Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 631-632
  • Hoge plaatsen

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Hoge plaatsen
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • CENTRA VAN VALSE AANBIDDING
  • AANBIDDING OP BEPAALDE HOGE PLAATSEN DOOR JEHOVAH TOEGESTAAN
  • ONDER DE ISRAËLIETEN
  • Hoge plaatsen
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
  • Vragen van lezers
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1955
  • Vragen van lezers
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1968
  • Afgod, afgoderij
    Hulp tot begrip van de bijbel
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 631-632

HOGE PLAATSEN.

Hoewel het Hebreeuwse woord ba·mōthʹ, dat in het algemeen met „hoge plaatsen” wordt vertaald, gewoonlijk in verband wordt gebracht met aanbidding, kan het ook eenvoudig betrekking hebben op verhogingen, heuvels of bergen (2 Sam. 1:19, 25 [vergelijk 1 Samuël 31:8]; Amos 4:13; Micha 1:3), en „hoge golven van de zee” (letterlijk: „hoge plaatsen van de zee”) (Job 9:8) of „de hoge plaatsen der wolken” (Jes. 14:14). Klaarblijkelijk wordt met de uitdrukkingen „over de hoge plaatsen der aarde rijden” en ’op de hoge plaatsen treden’, gedoeld op een zegevierende onderwerping van een land, want wie alle hoge plaatsen, d.w.z. de heuvels en de bergen van een land, beheerst, is in werkelijkheid de heer van het land. — Deut. 32:13; 33:29.

CENTRA VAN VALSE AANBIDDING

Hoge plaatsen, ofte wel plaatsen of heiligdommen waar afgoderij werd bedreven, vond men niet alleen op heuvels en bergen, maar ook in dalen, stroombeddingen, steden en onder bomen (Deut. 12:2; 1 Kon. 14:23; 2 Kon. 17:29; Ezech. 6:3). In deze heiligdommen bevonden zich offeraltaren, reukwerktafels, heilige palen, heilige zuilen en gesneden beelden (Lev. 26:30; Num. 33:52; Deut. 12:2, 3; Ezech. 6:6). Op veel hoge plaatsen werd prostitutie bedreven, zowel door mannen als door vrouwen (1 Kon. 14:23, 24; Hos. 4:13, 14). De hoge plaatsen waren vaak het toneel van losbandige riten, met inbegrip van rituele prostitutie en kinderoffers. — Jes. 57:5; Jer. 7:31; 19:5.

Ook waren er huizen of heiligdommen van de hoge plaatsen, waar priesters dienst deden en waar de beelden van de godheden bewaard werden (1 Kon. 12:31; 13:32; 2 Kon. 17:29, 32; 23:19, 20; Jes. 16:12). Bijgevolg kan de aanduiding ’hoge plaats’ soms betrekking hebben op zo’n heiligdom en niet op een hoger gelegen plaats van aanbidding, zoals een heuvel, een berg of een kunstmatig vervaardigde verhoging. Dit blijkt uit de woorden van Ezechiël, die over veelkleurige hoge plaatsen sprak, die van kleren waren gemaakt (Ezech. 16:16). Misschien waren deze hoge plaatsen op tenten gelijkende heiligdommen.

Voordat de Israëlieten het Beloofde Land binnentrokken, werd hun geboden de heilige hoge plaatsen der Kanaänieten en alles wat met valse aanbidding te maken had, te vernietigen (Num. 33:51, 52). De Israëlieten gehoorzaamden echter niet, en na de dood van Jozua en het oudere geslacht trad er een grote afval in. — Recht. 2:2, 8-13; Ps. 78:58.

AANBIDDING OP BEPAALDE HOGE PLAATSEN DOOR JEHOVAH TOEGESTAAN

Volgens Jehovah’s wet mochten er alleen op de door hem aangewezen plaats offers worden gebracht. In de dagen van Jozua gaven de Israëlieten te kennen dat zij het onbevoegde bouwen van een brandofferaltaar als opstand tegen Jehovah beschouwden (Deut. 12:1-14; Joz. 22:29). Uit de tijd dat de heilige ark zich niet meer in de tabernakel bevond (1 Sam. 4:10, 11; 6:1, 10-14; 7:1, 2), zijn er echter aanwijzingen dat er behalve in de tent der samenkomst nog op andere plaatsen aanvaardbare offers werden gebracht, en dat niet alleen onder bijzondere omstandigheden, maar in enkele gevallen ook op een enigszins geregelde basis (1 Sam. 7:7-9; 10:8; 11:14, 15; 16:4, 5; 1 Kon. 3:3; 1 Kron. 21:26-30). Het laatstgenoemde wordt te kennen gegeven door het feit dat op de hoge plaats bij een niet met name genoemde stad in het land Zuf klaarblijkelijk een gebouw was opgetrokken waar schijnbaar de gemeenschapsoffers gegeten konden worden. De eetzaal daar bood plaats aan ongeveer 30 mensen of misschien nog meer. Zelfs de meisjes van de stad wisten dat op die plaats offers werden gebracht (1 Sam. 9:5, 11-13, 22-25). Het kan ook de gewoonte zijn geweest dat families jaarlijks een offer brachten, niet in de tabernakel, maar in hun woonplaats. — 1 Sam. 20:6, 29.

Het offeren op hoge plaatsen kon gerechtvaardigd worden op grond van het feit dat er nog geen huis voor de naam van Jehovah was gebouwd. Salomo moest op de grote hoge plaats te Gibeon offeren, waar zich destijds de tabernakel bevond. — 1 Kon. 3:2-4; 1 Kron. 16:37-40, 43; 21:29; 2 Kron. 1:3, 13.

ONDER DE ISRAËLIETEN

Tegen het einde van zijn regering bouwde koning Salomo hoge plaatsen voor de valse goden die door zijn buitenlandse vrouwen werden aanbeden. Dit droeg ertoe bij dat de Israëlieten de ware aanbidding, de aanbidding van Jehovah, de rug toekeerden en valse goden dienden. Derhalve gaf Jehovah bij monde van zijn profeet Ahia te kennen dat van Salomo’s zoon tien stammen afgescheurd zouden worden, waarover Jerobeam zou heersen (1 Kon. 11:7, 8, 30-35). Op enkele uitzonderingen na namen de koningen uit de geslachtslijn van David aan de aanbidding op hoge plaatsen deel.

De profeet Amos voorzei onder inspiratie dat de „hoge plaatsen van Isaäk” woest zouden worden gelegd. Met de „hoge plaatsen van Isaäk” wordt klaarblijkelijk gedoeld op de heilige hoge plaatsen waar de Israëlieten van het tienstammenrijk, nakomelingen van Isaäk via Jakob of Israël, valse aanbidding beoefenden. Dit wordt eveneens te kennen gegeven door het feit dat de uitdrukking „hoge plaatsen van Isaäk” parallel loopt met de uitdrukking „heiligdommen van Israël”. — Amos 7:9; zie ook Hosea 10:2-10.

Nadat de koning van Assyrië het tienstammenrijk in ballingschap had gevoerd, bleven de hoge plaatsen nog een tijdlang bestaan, want de mensen uit vreemde volkeren die de koning van Assyrië naar het gebied van Samaria bracht, zetten hun aanbidding op de hoge plaatsen voort (2 Kon. 17:24, 29-32). Ongeveer 100 jaar daarna slechtte de getrouwe koning Josia van Juda het altaar en de hoge plaats te Bethel en ontwijdde hij het altaar door er mensenbeenderen op te verbranden. Hij verwijderde ook alle huizen van de hoge plaatsen die in de steden van Samaria waren, slachtte alle priesters der hoge plaatsen af en verbrandde mensenbeenderen op de altaren (2 Kon. 23:15-20). Hierdoor werd een profetie vervuld die meer dan 300 jaar voordien door een niet met name genoemde „man Gods” was uitgesproken. — 1 Kon. 13:1, 2.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen