Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 493-494
  • Gezondmaking

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Gezondmaking
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • JEZUS EN ZIJN MEDEGENEZERS
  • GEESTELIJKE GEZONDMAKING
  • Gezondmaking
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
  • De wonderbare genezing van de mensheid is nabij
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1997
  • Goddelijke gezondmaking tot volmaakt leven
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehova’s koninkrijk 1951
  • ’Wonderbare genezingen’ in deze tijd — Van God afkomstig?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2008
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 493-494

GEZONDMAKING.

Het teruggeven van gezondheid aan de zieken; het helen van wat gebroken of beschadigd is; het genezen van verscheidene ziekten en gebreken; een persoon doen terugkeren tot een algemene staat van welzijn. Een dergelijke gezondmaking in zowel letterlijke als figuurlijke zin wordt in de bijbel door diverse Hebreeuwse en Griekse woorden weergegeven. Soms vond de gezondmaking geleidelijk plaats; andere keren geschiedde ze ogenblikkelijk.

Tot de zegeningen die Jehovah aan de gehele mensheid heeft geschonken, behoort het regeneratievermogen van hun fysieke organisme, d.w.z. het vermogen van het lichaam om zich na verwonding of ziekte te herstellen. Een arts kan weliswaar iets aanbevelen teneinde het herstel te bespoedigen, maar in werkelijkheid is de genezing aan het door God geschonken herstellingsvermogen in het lichaam toe te schrijven. Daarom erkende de psalmist David dat alhoewel hij onvolmaakt was geboren, zijn Schepper hem tijdens ziekte kon schragen en al zijn kwalen kon genezen (Ps. 51:5; 41:1-3; 103:2-4). Jehovah herstelde de lichamelijke gezondheid van de gekwelde Job (Job 42:10). Van fysieke gezondmaking wordt melding gemaakt met betrekking tot kwalen zoals melaatsheid en wonden die waren toegebracht in de strijd. — Ex. 15:26; Lev. 14:3, 4; 2 Kon. 8:29; 9:15.

Over Jehovah staat geschreven dat hij zowel wonden toebrengt als geneest, en hij doet dit in letterlijk en figuurlijk opzicht. Derhalve is er voor Hem een tijd om te verwonden en een tijd om te genezen (Deut. 32:39; vergelijk Prediker 3:1, 3). Joram bijvoorbeeld, de ontrouwe koning van Juda, werd door Jehovah gestraft met een fysieke kwaal van de ingewanden waarvoor geen genezing was (2 Kron. 21:16, 18, 19). Mozes besefte dat het Jehovah was die Mirjam met melaatsheid had geslagen; daarom richtte hij zich smekend tot de Enige die haar kon genezen en zei: „O God, alstublieft! Genees haar alstublieft!” (Num. 12:10, 13) Nadat de crisis in verband met Sara en het zaad der belofte voorbij was, genas Jehovah koning Abimelech, zijn vrouw en zijn slavinnen, zodat zij weer kinderen konden krijgen. — Gen. 20:17, 18.

In de bijbel wordt echter grotere belangrijkheid toegekend aan geestelijke kwalen en de daarmee verbonden genezing dan aan fysieke kwalen. De aandacht wordt gevestigd op de verantwoordelijkheid die de leiders van het natuurlijke Israël in deze kwestie droegen. In de dagen van Jeremia was het zo dat ’van de profeet tot zelfs de priester ieder bedrieglijk handelde’, terwijl zij terzelfder tijd voorwendden de breuk van Gods volk te genezen (Jer. 6:13, 14; 8:11). Hierin leken zij veel op de vertroosters van Job, die „geneesheren van niets” waren. — Job 13:4.

JEZUS EN ZIJN MEDEGENEZERS

Jezus Christus besefte dat het ’onderwijzen en prediken van het goede nieuws van het koninkrijk’ de belangrijkste plaats in zijn bediening innam, en dat het ’genezen van elke soort van kwaal en elk soort van gebrek onder het volk’ op de tweede plaats kwam. Daarom had hij vooral medelijden met de scharen „omdat zij gestroopt en heen en weer gedreven waren als schapen zonder herder”. — Matth. 4:23; 9:35, 36; Luk. 9:11.

Deze grote Onderwijzer toonde ook mededogen met de scharen die hem volgden in de hoop dat hij hen van hun fysieke kwalen zou genezen (Matth. 12:15; 14:14; 19:2; Luk. 5:15). Zijn wonderbaarlijke genezingswerk diende als een zichtbaar teken voor zijn geslacht en vormde een extra bewijs dat hij de voorzegde Messias was (Matth. 8:16, 17). Het was ook een voorafschaduwing van de genezing waarmee de mensheid onder Gods Koninkrijksheerschappij gezegend zal worden (Openb. 21:3, 4). Jezus genas velen in letterlijk opzicht — de kreupelen, verminkten, blinden en stommen (Matth. 15:30, 31), lijders aan vallende ziekte en verlamden (Matth. 4:24), een vrouw die aan een bloedvloeiing leed (Mark. 5:25-29), iemand met een verdorde hand (Mark. 3:3-5) en een man die aan waterzucht leed (Luk. 14:2-4). Bovendien werden bij vele gelegenheden personen die door demonen bezeten waren, van hun satanische slavernij en dienstbaarheid bevrijd. — Matth. 12:22; 15:22-28; 17:15, 18; Mark. 1:34; Luk. 6:18; 8:26-36; 9:38-42; Hand. 10:37, 38.

De manier waarop Jezus mensen genas, was niet altijd hetzelfde. Bij één gelegenheid zei Jezus alleen maar „Sta op, neem uw draagbed op en loop”, en een zieke man bij het waterbekken van Bethzatha werd genezen (Joh. 5:2-9). In een ander geval sprak Jezus slechts het woord en de zieke, die zich weliswaar ver weg bevond, werd genezen (Matth. 8:5-13). Andere keren legde hij persoonlijk zijn hand op de zieke (Matth. 8:14, 15) of raakte een wond aan en genas die (Luk. 22:50, 51). Verscheidene zieken raakten Jezus of de franje van zijn kleed alleen maar aan en werden genezen (Matth. 14:36; Mark. 6:56; Luk. 6:19; 8:43-47). En het maakte geen verschil dat de desbetreffende personen reeds jarenlang door de ziekte waren gekweld. — Matth. 9:20-22; Luk. 13:11-13; Joh. 5:5-9.

Jezus genas de zieken niet door eigen kracht, kennis of wijsheid. Ook maakte hij geen gebruik van hypnotherapie, psychotherapie of soortgelijke methoden. In plaats daarvan werden zijn genezingen door de geest en kracht van Jehovah tot stand gebracht (Luk. 5:17; 9:43). Maar helaas waren niet allen dankbaar genoeg om God de heerlijkheid te geven voor deze genezingen (Luk. 17:12-18). In deze tijd beseft niet iedereen dat door middel van het loskoopoffer van Christus eeuwigdurende genezing mogelijk is gemaakt. — 1 Petr. 2:24.

Deze goddelijke kracht van gezondmaking gaf Jezus door aan anderen die nauw met hem verbonden waren in zijn bediening. Toen de 12 apostelen en later de 70 discipelen werden uitgezonden, werden zij in staat gesteld de zieken te genezen (Matth. 10:5, 8; Luk. 10:1, 8, 9). Na Pinksteren in 33 G.T. ontvingen zekere personen, onder wie Petrus, Johannes, Filippus en Paulus, eveneens deze goddelijke kracht om mensen volledig te genezen (Hand. 3:1-16; 4:14; 5:15, 16; 8:6, 7; 9:32-34; 28:8, 9). Toen het christendom eenmaal stevig bevestigd was en de apostelen van het toneel verdwenen, kwam er tevens een eind aan deze „gaven van gezondmakingen”. — 1 Kor. 12:8, 9, 28, 30; 13:8, 13.

Het was belangrijk dat degene die de genezing verrichtte, volledig geloof en vertrouwen in Jehovah had en net als Jezus erkende dat de genezing door Gods kracht tot stand werd gebracht (Matth. 17:14-20; Joh. 5:19). Degenen die door ziekten werden gekweld, hoefden echter niet noodzakelijkerwijs te geloven voordat zij genezen werden (Joh. 5:5-9, 13). Velen bezaten evenwel een sterk geloof. — Matth. 8:5-13; 15:28; Mark. 5:34; Luk. 7:1-10; 17:19; Hand. 14:8-10.

Wonderbaarlijke genezingen zouden een „teken” van goddelijke ondersteuning zijn (Hand. 4:22, 29, 30). Degenen die weigerden dit teken te zien en te erkennen, waren blind en doof (Jes. 6:10; Joh. 12:37-41). Omdat goddelijke gezondmakingen als een teken voor ongelovigen moesten dienen, werden zulke genezingen dan ook gewoonlijk niet verricht ten behoeve van degenen die reeds door de geest verwekte christenen waren. In plaats dat Paulus dus een wonderbaarlijke genezing verrichtte om WD2.78,Timotheüs van zijn maagklachten af te helpen, raadde hij hem aan een weinig wijn voor zijn kwaal te gebruiken. — 1 Tim. 5:23.

GEESTELIJKE GEZONDMAKING

Ware geestelijke gezondmaking schenkt Jehovah echter aan berouwvolle personen. Zo’n gezondmaking betekent in figuurlijke zin dat men weer in Gods gunst komt en zich weer in Zijn zegeningen kan verheugen (Jes. 19:22; 57:17-19; Jer. 33:6). De uitwerking ervan is dat in geestelijk opzicht de slappe handen en de wankelende knieën worden gesterkt, blinde ogen worden geopend en de oren der doven worden ontsloten, de kreupelen worden genezen en de stommen weer kunnen spreken (Jes. 35:3-6). Maar degenen die onverbeterlijk zijn in hun afvalligheid ervaren nimmer een geestelijke gezondmaking of een herstel tot een goede gezondheid en voorspoed in geestelijk opzicht (2 Kron. 36:15-17; Jes. 6:10; Jer. 30:12, 13; Hand. 28:24-28). Insgelijks zou er geen genezing zijn voor Egypte en zijn Farao, en voor de „koning van Assyrië”. — Jer. 46:11; Ezech. 30:21; Nah. 3:18, 19.

In de Schrift wordt het geneesmiddel voorgeschreven voor personen die geestelijk ziek zijn. — Hebr. 12:12, 13; Jak. 5:14-16; Openb. 3:18.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen