel uit de hand — zijn zonen doodden iedere mannelijke inwoner van Sichem, namen de vrouwen en kinderen gevangen, eigenden zich alle bezittingen en rijkdom van die stad toe en maakten hun vader Jakob tot een stank voor de bewoners van het land. — Gen. 34:1-31.
Daarna gebood God Jakob uit Sichem op te trekken naar Bethel, hetgeen hij deed. Maar vóór hij vertrok, gaf hij zijn huisgezin bevel zich te reinigen, hun mantels te verwisselen en al hun valse goden (waarschijnlijk met inbegrip van Labans terafim), alsmede de oorringen die zij mogelijk als amulet droegen, te verwijderen. Deze werden door Jakob uit het gezicht in de buurt van Sichem begraven. — Gen. 35:1-4.
Bethel, het „huis van God”, had een bijzondere betekenis voor Jakob, want hier had Jehovah, misschien zo’n 30 jaar tevoren, het Abrahamitische verbond op hem overgedragen. Nu, nadat Jakob een altaar had gebouwd voor deze grote God van zijn voorvaders, hernieuwde Jehovah het verbond en bevestigde tevens dat Jakobs naam in Israël was veranderd. Vervolgens richtte Jakob een zuil op en goot er een drankoffer en olie over uit ter herinnering aan deze gedenkwaardige gebeurtenissen. Eveneens tijdens zijn verblijf in Bethel stierf Debora, de voedster van zijn moeder, en zij werd er begraven. — Gen. 35:5-15.
Het is ook niet bekend hoe lang Jakob in Bethel heeft gewoond. Na hun vertrek reisden zij in zuidelijke richting verder en toen zij nog een flink eind van Bethlehem (Efrath) verwijderd waren, werd Rachel door barensweeën overvallen; zij stierf tijdens de smartelijke bevalling van haar tweede zoon, Benjamin. Jakob begroef zijn geliefde Rachel daar en plaatste een zuil om haar graf aan te duiden. — Gen. 35:16-20.
Daarop trok deze man Israël, die nu gezegend was met het volledige aantal van 12 zonen uit wie de 12 stammen van Israël zouden voortspruiten, verder naar het Z. Daar de plaats waar hij zijn tent vervolgens opsloeg, als „even voorbij de toren van Eder” wordt beschreven, moet dit ergens tussen Bethlehem en Hebron zijn geweest. Terwijl hij daar verblijf hield, had Ruben, zijn oudste zoon, seksuele betrekkingen met de bijvrouw van zijn vader, Bilha, de moeder van Dan en Naftali. Ruben dacht misschien dat zijn vader Jakob te oud was om er iets tegen te doen, maar Jehovah keurde zijn handelwijze af en Ruben verbeurde zijn eerstgeboorterecht door deze incestueuze daad. — Gen. 35:21-26; 49:3, 4; Deut. 27:20; 1 Kron. 5:1.
Misschien is Jakob nog voordat zijn zoon Jozef als slaaf naar Egypte werd verkocht, naar Hebron verhuisd, waar zijn bejaarde vader Isaäk nog woonde, maar het tijdstip van deze verhuizing is onzeker. — Gen. 35:27.
Op een dag zond Jakob de inmiddels 17-jarige Jozef er op uit om te zien hoe zijn broers, die hun vaders kleinvee aan het hoeden waren, het maakten. Toen hij hen ten slotte in Dothan, ongeveer 105 km ten N. van Hebron, gevonden had, grepen zij hem en verkochten hem aan een karavaan kooplieden die op weg waren naar Egypte. Dit gebeurde in 1750 v.G.T. Toen lieten zij hun vader geloven dat Jozef door een wild beest verscheurd was. Vele dagen lang treurde Jakob om dit verlies en weigerde zich te laten troosten; hij zei: „Rouwend zal ik naar mijn zoon in Sjeool afdalen!” (Gen. 37:2, 3, 12-36) De dood van zijn vader Isaäk in 1738 v.G.T. maakte zijn verdriet alleen nog maar groter. — Gen. 35:28, 29.
DE VERHUIZING NAAR EGYPTE
Ongeveer tien jaar later zag Jakob zich door een omvangrijke hongersnood gedwongen tien van zijn zonen naar Egypte te zenden om graan te kopen. Benjamin bleef thuis. Farao’s voedselbeheerder, Jozef, herkende zijn broers en eiste dat zij met hun jongste broer Benjamin naar Egypte zouden terugkomen (Gen. 41:57; 42:1-20). Toen Jakob echter van deze eis hoorde, weigerde hij aanvankelijk hem te laten gaan, uit vrees dat deze geliefde zoon van zijn ouderdom iets zou overkomen; Benjamin was destijds minstens 22 jaar (Gen. 42:29-38). Pas toen al het voedsel dat zij in Egypte gehaald hadden, op was, stemde Jakob er uiteindelijk in toe Benjamin te laten gaan. — Gen. 43:1-14; Hand. 7:12.
De verzoening tussen Jozef en zijn broers ging vergezeld van de uitnodiging dat Jakob en zijn hele huisgezin met al hun levende have en al hun bezittingen naar het vruchtbare land Gosen in het deltagebied van Egypte zouden verhuizen, want de grote hongersnood zou nog vijf jaar duren. Farao verschafte hun zelfs wagens en voorzag hen van voedsel om hen te helpen (Gen. 45:9-24). Onderweg gaf Jehovah Jakob de verzekering dat deze verhuizing zijn zegen en goedkeuring had (Gen. 46:1-4). Het totale aantal zielen die tot het huisgezin van Jakob gerekend werden, met inbegrip van Manasse, Efraïm en anderen die misschien in Egypte geboren werden voordat Jakob stierf, bedroeg 70 (Gen. 46:5-27; Ex. 1:5; Deut. 10:22). Bij dit aantal was Lea, die in het Beloofde Land gestorven was, niet inbegrepen (Gen. 49:31), evenmin als zijn niet met name genoemde dochters of de vrouwen van zijn zonen. — Gen. 46:26; vergelijk Genesis 37:35.
Ten slotte stierf Jakob in 1711 v.G.T. op 147-jarige leeftijd, na 17 jaar in Egypte te hebben gewoond (Gen. 47:27, 28). Overeenkomstig Jakobs wens om in het land Kanaän begraven te worden, liet Jozef de Egyptische geneesheren het lichaam van zijn vader balsemen alvorens zij op weg gingen. Een grote begrafenisstoet, passend bij het aanzien dat zijn zoon Jozef genoot, vertrok daarop uit Egypte. Toen zij in de Jordaanstreek aankwamen, werden er zeven dagen lang rouwplechtigheden gehouden, waarna Jakobs zonen hun vader bijzetten in de grot van Machpela, waar Abraham en Isaäk waren begraven. — Gen. 49:29-33; 50:1-14.
De profeten gebruikten „Jakob” dikwijls in figuurlijke zin, met betrekking tot de natie die van de patriarch afstamde (Jes. 9:8; 27:9; Jer. 10:25; Ezech. 39:25; Amos 6:8; Micha 1:5; Rom. 11:26). Bij een zekere gelegenheid gebruikte Jezus de naam Jakob figuurlijk toen hij sprak over degenen die „in het koninkrijk der hemelen” zouden zijn. — Matth. 8:11.
[Kaart op blz. 715]
(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)
Plaatsen die in verband met JAKOBS LEVEN worden vermeld
Haran
PADDAN-ARAM
Eufraat
GROTE ZEE
GOSEN
EGYPTE
KANAÄN
SEÏR
GILEAD
Berseba
Gerar
Hebron
Mamre
Bethlehem
Toren van Eder
Grot van Machpela
Bethel
Sichem
Pnuël (Pniël)
Stroomdal van de Jabbok
Sukkoth
Gal-Ed (?)
Mahanaïm (?)
Jordaan