GIBEA
(Gi̱bea) [heuvel].
Een stad in het gebied van Benjamin (Joz. 18:28), ook „Gibea van Benjamin” (1 Sam. 13:2), „Gibea van de zonen van Benjamin” (2 Sam. 23:29) en „Gibea van Saul” (2 Sam. 21:6) genoemd. Ze lag blijkbaar dicht bij de hoofdweg tussen Jebus (Jeruzalem) en Rama (Recht. 19:11-15). Vanwege haar ligging op een van de hoogten van de centrale Palestijnse bergketen was Gibea in oorlogstijd zeer geschikt als uitkijkpost (1 Sam. 14:16). Over het algemeen identificeren geografen deze stad met Tell el-Ful, dat ongeveer 5 km ten N. van Jeruzalem ligt.
In het Hebreeuws is de schrijfwijze van Geba (de mannelijke vorm van het woord voor „heuvel”) en Gibea (de vrouwelijke vorm) bijna identiek. Velen zijn van mening dat dit in de masoretische tekst tot schrijffouten heeft geleid en adviseren derhalve om bepaalde schriftplaatsen te veranderen en „Geba” in plaats van „Gibea” te lezen en omgekeerd. In een commentaar hierover wordt met betrekking tot Eén Samuël hoofdstuk 13 en 14 opgemerkt: „De commentators zijn het echter volkomen oneens over de vraag waar de verwisselingen moeten worden aangebracht (zo leest bijvoorbeeld Smith overal Geba in plaats van Gibea; Kennedy leest Geba in plaats van Gibea in [hoofdstuk 13] vers 2, Gibea in plaats van Geba in vers 3 en Geba in plaats van Gibea in xiv. 2); en het is niet onmogelijk het verloop van de veldtocht zonder die veranderingen te begrijpen” (Soncino Books of the Bible, Samuel, door S. Goldman, blz. 69). Doch in Rechters 20:10, 33 geeft de context duidelijk te kennen dat „Gibea” wordt bedoeld. Derhalve wijken veel vertalers hier van de weergave van de masoretische tekst af en gebruiken het woord „Gibea” in plaats van „Geba”.
In de tijd van de rechters speelde de stad Gibea een belangrijke rol in een gebeurtenis die bijna tot de volledige uitroeiing van de gehele stam Benjamin leidde. Een oude man nodigde een Efraïmitische leviet en diens bijvrouw uit om bij hem te overnachten. Weldra omsingelden nietswaardige mannen van Gibea het huis en eisten dat de leviet aan hen uitgeleverd zou worden opdat zij gemeenschap met hem konden hebben. Nadat de leviet zijn bijvrouw aan hen had afgestaan, misbruikten zij haar de gehele nacht, zodat zij ’s morgens stierf. (Op deze schokkende zonde kan in Hosea 9:9 en 10:9 gezinspeeld zijn.) Aangezien de stam Benjamin de schuldige mannen van Gibea in bescherming nam, trokken de andere stammen tegen Benjamin ten strijde. Tweemaal leden zij zware verliezen, totdat zij de Benjaminieten ten slotte volledig versloegen en Gibea aan het vuur prijsgaven. — Recht. 19:15–20:48.
Gibea was de woonplaats van Saul, de eerste koning van Israël (1 Sam. 10:26; 15:34), en klaarblijkelijk ook van Ittai (Ithai), een van Davids sterke mannen (2 Sam. 23:8, 29; 1 Kron. 11:26, 31), alsook van Ahiëzer en Joas, twee krijgslieden die zich te Ziklag bij David aansloten (1 Kron. 12:1-3). Gibea was kennelijk ook de eerste hoofdstad van het Israëlitische koninkrijk onder Saul. Toen de stad Jabes (Jabes-Gilead) door de Ammonieten werd belegerd, kwamen vandaar boden naar Gibea en smeekten om hulp. Teneinde aan deze bedreiging het hoofd te bieden, riep koning Saul vanuit Gibea Israël onverwijld tot de oorlog op (1 Sam. 11:1-7). Later maakte Saul de naaste omgeving van Gibea tot het uitgangspunt van zijn krijgsverrichtingen tegen de Filistijnen (1 Sam. 13:2-4, 15; 14:2, 16). Ook kwamen bij twee gelegenheden mannen van Zif naar Gibea om aan Saul te berichten waar de vogelvrijverklaarde David zich verborgen hield. — 1 Sam. 23:19; 26:1.
Tijdens de regering van David werden zeven van de zonen en kleinzonen van Saul in Gibea („Gibeon” volgens Aquila, Symmachus, het Vaticaanse handschrift 1209 en het Alexandrijnse handschrift) ter dood gebracht vanwege de bloedschuld die het huis van Saul op zich had geladen doordat Saul vele Gibeonieten had laten ombrengen. Sauls bijvrouw, die weduwe was geworden, hield de wacht bij de dode mannen, zodat aasvogels en andere dieren zich niet aan hun lijken konden vergasten. — 2 Sam. 21:1-10.
In de 8ste eeuw v.G.T. sprak Jehovah er via de profeet Jesaja profetisch over dat Gibea voor de in de richting van Jeruzalem oprukkende Assyrische legers gevlucht was (Jes. 10:24, 29-32). En bij monde van Hosea gaf God een profetische beschrijving waarin werd getoond dat het noordelijke tienstammenrijk als het ware reeds veroverd was, terwijl Gibea en Rama in Benjamin (in het zuidelijke koninkrijk Juda) door de vijand werden bedreigd. — Hos. 5:8-10.