Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 524-531
  • Griekenland, Grieken

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Griekenland, Grieken
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • POLITIEKE STRUCTUUR EN DEMOCRATISCHE EXPERIMENTEN
  • HANDEL EN NIJVERHEID
  • DE GRIEKSE GODSDIENST
  • De filosofische leer der onsterfelijkheid
  • Tempels en afgodsbeelden
  • DE PERIODE VAN DE PERZISCHE OORLOGEN
  • VANAF DE HEGEMONIE VAN ATHENE TOT AAN DE MACEDONISCHE OVERHEERSING
  • GRIEKENLAND ONDER ALEXANDER
  • ROMEINSE OVERHEERSING VAN DE GRIEKSE STATEN
  • HELLENEN EN HELLENISTEN IN DE EERSTE EEUW G.T.
  • Hellenisten
  • Griekenland, Grieken
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
  • De eerste-eeuwse christenen in de Griekse wereld
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2008
  • Athene
    Hulp tot begrip van de bijbel
  • Het Griekse Rijk
    Inzicht in de Schrift, Deel 2
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 524-531

GRIEKENLAND, GRIEKEN

Deze namen zijn afgeleid van Graiʹkoi, de naam van een stam in Noordwest-Griekenland. De Italiërs pasten de naam (Latijn: Graeci) op de bewoners van heel Griekenland toe. Uiteindelijk gebruikte zelfs Aristoteles in zijn geschriften de term op soortgelijke wijze.

Een andere oude naam, „Ioniërs”, komt vanaf de 8ste eeuw v.G.T. in Assyrische spijkerschriftdocumenten voor, alsook in Perzische en Egyptische annalen. Deze naam is afgeleid van Javan (Hebreeuws: Ja·wanʹ), de zoon van Jafeth en kleinzoon van Noach. Javan was de Jafethitische voorvader van de oude volken van Griekenland en de omliggende eilanden, en klaarblijkelijk ook van de vroege bewoners van Cyprus, gedeelten van Zuid-Italië, Sicilië en Spanje. — Gen. 10:1, 2, 4, 5; 1 Kron. 1:4, 5, 7.

Hoewel de aanduiding „Ionisch” tegenwoordig geografisch gezien betrekking heeft op de zee tussen Zuid-Griekenland, Zuid-Italië en de eilandenketen langs de westkust van Griekenland, werd deze aanduiding eens in een ruimere betekenis toegepast, die meer overeenkomt met het gebruik van het woord „Javan” in de Hebreeuwse Geschriften. In de 8ste eeuw v.G.T. sprak de profeet Jesaja over de tijd dat de teruggekeerde ballingen van Juda naar verre natiën gezonden zouden worden, onder andere naar „Tubal en Javan, de verafgelegen eilanden”. — Jes. 66:19.

In de christelijke Griekse Geschriften wordt het land Helʹlas („Griekenland”, Hand. 20:2) en het volk Hel·leʹnes genoemd. De Grieken zelf gebruikten deze namen reeds verscheidene eeuwen vóór de gewone tijdrekening en doen dit nog steeds. „Hellas” kan verband houden met „Elisa”, een van de zonen van Javan (Gen. 10:4). Na de verovering door de Romeinen in 146 v.G.T. werd ook de naam „Achaje” op Midden- en Zuid-Griekenland toegepast.

Griekenland omvatte het zuidelijke gedeelte van het bergachtige Balkanschiereiland, alsook de eilanden van de Ionische Zee in het W. en van de Egeïsche Zee in het O. In het Z. lag de Middellandse Zee. Waar de noordgrens lag, staat niet vast, vooral omdat de Javanieten van Griekenland in vroegere tijdsperiodes geen op zichzelf staande natie vormden. In latere tijden zou „Griekenland” echter tot de landstreken Illyrië (ongeveer overeenkomend met West-Joegoslavië en Albanië) en Macedonië hebben gereikt. Wellicht hebben de Macedoniërs en degenen die later als „Grieken” bekendstonden, in werkelijkheid dezelfde oorsprong.

POLITIEKE STRUCTUUR EN DEMOCRATISCHE EXPERIMENTEN

Van de regeringsvorm in de meeste Griekse stadstaten weet men slechts weinig. Een uitzondering hierop vormen Athene en Sparta, waarvan de staatsvorm vrij goed bekend is. Klaarblijkelijk verschilde deze staatsvorm aanzienlijk van die welke in Kanaän, Mesopotamië en Egypte bestond. Op z’n minst in de zogenoemde historische tijd had men geen koning maar magistraten, een raad en een volksvergadering (ek·kleʹsi·a). Athene experimenteerde met rechtstreekse democratie (het woord „democratie” is afgeleid van het Griekse deʹmos, dat „volk” betekent, en kraʹtos, dat „heerschappij” betekent). In deze regeling vormden alle burgers de wetgevende macht, waarbij elke burger in de volksvergadering inspraak en stemrecht bezat. De „burgers” vormden echter een minderheid, aangezien vrouwen, inwonende vreemdelingen en slaven geen burgerrechten bezaten. Men denkt dat de slaven in veel stadstaten wel een derde van de bevolking uitmaakten. Ongetwijfeld hadden de „burgers” dank zij de slavenarbeid voldoende vrije tijd om aan de volksvergadering deel te nemen. Het is opmerkenswaard dat in de vroegste in de Hebreeuwse Geschriften voorkomende verwijzing naar Griekenland (ongeveer de 9de eeuw v.G.T.) staat dat Tyrus, Sidon en Filistea Judeeërs als slaven aan de „zonen van de Grieken” (letterlijk: „Javanieten” of „Ioniërs”) verkochten. — Joël 3:4-6.

HANDEL EN NIJVERHEID

Afgezien van de landbouw, die de voornaamste bezigheid was, vervaardigden de Grieken ook vele produkten, die voor een deel werden geëxporteerd. Griekse vazen waren overal in het Middellandse-Zeegebied beroemd. Zilveren en gouden voorwerpen, alsook wollen stoffen, waren eveneens in trek. Er waren talrijke zelfstandige bedrijfjes. De eigenaars waren handwerkslieden, die enkele arbeiders, hetzij slaven of vrije burgers, in dienst hadden. In de Griekse stad Korinthe werkte de apostel Paulus met Aquila en Priskilla in het tentenmakersvak samen; waarschijnlijk gebruikten zij stof van geitehaar, dat in Griekenland ruimschoots voorhanden was. — Hand. 18:1-4.

DE GRIEKSE GODSDIENST

Onze vroegste kennis van de Griekse godsdienst hebben wij te danken aan de epische dichtkunst van Homerus. Feitelijk is het niet zeker of Homerus wel heeft bestaan. Latere beschrijvingen van zijn leven schijnen verzinsels te zijn. Maar de twee aan hem toegeschreven epische gedichten, de Ilias en de Odyssee, werden in de klassieke oudheid elke vier jaar in Athene gereciteerd. De oudste papyrusfragmenten van deze gedichten stammen naar men aanneemt uit de tijd vóór 150 v.G.T. Volgens George G. A. Murray, professor in de Griekse taal en letterkunde, wijken deze vroege teksten aanzienlijk af van de versie die in de afgelopen eeuwen als de algemeen aanvaarde tekst is beschouwd. In tegenstelling tot de bijbel zijn de geschriften van Homerus dus niet ongeschonden gebleven. Integendeel, ze waren, zoals professor Murray aantoont, ten zeerste aan veranderingen onderhevig.

De gedichten van Homerus handelen over menselijke helden en over goden, die zeer veel op mensen lijken. Sommige geleerden vermoeden dat er een samenhang bestaat tussen de Odyssee en het Gilgamesj-epos van Babylon. Hoe het ook zij, er bestaan definitieve bewijzen dat de Griekse godsdienst onder Babylonische invloed heeft gestaan. Eén oude Griekse fabel is een bijna letterlijke vertaling van een Akkadisch origineel.

Aan een andere dichter, Hesiodus, die waarschijnlijk in de 8ste eeuw v.G.T. leefde, schrijft men de systematisering van de talloze Griekse mythen en sagen toe. Te zamen met de gedichten van Homerus behoorde Hesiodus’ Theogonie tot de voornaamste heilige of theologische geschriften van de Grieken.

In dit verband is het interessant te zien hoe de bijbel licht werpt op de mogelijke, ja, zelfs waarschijnlijke oorsprong van de Griekse mythen. Zoals uit Genesis 6:1-13 blijkt, kwamen engelenzonen van God vóór de Vloed naar de aarde, klaarblijkelijk door zich in menselijke gedaante te materialiseren, en hadden seksuele gemeenschap met aantrekkelijke vrouwen. Hun nakomelingen werden „Nefilim” of „Vellers” genoemd, d.w.z. ’zij die anderen ten val brengen’. Als gevolg van deze tegennatuurlijke vereniging van geestelijke schepselen met mensen, en het daaruit voortkomende bastaardgeslacht, werd de aarde met immoraliteit en gewelddaad vervuld. (Vergelijk Judas 6; 1 Petrus 3:19, 20; 2 Petrus 2:4, 5; zie NEFILIM.) Javan, de voorvader van de Griekse stammen, behoorde ongetwijfeld tot degenen die na de Vloed de gebeurtenissen vernamen die vóór de Vloed hadden plaatsgevonden; waarschijnlijk heeft zijn vader Jafeth, die de Vloed had overleefd, hem erover verteld. Merk nu eens op wat de geschriften die aan Homerus en Hesiodus worden toegeschreven, onthullen.

De talrijke goden en godinnen die daarin beschreven worden, hadden een menselijke gedaante en waren zeer schoon, hoewel zij dikwijls als bovenmenselijke reuzen worden voorgesteld. Zij aten, dronken, sliepen, zij hadden seksuele gemeenschap, zowel onderling als met mensen, leefden in familieverband, maakten ruzie en vochten, verleidden en verkrachtten. Hoewel zogenaamd heilig en onsterfelijk, waren zij niettemin tot elke soort van bedrog en misdaad in staat. Zij konden zowel zichtbaar als onzichtbaar onder de mensen rondgaan. Latere Griekse schrijvers en filosofen probeerden uit de werken van Homerus en Hesiodus de ergste schanddaden die aan de goden werden toegeschreven, te verwijderen.

Deze werken vormen wellicht een afspiegeling van het in Genesis te vinden authentieke verslag over de situatie vóór de Vloed, zij het in zeer uitgebreide, opgesmukte en verdraaide vorm. Nog een opmerkelijke overeenkomst is dat de Griekse sagen niet alleen over hoofdgoden spreken, maar ook over halfgoden of helden, die deels van goddelijke, deels van menselijke afstamming waren. Deze halfgoden bezaten weliswaar bovenmenselijke kracht, maar waren sterfelijk (van hen was Herakles [Hercules] de enige aan wie het voorrecht werd verleend onsterfelijkheid te verkrijgen). Er bestaat dus een opvallende overeenkomst tussen deze halfgoden en de Nefilim die in het Genesisverslag worden genoemd.

Van de hoofdgoden der Grieken zei men dat ze op de Olympus (2911 m) woonden, die zich ten Z. van de stad Berea verheft. (Paulus bevond zich vlak bij de hellingen van de Olympus toen hij op zijn tweede zendingsreis de Bereeërs bezocht; Hand. 17:10.) Tot deze Olympische goden behoorden: Zeus (door de Romeinen Jupiter genoemd; Hand. 28:11), de god van de hemel; Hera (de Romeinse Juno), de gemalin van Zeus; Gaea of Ge, de godin van de aarde, ook wel Grote Moeder genoemd; Apollo, een zonnegod, een god van de plotselinge dood, die zijn dodelijke pijlen van verre afschoot; Artemis (de Romeinse Diana), de godin van de jacht, wier verering als vruchtbaarheidsgodin in Efeze zozeer op de voorgrond trad (Hand. 19:23-28, 34, 35); Ares (de Romeinse Mars), de oorlogsgod; Hermes (de Romeinse Mercurius), de god van de reizigers, van de handel en van de welsprekendheid, de boodschapper der goden (in Lystra in Klein-Azië noemden de mensen Barnabas „Zeus, maar Paulus Hermes, omdat hij het woord voerde” [Hand. 14:12]); Aphrodite (de Romeinse Venus), de godin van de vruchtbaarheid en de liefde, die werd beschouwd als de „zuster van de Assyro-Babylonische Isjtar en de Syro-Fenicische Astarte” (Greek Mythology, Paul Hamlyn, blz. 63); en talloze andere goden en godinnen. In feite schijnt elke stadstaat zijn eigen ondergeschikte goden te hebben gehad, die volgens plaatselijk gebruik werden vereerd.

Zeer populair waren de orakels — plaatsen waar de goden, naar men geloofde, verborgen kennis openbaarden. De beroemdste orakelplaatsen waren tempels op Delos, in Delphi en Dodona. Daar kon men tegen betaling antwoorden op aan het orakel gestelde vragen krijgen. De orakelspreuken waren gewoonlijk dubbelzinnig en moesten door de priesters uitgelegd worden.

De filosofische leer der onsterfelijkheid

Aangezien de Griekse filosofen zelf in de essentiële vragen van het leven geïnteresseerd waren, gaven hun zienswijzen tevens vorm aan de religieuze opvattingen van het volk. Socrates, die in de 5de eeuw v.G.T. leefde, onderwees de onsterfelijkheid van de menselijke ziel. In Plato’s Phaedo (vertaald door M. A. Schwartz, 1964) wordt Socrates als volgt geciteerd: „Zal die ziel die zodanig en van zulk een natuur is, zodra zij het lichaam verlaat, terstond uiteengeblazen en vergaan zijn, zoals de mensen zeggen? Daarvan kan geen sprake zijn, . . . integendeel. Het volgende is het geval. Indien zij in zuiverheid heengaat, . . . gaat zij dan niet naar het haar gelijke, het onzichtbare, het goddelijke en onsterfelijke en wijze? Daar gekomen valt het haar ten deel gelukzalig te zijn, verlost van omzwerving en onverstand en angsten en wilde begeerten en de andere menselijke zwakheden. . . . zij leeft voortaan waarlijk met de goden samen” (hfdst. 29). Vergelijk dit met Ezechiël 18:4 en Prediker 9:5, 10.

Tempels en afgodsbeelden

Ter ere van de goden bouwde men luisterrijke tempels en maakte men prachtig gevormde beelden van marmer en brons, die deze goden moesten voorstellen. De ruïnes van enkele van de beroemdste van deze tempels bevinden zich op de Acropolis van Athene, waaronder het Parthenon, de Propyleeën en het Erechtheion. In diezelfde stad hield Paulus een toespraak, waarin hij over de vrees voor de godheden sprak, die daar zo duidelijk aan het licht trad. Hij vertelde zijn toehoorders onomwonden dat de Schepper van hemel en aarde „niet in door handen gemaakte tempels [woont]” en dat zij, als Gods nageslacht, niet moesten menen dat de Schepper „op goud of zilver of steen gelijkt, op iets wat door menselijke kunstvaardigheid en menselijk vernuft is gebeeldhouwd”. — Hand. 17:22-29.

DE PERIODE VAN DE PERZISCHE OORLOGEN

De opkomst van het Medo-Perzische Rijk onder Cyrus (die in 539 v.G.T. Babylon veroverde) vormde een bedreiging voor Griekenland. Cyrus had Klein-Azië, met inbegrip van daar gevestigde Griekse kolonies, reeds veroverd. In het derde jaar van Cyrus werd Daniël er door Jehovah’s hemelse boodschapper over ingelicht dat de vierde koning van Perzië „alles in beweging [zou] brengen tegen het koninkrijk Griekenland” (Dan. 10:1; 11:1, 2). De derde Perzische koning (Darius Hystaspis) sloeg in 499 v.G.T. een opstand van Griekse kolonies neer en maakte zich gereed om Griekenland binnen te vallen. De oprukkende Perzische vloot verging in 492 door een storm. Vervolgens viel in 490 een groot Perzisch leger Griekenland binnen, maar het werd op de vlakten van Marathon, ten N.O. van Athene, door een klein leger van Atheners verslagen. Toen Darius’ zoon Xerxes de Perzische troon besteeg, was hij vastbesloten deze nederlaag te wreken. Als de voorzegde ’vierde koning’ bracht hij het gehele rijk in beweging om een kolossaal leger op de been te brengen, en in 480 v.G.T. stak hij de Hellespont over.

Alhoewel enkele belangrijke stadstaten van Griekenland nu bij wijze van uitzondering een eenheid vormden in hun strijd tegen de binnenvallende legers, trokken de Perzische troepen dwars door Noord- en Midden-Griekenland, bereikten Athene en staken de burcht van de stad, de Acropolis, in brand. Ter zee slaagden de Atheners en de Griekse hulptroepen er echter in, de Perzische vloot (met haar Fenicische en andere bondgenoten) bij Salamis door middel van knappe strategie te verslaan en tot zinken te brengen. Na deze overwinning versloegen zij de Perzen nogmaals, nu te land, bij Plataeae en vervolgens ook nog bij Mycale, aan de westkust van Klein-Azië, waarna de Perzische troepen Griekenland verlieten.

VANAF DE HEGEMONIE VAN ATHENE TOT AAN DE MACEDONISCHE OVERHEERSING

Dank zij een sterke vloot werd Athene nu de toonaangevende macht in Griekenland. De daaropvolgende periode, tot ongeveer 431 v.G.T., was de „Gouden Eeuw” van Athene, waarin de beroemdste voortbrengselen op het gebied van kunst en architectuur tot stand kwamen. Athene stond aan het hoofd van de Delisch-Attische Zeebond, een verbond van verscheidene Griekse steden en eilanden. Doordat de Peloponnesische Bond, onder leiding van Sparta, zich bedreigd voelde door de belangrijke positie van Athene, brak de Peloponnesische oorlog uit. Deze duurde van 431–404 v.G.T., en de Atheners werden ten slotte volledig door de Spartanen verslagen. Het strenge bewind van Sparta duurde tot ongeveer 371 v.G.T., waarna Thebe de overhand kreeg. Voor Griekenland brak er een periode van politiek verval aan, alhoewel Athene het culturele en filosofische centrum van het Middellandse-Zeegebied bleef. Uiteindelijk werd Griekenland in 338 v.G.T. door het steeds machtiger wordende Macedonië onder Philippus II veroverd en onder Macedonisch bestuur verenigd.

GRIEKENLAND ONDER ALEXANDER

In de 6de eeuw v.G.T. had Daniël een profetisch visioen ontvangen waarin de omverwerping van het Medo-Perzische Rijk door Griekenland werd voorzegd. Philippus’ zoon Alexander was door Aristoteles onderwezen en werd, nadat Philippus was vermoord, de voorvechter van de Griekssprekende volken. In 334 v.G.T. trok Alexander ten strijde om de Perzische aanvallen op de Griekse steden aan de westkust van Klein-Azië te wreken. Zijn bliksemsnelle verovering van niet alleen Klein-Azië, maar ook Syrië, Palestina, Egypte en het gehele Medo-Perzische Rijk helemaal tot aan India, vormde de vervulling van het profetische beeld in Daniël 8:5-7, 20, 21. (Vergelijk Daniël 7:6.) Door in 332 v.G.T. de heerschappij over Judea over te nemen, werd Griekenland — na Egypte, Assyrië, Babylon en Medo-Perzië — de vijfde achtereenvolgende wereldmacht voor zover het de natie Israël betrof. Tegen het jaar 328 v.G.T. was Alexanders veroveringstocht compleet en nu ging het overige gedeelte van Daniëls visioen in vervulling. Alexander stierf in 323 v.G.T. op betrekkelijk jonge leeftijd in Babylon en zijn rijk werd vervolgens, zoals was voorzegd, in vier delen verdeeld, waarvan niet één het oorspronkelijke rijk in kracht evenaarde. — Dan. 8:8, 21, 22; 11:3, 4.

Vóór zijn dood had Alexander echter de Griekse cultuur en de Griekse taal in heel zijn uitgestrekte rijk ingevoerd. In vele veroverde landen werden Griekse kolonies gesticht. In Egypte werd de stad Alexandrië gebouwd en deze werd uiteindelijk de rivaal van Athene als centrum van onderwijs en wetenschap. Zo begon de hellenisering (of graecisering) van een groot deel van het Middellandse-Zeegebied en het Midden-Oosten. De koiʹne (het algemene Grieks) werd de lingua franca, die door mensen van vele nationaliteiten werd gesproken. Het was de taal waarin de Hebreeuwse Geschriften van de bijbel werden vertaald, waardoor de Septuaginta-vertaling ontstond, vervaardigd door joodse geleerden in Alexandrië. Later werden de christelijke Griekse Geschriften in het koiʹne-Grieks opgetekend, en de internationale populariteit van deze taal droeg tot de snelle verbreiding van het christelijke goede nieuws in het gehele Middellandse-Zeegebied bij. — Zie GRIEKS.

ROMEINSE OVERHEERSING VAN DE GRIEKSE STATEN

Macedonië en Griekenland (één van de vier gedeelten waarin Alexanders rijk was verdeeld) werden in 197 v.G.T. door de Romeinen veroverd. Het jaar daarop kondigde de Romeinse veldheer „vrijheid” voor alle Griekse steden af. Dit betekende dat er geen belasting zou worden geheven, maar Rome verwachtte wel volledige tegemoetkoming aan al zijn wensen. Geleidelijk ontwikkelden zich antiRomeinse gevoelens. Macedonië voerde oorlog tegen de Romeinen, maar leed in 167 v.G.T. opnieuw de nederlaag en werd ongeveer 20 jaar later een Romeinse provincie. De Achaeïsche Bond, onder leiding van Korinthe, kwam in 146 v.G.T. in opstand, waarop de Romeinse legers Zuid-Griekenland binnentrokken en Korinthe verwoestten. De provincie Achaje werd gevormd, die uiteindelijk tegen het jaar 27 v.G.T. geheel Zuid- en Midden-Griekenland omvatte. — Hand. 19:21; Rom. 15:26; zie ACHAJE.

De Romeinse overheersing betekende voor Griekenland een periode van politiek en economisch verval. Slechts de Griekse cultuur hield stand en werd door de veroverende Romeinen op grote schaal overgenomen. Griekse beelden en Griekse literatuur werden vol enthousiasme geïmporteerd. Zelfs hele tempels werden ontmanteld en naar Italië verscheept. Vele Romeinse jonge mannen ontvingen hun scholing in Athene of in andere Griekse onderwijscentra. Griekenland ging echter niet met de tijd mee, maar bleef op oude roem voortteren.

HELLENEN EN HELLENISTEN IN DE EERSTE EEUW G.T.

Ten tijde van Jezus’ bediening en die van zijn apostelen stonden personen die in Griekenland geboren waren of die tot het Griekse volk behoorden, nog steeds bekend als Hel·leʹnes (enkelvoud: Helʹlen). De Grieken noemden personen van andere volken „barbaren”, wat gewoon buitenlanders of mensen die een vreemde taal spreken, betekent. Zo maakt ook de apostel Paulus in Romeinen 1:14 verschil tussen „Grieken” en „barbaren”. — Zie BARBAAR.

In enkele gevallen gebruikt Paulus de uitdrukking Hel·leʹnes echter ook in een ruimere zin. Hij doet dit vooral wanneer hij, in tegenstelling tot de joden, naar de Hel·leʹnes of Grieken verwijst als vertegenwoordigers van alle niet-joodse volken (Rom. 1:16; 2:6, 9, 10; 3:9; 10:12; 1 Kor. 10:32; 12:13). Zo stelt Paulus in 1 Korinthiërs hoofdstuk 1 de „Grieken” (vs. 22) klaarblijkelijk op één lijn met de „natiën” (vs. 23). Dit kwam ongetwijfeld doordat de Griekse taal en cultuur in het gehele Romeinse Rijk een belangrijke en bijzondere plaats innamen. De Grieken stonden zogezegd ’boven aan de lijst’ van niet-joodse volken. Dit wil niet zeggen dat Paulus of de andere schrijvers van de christelijke Griekse Geschriften de uitdrukking Hel·leʹnes in een zeer vage betekenis gebruikten, zodat zij met de term Helʹlen niets meer dan „heiden” bedoelden, zoals sommige bijbelcommentators te kennen geven. Paulus spreekt in Kolossenzen 3:11 afzonderlijk over de „Griek”, de „buitenlander [barʹba·ros]” en de „Scyth”, hetgeen aantoont dat Hel·leʹnes werd gebruikt om een specifiek volk aan te duiden.

Dat de vrouw van Syro-Fenicische nationaliteit wier dochter door Jezus werd genezen (Mark. 7:26-30), een „Griekse” werd genoemd, betekent blijkbaar dat zij van Griekse afkomst was. De Grieken die zich onder degenen bevonden „die opgingen om op het [pascha]feest te aanbidden”, en die om een gesprek met Jezus vroegen, waren klaarblijkelijk Griekse proselieten, d.w.z. bekeerlingen tot het joodse geloof (Joh. 12:20; neem nota van Jezus’ profetische uitspraak in vers 32, namelijk dat hij ’mensen van alle soorten tot zich zou trekken’). Timotheüs’ vader en Titus worden beiden Helʹlen genoemd (Hand. 16:1, 3; Gal. 2:3). Dit kan betekenen dat zij qua ras Grieken waren. Maar gezien de neiging die sommige Griekse schrijvers zouden hebben om Hel·leʹnes toe te passen op niet-Grieken die wel Grieks spraken en tot de Griekse beschaving behoorden, en gezien het feit dat Paulus, zoals eerder is besproken, de uitdrukking in vertegenwoordigende zin gebruikt, is het heel goed mogelijk dat al deze personen Grieken in deze laatstgenoemde betekenis waren. Niettemin is het feit dat de Griekse vrouw zich in Syro-Fenicië bevond, of dat Timotheüs’ vader in Lystra (Klein-Azië) woonde, of dat Titus in Syrisch Antiochië gewoond schijnt te hebben, geen bewijs dat zij geen echte Grieken of van Griekse afkomst waren — in al deze gebieden waren namelijk Griekse kolonisten en immigranten te vinden.

Toen Jezus tot een groep mensen zei dat hij ’naar degene ging die hem had gezonden’ en: „Waar ik [heen ga], kunt gij niet komen”, zeiden de joden onder elkaar: „Waarheen is deze man van plan te gaan, zodat wij hem niet zullen vinden? Hij is toch niet van plan naar de joden te gaan die onder de Grieken verstrooid zijn en de Grieken te onderwijzen?” (Joh. 7:32-36) Met ’de joden die onder de Grieken verstrooid zijn’, bedoelden zij klaarblijkelijk precies wat zij zeiden — niet de joden die zich in Babylon hadden gevestigd, maar degenen die verspreid waren over de verre Griekse steden en landstreken in het W. Uit de verslagen van Paulus’ zendingsreizen blijkt het opmerkelijk grote aantal joodse immigranten dat in die Griekse gebieden woonde.

In Handelingen 17:12 en 18:4 wordt ongetwijfeld over echte Grieken gesproken, aangezien daar sprake is van gebeurtenissen in de Griekse steden Berea en Korinthe. Dit kan ook het geval zijn met de „Grieken” in Macedonisch Thessalonika (Hand. 17:4), in Efeze aan de westkust van Klein-Azië, een stad die reeds lang door Grieken was gekoloniseerd en die eens de hoofdstad van Ionië was (Hand. 19:10, 17; 20:21), en zelfs in Ikonium, in Centraal-Klein-Azië (Hand. 14:1). Hoewel de combinatie ’joden en Grieken’ die in enkele van deze schriftplaatsen voorkomt, erop zou kunnen duiden dat Lukas, net als Paulus, de uitdrukking „Grieken” daar in vertegenwoordigende zin gebruikte, namelijk voor alle niet-joodse volken in het algemeen, lag in werkelijkheid alleen Ikonium geografisch gezien buiten de onmiddellijke Griekse invloedssfeer.

Hellenisten

In het boek Handelingen vindt men nog een andere uitdrukking: Hel·le·nisʹtai (enkelvoud: Hel·le·nisʹtes). Deze uitdrukking komt noch in Griekse noch in hellenistische joodse literatuur voor; daarom is de betekenis niet helemaal zeker. De meeste lexicografen zijn echter van mening dat deze uitdrukking in Handelingen 6:1 en 9:29 betrekking heeft op „Griekssprekende joden”. In de eerste van deze twee teksten worden deze Hel·le·nisʹtai genoemd in tegenstelling tot de „Hebreeuwssprekende joden” (E·braiʹoi [Griekse tekst van Westcott en Hort]).

De vorm van Hel·le·nisʹtai die in Handelingen 11:20 voorkomt en betrekking heeft op bepaalde inwoners van Syrisch Antiochië, kan echter verwijzen naar „Griekssprekende mensen” in het algemeen, in plaats van Griekssprekende joden. Dit blijkt kennelijk uit Handelingen 11:19, waar wordt opgemerkt dat in Antiochië vóór de komst van christenen uit Cyrene en Cyprus het woord „alleen tot joden” gepredikt werd. De daar genoemde Hel·le·nisʹtai kunnen dus personen zijn van verschillende nationaliteiten, die gehelleniseerd waren en de Griekse taal gebruikten (en wellicht volgens Griekse gewoonte leefden).

De apostel Paulus bezocht Macedonië en Griekenland zowel op zijn tweede als zijn derde zendingsreis (Hand. 16:11–18:11; 20:1-6). Hij verrichtte zijn bediening in de belangrijke Macedonische steden Filippi, Thessalonika en Berea en in de grote Achaeïsche steden Athene en Korinthe (Hand. 16:11, 12; 17:1-4, 10-12, 15; 18:1, 8). Op zijn tweede zendingsreis besteedde hij anderhalf jaar aan de bediening in Korinthe (Hand. 18:11), en in die tijd schreef hij de twee brieven aan de Thessalonicenzen en mogelijk ook de brief aan de Galaten. Op zijn derde zendingsreis schreef hij vanuit Korinthe zijn brief aan de Romeinen. Na zijn eerste gevangenschap in Rome bezocht Paulus Macedonië klaarblijkelijk opnieuw, en wel tussen 61 en 64 G.T., vanwaar hij vermoedelijk zijn eerste brief aan Timotheüs en mogelijk zijn brief aan Titus schreef.

[Kaart op blz. 529]

(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)

GRIEKENLAND

GRIEKENLAND

MIDDELLANDSE ZEE

KRETA

IONISCHE ZEE

Sparta

Peloponnesus

Argos

Saronische Golf

AEGINA

SALAMIS

Kenchrea

Korinthe

Kanaal van Korinthe

Golf van Korinthe

ELIS

AETOLIË

EPIRUS

Dodona

THESSALIË

MACEDONIË

Olympus

Berea

Thessalonika

Filippi

EUBOEA

BOEOTIË

ATTICA

Athene

Marathon

Plataeae

Thebes

Delphi

Thermopylae

DELOS

EGEÏSCHE ZEE

KOS

SAMOS

CHIOS

LESBOS

Mitylene

Assus

Adramyttium

Troas

Troje

Hellespont (Dardanellen)

SAMOTRACE

THRACIË

[Illustratie op blz. 525]

De door de oude Grieken aanbeden Zeus. Deze bronzen afbeelding dateert vermoedelijk uit de 5de eeuw v.G.T.

[Illustratie op blz. 526]

De toppen van de Olympus, de berg die door de oude Grieken als heilig werd beschouwd

[Illustratie op blz. 527]

De ruïnes van de tempel van Apollo te Delphi, waar een orakel, naar men geloofde, verborgen kennis openbaarde

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen