GELUKKIGVERKLARINGEN
[van een vorm van het Hebreeuwse ’a·sjarʹ, „gelukkig verklaren”; Grieks: ma·kaʹri·os, „gelukkig”].
De in de Psalmen en Spreuken opgetekende gelukkigverklaringen, en vooral die welke Jezus Christus in zijn Bergrede uitsprak, worden vaak „zaligsprekingen” genoemd. De uitdrukking „gelukkigverklaringen” is echter duidelijker, want het woord „zalig” kan behalve „in de hoogste mate gelukkig” ook „het eeuwige heil deelachtig, in hemelse heerlijkheid opgenomen, overleden” betekenen. Daarom geven enkele bijbelvertalingen ’a·sjarʹ en ma·kaʹri·os soms met „gelukkig” weer (LV, GNB, NW, PC, WV). Ma·kaʹri·os wordt in de Statenvertaling in Handelingen 26:2 met „gelukkig” vertaald.
JEHOVAH EN JEZUS CHRISTUS
Jehovah is „de gelukkige God” en zijn Zoon Jezus Christus wordt „de gelukkige en enige Machthebber” genoemd (1 Tim. 1:11; 6:15). Ondanks het feit dat door de intrede van goddeloosheid in de hemel en op aarde Jehovah’s naam en soevereiniteit zijn betwist, is hij zeker van de verwezenlijking van zijn voornemens; er kan niets gedaan worden wat hij niet overeenkomstig zijn wil toelaat (Jes. 46:10, 11; 55:10, 11). Hij bezit weliswaar de macht om bepaalde toestanden te veranderen, maar hij laat ze lankmoedig toe. Daarmee beoogt hij echter een bepaald doel, en derhalve is hij gelukkig. — Rom. 9:22-24.
De psalmist roept uit: „De heerlijkheid van Jehovah zal tot onbepaalde tijd blijken te zijn. Jehovah zal zich over zijn werken verheugen” (Ps. 104:31). Met betrekking tot geven is hij de Grootste en Voornaamste, die altijd edelmoedig, barmhartig en liefdevol is en nooit verbitterd wordt wanneer een van zijn schepselen zich ondankbaar betoont (Jak. 1:17). Jezus Christus, zijn Zoon, is gelukkig omdat hij volledig op zijn Vader vertrouwt en altijd datgene doet wat Hem behaagt (Joh. 8:29). Zelfs onder beproevingen en lijden bezat Jezus innerlijke vreugde. — Hebr. 12:2; vergelijk Mattheüs 5:10-12.
HOE MEN GELUKKIG WORDT
Elke in de bijbel beloofde staat van geluk is afhankelijk van iemands goede verhouding tot God. Hij zal zich alleen in zo’n gelukkige toestand verheugen wanneer hij God liefheeft en hem getrouw dient. Wie Jehovah niet gehoorzaamt, kan niet werkelijk gelukkig zijn. Zijn zegen is onontbeerlijk voor geluk, want ook gelukkig zijn behoort tot zijn ’goede gaven’ en ’volmaakte geschenken’.
Geluk spruit niet voort uit het vergroten van materieel bezit of macht. Jezus zei: „Het is gelukkiger te geven dan te ontvangen” (Hand. 20:35). Degene die consideratie betoont jegens de geringe en aldus ervaart dat geven gelukkig maakt, ontvangt de verzekering: „Jehovah zelf zal hem behoeden en hem in het leven houden. Hij zal gelukkig geprezen worden op de aarde” (Ps. 41:1, 2). Datgene wat tot waar geluk bijdraagt, is kennis omtrent Jehovah, van hem afkomstige wijsheid, en zelfs terechtwijzing en streng onderricht door hem (Spr. 2:6; 3:13, 18; Ps. 94:12). Wie op Jehovah vertrouwt (Spr. 16:20), een welgevallen heeft in Zijn wet en ernaar leeft (Ps. 1:1, 2; 112:1), gerechtigheid in acht neemt (Ps. 106:3) en God vreest (Ps. 128:1), is werkelijk gelukkig.
EEN GELUKKIGE NATIE
Een hele natie kan gelukkig zijn wanneer ze werkelijk Jehovah als haar God navolgt en zijn wetten gehoorzaamt (Ps. 33:12; 144:15). Na Davids rechtvaardige bestuur en in de tijd dat koning Salomo Jehovah’s wet gehoorzaamde, bevond de natie Israël zich in zekerheid en was ze gelukkig. De bijbel zegt: „Juda en Israël waren talrijk, zo talrijk als de zandkorrels die aan de zee zijn, terwijl zij aten en dronken en zich verheugden” (1 Kon. 4:20, 25; 10:8; 2 Kron. 9:7). Hieruit blijkt wat voor invloed een rechtvaardige regering op een natie kan hebben. (Vergelijk Spreuken 29:2, 18.) Jezus toonde de nationalistisch gezinde joden heel duidelijk wat vereist is om als natie gelukkig te zijn. De joden dachten dat zij op grond van hun vleselijke verwantschap met Abraham en Jakob ’de gelukkige natie’ waren „wier God Jehovah is” (Ps. 33:12). Hij gaf hun echter in niet mis te verstane woorden te kennen dat het koninkrijk Gods van hen weggenomen zou worden en „aan een natie [zou] worden gegeven die de vruchten daarvan voortbrengt” (Matth. 21:43). De apostel Petrus paste later de uitdrukking „natie” toe op de door de geest verwekte personen die in eendracht met Christus zijn, door te zeggen: „Gij zijt ’een uitverkoren geslacht, een koninklijke priesterschap, een heilige natie, een volk tot een speciaal bezit, opdat gij alom de voortreffelijkheden zoudt bekendmaken’ van degene die u uit de duisternis heeft geroepen tot zijn wonderbaar licht.” — 1 Petr. 2:9.
CHRISTUS’ RAAD MET BETREKKING TOT GELUK
Jezus opende de Bergrede op indrukwekkende wijze door negen gelukkigverklaringen op te sommen, waarbij hij eigenschappen noemde die vereist zijn om Gods gunst te verwerven, met het vooruitzicht het koninkrijk der hemelen te beërven (Matth. 5:1-12). Het opmerkelijke in verband met deze gelukkigverklaringen is dat het verwerven van geluk niet afhankelijk is van de tijd waarin men leeft, noch van onvoorziene gebeurtenissen, en ook niet van zuiver menslievende daden die men wellicht verricht. Waar geluk spruit voort uit dingen van geestelijke aard, de aanbidding van God en de verwezenlijking van Gods beloften. Jezus zei bijvoorbeeld: „Zalig zijn de armen van geest . . . ” (SV), of duidelijker weergegeven: „Gelukkig zijn zij die zich bewust zijn van hun geestelijke nood, want hun behoort het koninkrijk der hemelen toe” (Matth. 5:3). Vervolgens voegde hij eraan toe: „Gelukkig zijn de treurenden, want zij zullen vertroost worden” (Matth. 5:4). Uit de context (vs. 3 en 6) blijkt dat hij niet alle personen die om de een of andere reden treuren, in gedachten had. Hij gaf te kennen dat hij personen bedoelde die treurden wegens hun behoeftige geestelijke toestand en die hongerden en dorstten naar rechtvaardigheid. Op deze treurenden zou God acht slaan, en hij zou hen zegenen door hun geestelijke nood te lenigen, want Jezus beloofde: „Zij zullen verzadigd worden.” — Vergelijk 2 Korinthiërs 7:10; Jesaja 61:1-3; Ezechiël 9:4.
In het boek Openbaring sprak Jezus Christus bij monde van de engel zeven gelukkigverklaringen uit (Openb. 1:3; 14:13; 16:15; 19:9; 20:6; 22:7; 22:14). In de inleiding verklaart het boek: „Gelukkig is hij die de woorden van deze profetie hardop leest en zijn zij die ze horen en die onderhouden al wat daarin geschreven staat” (1:3), en in het besluit wordt gezegd: „Gelukkig zijn zij die hun lange gewaden wassen, opdat hun het recht wordt verleend om naar de bomen des levens te gaan en zij ingang in de stad [het Nieuwe Jeruzalem] mogen verwerven door haar poorten.” — 22:14.