Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 470-476
  • Geslachtsregister

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Geslachtsregister
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • MET WELK DOEL DE GESLACHTSREGISTERS ZIJN OPGETEKEND
  • ANDERE IN HET OOG SPRINGENDE GESLACHTSLIJSTEN
  • OFFICIËLE ARCHIEVEN
  • PROBLEMEN BIJ HET VASTSTELLEN VAN GENEALOGISCHE VERWANTSCHAPSVERHOUDINGEN
  • Steden en meervoudige namen
  • Verkorte lijsten
  • REDENEN VOOR AFWIJKINGEN IN GENEALOGISCHE LIJSTEN
  • Herhaling van namen of verschillende namen voor dezelfde persoon
  • NAMEN VAN VROUWEN
  • GESLACHTSREGISTERS EN GESLACHTEN
  • DE BETROUWBAARHEID VAN DE BIJBELSE GESLACHTSREGISTERS
  • PAULUS’ RAAD MET BETREKKING TOT GESLACHTSREGISTERS
  • Geslachtsregister
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
  • Het enige werkelijk belangrijke geslachtsregister
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1978
  • Vragen van lezers
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1971
  • Geslachtsregister van Jezus Christus
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 470-476

GESLACHTSREGISTER.

De stamboom van een geslacht, waarin de voorouders en de bloedverwanten staan opgetekend; ook genealogie genoemd. Jehovah God is de voornaamste Auteur van geslachtsregisters: Hij heeft een bericht bijgehouden van de schepping, de oorsprongen, de geboorte en de afstamming. Hij is „de Vader, aan wie elke familie in de hemel en op aarde haar naam te danken heeft” (Ef. 3:14, 15). Bijgevolg mogen wij verwachten dat zijn Woord, de bijbel, een nauwkeurig bericht bevat van de geslachtsregisters die een belangrijke rol in zijn voornemen spelen.

MET WELK DOEL DE GESLACHTSREGISTERS ZIJN OPGETEKEND

Na de Vloed wees Noachs zegen erop dat de nakomelingen van Sem door God begunstigd zouden worden (Gen. 9:26, 27). Later openbaarde God aan Abraham dat hetgeen zijn „zaad” genoemd zou worden, via Isaäk zou komen (Gen. 17:19; Rom. 9:7). Het lag derhalve voor de hand dat er een zeer zorgvuldig opgetekend geslachtsregister nodig zou zijn om dit zaad te kunnen identificeren. Dientengevolge werd in de loop des tijds de geslachtslijn van Juda, de stam die een leidende rol toegezegd was (Gen. 49:10), en vooral de familie van David, de koninklijke geslachtslijn, nauwgezet geregistreerd (2 Sam. 7:12-16). Dit opgetekende verslag verschafte dan ook het geslachtsregister van de Messias, het Zaad — een afstammingslijn van buitengewoon grote betekenis. — Joh. 7:42.

Het volgende uiterst behoedzaam bewaarde geslachtsregister was dat van de stam Levi, waarin speciaal de nadruk werd gelegd op de priesterlijke familie van Aäron. — Ex. 28:1-3; Num. 3:5-10.

Bovendien waren opgetekende geslachtsregisters onder de Wet onontbeerlijk om de onderlinge stamverhoudingen bij de landverdeling vast te stellen en de verhoudingen binnen een familie te bepalen wanneer afzonderlijke personen land erfden. Ook waren ze noodzakelijk om vast te kunnen stellen wie de naaste bloedverwant was die als go·’elʹ gerechtigd was het zwagerhuwelijk aan te gaan (Deut. 25:5, 6), zijn bloedverwant terug te kopen (Lev. 25:47-49) en als bloedwreker tegen een doodslager op te treden (Num. 35:19). Verder verbood het Wetsverbond huwelijken binnen bepaalde graden van bloedverwantschap of zwagerschap, hetgeen eveneens een kennis van de genealogische verhoudingen noodzakelijk maakte. — Lev. 18:6-18.

Hoe nauwgezet de Israëlieten aan deze geslachtsregisters vasthielden, wordt geïllustreerd door de situatie die zich na de terugkeer uit Babylon voordeed, toen sommigen die beweerden van priesterlijke afkomst te zijn, hun register niet konden vinden. Nehemia bepaalde dat zij niet van de allerheiligste dingen, bestemd voor de priesterschap, mochten eten totdat zij hun afstamming in het openbaar konden laten vaststellen (Neh. 7:63-65). De door Nehemia verordende inschrijving van het volk omvatte ook de Nethinim, want ofschoon zij geen Israëlieten waren, vormden zij officieel een aan de tempeldienst gewijde groep. — Neh. 7:46-56.

Wat de chronologie betreft, in de meeste gevallen was het geenszins de bedoeling dat de geslachtslijsten volledige gegevens zouden verschaffen. En toch zijn ze vaak een hulp voor de chronologie doordat ze ertoe dienen bepaalde punten in de tijdrekening na te trekken of belangrijke bijzonderheden aan te vullen. Ook kunnen de geslachtslijsten gewoonlijk niet als een aanwijzing voor de bevolkingsgroei worden gebruikt, want veelal worden bepaalde tussenschakels weggelaten waar ze voor de speciaal aangehaalde geslachtsregisters niet van belang zijn. En aangezien geslachtsregisters in de regel niet de namen van vrouwen bevatten, zijn de namen van de echtgenotes en bijvrouwen die een man wellicht gehad heeft, niet vermeld; insgelijks behoeven niet al de zonen die hij bij deze vrouwen heeft gehad, genoemd te zijn; af en toe kunnen zelfs enkelen van de zonen van zijn hoofdvrouw zijn weggelaten.

ANDERE IN HET OOG SPRINGENDE GESLACHTSLIJSTEN

Buiten de afstammingslijn van Adam tot Jezus Christus (Gen. 5:3-32; 11:10-30; 21:2, 3; 25:26; 35:22-26; Num. 1:20-50) en de omvangrijke geslachtsregisters van Jakobs 12 zonen, bestaan er geslachtsregisters betreffende de oorsprong van aan Israël verwante volkeren. In deze registers staan de broers van Abraham (Gen. 11:27-29; 22:20-24); de zonen van Ismaël (Gen. 25:13-18); Moab en Ammon, de zonen van Abrahams neef Lot (Gen. 19:33-38); de zonen van Abraham bij Ketura, van wie de Midianieten en andere stammen afstamden (Gen. 25:1-4); alsook de nakomelingen van Esau (Edom). — Gen. 36:1-19, 40-43.

Deze natiën zijn belangrijk wegens hun verwantschap met Gods uitverkoren volk Israël. Zowel Isaäks vrouw als de vrouwen van Jakob stamden uit de familie van Abrahams broer (Gen. 22:20-23; 24:4, 67; 28:1-4; 29:21-28). God wees de natiën Moab, Ammon en Edom aan Israël grenzende gebieden toe, en Israël kreeg het uitdrukkelijke gebod de erfelijke bezitting van deze volkeren niet aan te tasten, noch hen lastig te vallen. — Deut. 2:4, 5, 9, 19.

OFFICIËLE ARCHIEVEN

Afgezien van de registers die door families zelf werden bijgehouden, schijnt men in Israël ook nationale geslachtsregisters te hebben bijgehouden. In Genesis hoofdstuk 46 vindt men een lijst van de personen die in Jakobs huisgezin werden geboren tot op het ogenblik waarop Jakob Egypte binnentrok en klaarblijkelijk zelfs helemaal tot aan de tijd van zijn dood. In Exodus 6:14-25 verschijnt een geslachtsregister waarin voornamelijk de nakomelingen van Levi vermeld staan en dat schijnbaar uit een vroeger register werd afgeschreven. De eerste telling van de natie werd in 1512 v.G.T., het tweede jaar na hun uittocht uit Egypte, in de wildernis van Sinaï gehouden; destijds lieten de Israëlieten hun afstamming „met betrekking tot hun families in het huis van hun vaderen” bevestigen (Num. 1:1, 18; zie ook Numeri hoofdstuk 3). De enige andere vóór de ballingschap op schrift gestelde volkstelling van Israël die op Gods bevel werd gehouden, vond ongeveer 39 jaar later op de vlakten van Moab plaats. — Num. hfdst. 26.

Afgezien van de geslachtsregisters die in Mozes’ geschriften staan opgetekend, werden zulke lijsten ook samengesteld door andere officiële kroniekschrijvers, onder wie Samuël, de schrijver van de boeken Rechters, Ruth en een deel van Eén Samuël; Ezra, die Eén en Twee Kronieken alsook het boek Ezra schreef; en Nehemia, de schrijver van het boek dat zijn naam draagt. In deze geschriften vindt men ook bewijzen dat nog andere personen geslachtsregisters bijhielden, zoals Iddo (2 Kron. 12:15) en Zerubbabel, die klaarblijkelijk bepaalde dat de gerepatrieerde Israëlieten zich in de geslachtsregisters moesten laten inschrijven (Ezra hfdst. 2). Tijdens de regering van de rechtvaardige koning Jotham werden de stammen van Israël die in het land Gilead woonden, in een geslachtsregister opgenomen. — 1 Kron. 5:1-17.

Deze geslachtsregisters werden tot aan het begin van onze gewone tijdrekening zorgvuldig bewaard. Dit wordt bewezen door het feit dat elke familie in Israël in staat was naar de stad van zijn vaders huis terug te keren om zich in gehoorzaamheid aan de verordening die Caesar Augustus vlak vóór Jezus’ geboorte had uitgevaardigd, te laten inschrijven (Luk. 2:1-5). Ook wordt er over Zacharias, de vader van Johannes de Doper, opgemerkt dat hij tot de priesterafdeling van Abia behoorde en over Johannes’ moeder Elisabeth dat zij uit de dochters van Aäron was (Luk. 1:5). Over de profetes Anna wordt gezegd dat zij „uit de stam Aser” kwam (Luk. 2:36). En natuurlijk maken de omvangrijke geslachtslijsten van Jezus’ voorvaders in Mattheüs hoofdstuk 1 en Lukas hoofdstuk 3 duidelijk dat zulke registers in de openbare archieven werden bijgehouden en voor iedereen toegankelijk waren.

De geschiedschrijver Josephus getuigt van het bestaan van officiële joodse geslachtsregisters wanneer hij zegt: „En niet alleen ben ik van een priesterlijk geslacht, maar ook van de eerste der vierentwintig dagorden [afdelingen] . . . en van de voornaamste tot deze behoorende familiën.” Nadat hij erop heeft gewezen dat zijn moeder een nakomelinge van de Hasmoneeën was, besluit hij met te zeggen: „Ik deel dit mijn geslachtregister mede, zooals ik het in de openbare archieven heb opgeteekend gevonden, zonder mij verder te bekommeren om hen, die mij met lasteringen vervolgen.” — Het leven van Flavius Josephus, 1.

De officiële geslachtsregisters van de joden werden niet door koning Herodes de Grote vernietigd, zoals Africanus in het begin van de 3de eeuw beweerde, maar klaarblijkelijk door de Romeinen bij de verwoesting van Jeruzalem in 70 G.T. (Tegen Apion, I, 7). Sedertdien zijn de joden niet eens in staat hun afstamming van de twee belangrijkste geslachtslijnen, namelijk die van David en Levi, te bewijzen.

PROBLEMEN BIJ HET VASTSTELLEN VAN GENEALOGISCHE VERWANTSCHAPSVERHOUDINGEN

Wanneer men de verwantschapsverhoudingen binnen de geslachtsregisters wil vaststellen, moet men vaak de context bestuderen of parallelle lijsten of teksten uit verschillende delen van de bijbel met elkaar vergelijken. Zo kan bijvoorbeeld met „zoon” in werkelijkheid een kleinzoon of louter een nakomeling bedoeld zijn (Matth. 1:1). Bovendien kan een lijst met namen op een register van broers, de zonen van één man, lijken. Bij een nadere beschouwing en door een vergelijking met andere teksten kan het echter een register van een geslachtslijn blijken te zijn, waarin enkele zonen en ook enkele kleinzonen of nog latere nakomelingen worden genoemd. In Genesis 46:21 worden klaarblijkelijk zowel zonen als kleinzonen van Benjamin als „zonen” aangeduid, zoals uit een vergelijking met Numeri 26:38-40 blijkt.

Omgekeerd kan „vader” ook „grootvader” betekenen (Dan. 5:11, 18). Op veel plaatsen, zoals in Deuteronomium 26:5; 1 Koningen 15:11, 24 en 2 Koningen 15:38, kan het Hebreeuwse woord ’av (vader) ook in de zin van „stamvader” of „voorvader” zijn gebruikt. Insgelijks worden de Hebreeuwse woorden ’em (moeder) en bath (dochter) soms voor „grootmoeder”, respectievelijk „kleindochter” gebruikt. — 1 Kon. 15:10, 13.

Steden en meervoudige namen

In sommige lijsten wordt misschien over een man gezegd dat hij de „vader” van een bepaalde stad is, zoals in 1 Kronieken 2:50-54, waar bijvoorbeeld Salma als „de vader van Bethlehem” en Sobal als „de vader van Kirjath-Jearim” wordt aangeduid. Klaarblijkelijk werden de steden Bethlehem en Kirjath-Jearim hetzij door deze mannen gesticht of door hun nakomelingen bevolkt. In dezelfde lijst staat verder: „De zonen van Salma waren Bethlehem en de Netofathieten, Atroth-Beth-Joab en de helft van de Manathieten, de Zorieten” (vs. 54). De hier genoemde Netofathieten, Manathieten en Zorieten waren blijkbaar families.

In Genesis 10:13, 14 schijnen de namen van de nakomelingen van Mizraïm meervoudsvormen te zijn. Men heeft geopperd dat het hier niet om de namen van individuele personen gaat, doch veeleer om de namen van families of stammen. Men dient echter in gedachte te houden dat ook andere namen die in de dualis of in de meervoudsvorm staan, zoals bijvoorbeeld Efraïm, Appaïm, Diblaïm, Mesillemoth, alsook de bovengenoemde Mizraïm, de zoon van Cham, op één persoon betrekking hebben. — Gen. 41:52; 1 Kron. 2:30, 31; Hos. 1:3; 2 Kron. 28:12.

Verkorte lijsten

Vaak hebben de bijbelschrijvers een geslachtslijst sterk ingekort. Zij noemden dan klaarblijkelijk slechts de familiehoofden van de prominentere huizen of belangrijke personages, of personen die voor het door hen geschreven speciale geschiedkundige verslag het belangrijkst waren. Soms deed de kroniekschrijver kennelijk alleen maar moeite om de afstamming van een bepaalde verre voorvader aan te tonen; derhalve kon hij de namen van vele tussenschakels weglaten.

Een voorbeeld van zo’n verkorting vindt men in Ezra’s eigen geslachtsregister (Ezra 7:1-5). Hij heeft daarin zijn afstamming van de hogepriester Aäron opgetekend, maar in de parallelle lijst in 1 Kronieken 6:3-14 verschijnen in de verzen7 tot 10 enkele namen die in Ezra 7:3 zijn weggelaten. Waarschijnlijk deed Ezra dit om een onnodige herhaling te vermijden en om de lange lijst van namen korter te maken. Toch was de lijst volkomen toereikend om zijn priesterlijke afstamming te bewijzen. Wanneer Ezra zegt dat hij de „zoon” van Seraja is, bedoelt hij dat hij diens nakomeling was, want hij moet Seraja’s achterkleinzoon, of misschien zelfs zijn achter-achterkleinzoon geweest zijn. Seraja was hogepriester en werd ten tijde van de wegvoering naar Babylon (607 v.G.T.) door Nebukadnezar gedood; zijn zoon Jozadak werd in ballingschap gevoerd (2 Kon. 25:18-21; 1 Kron. 6:14, 15). Jozua (Jesua), de hogepriester, die 70 jaar later met Zerubbabel terugkeerde, was Seraja’s kleinzoon (Ezra 5:2; Hag. 1:1). Ezra reisde 69 jaar daarna naar Jeruzalem, wat het onmogelijk maakt dat hij werkelijk de zoon van Seraja en de broer van Jozadak was.

Door de geslachtsregisters uit deze bijbelgedeelten met elkaar te vergelijken, kan men nog iets leren, namelijk dat Ezra, ofschoon hij een nakomeling van Aäron via Seraja was, blijkbaar niet uit die lijn van Seraja stamde waarin het ambt van hogepriester erfelijk was en die via Jozadak liep, maar een afstammeling was van een later hetzij aan Seraja of Jozadak geboren zoon. De hogepriesterlijke lijn liep van Seraja via Jozua (Jesua), Jojakim en Eljasib, waarbij laatstgenoemde tijdens het stadhouderschap van Nehemia hogepriester was. Ezra had derhalve met zijn verkorte geslachtsregister zijn doel bereikt: Hij verschafte precies genoeg namen om zijn plaats in de afstammingslijn van Aäron te bewijzen. — Neh. 3:1; 12:10.

REDENEN VOOR AFWIJKINGEN IN GENEALOGISCHE LIJSTEN

Vaak werd een kinderloos gestorven zoon niet genoemd; in sommige gevallen kan de man een dochter, maar geen zoon hebben gehad, en het erfdeel kan overgedragen zijn via een dochter, die door haar huwelijk onder een ander familiehoofd van dezelfde stam was komen te staan (Num. 36:7, 8). Soms werd een minder prominente familie onder een ander familiehoofd in het geslachtsregister opgenomen, zodat zo’n onbeduidende familie niet vermeld werd. Daarom konden kinderloosheid, de overdracht van het erfdeel via vrouwen, misschien een adoptie of het onvermogen om een eigen geslacht of voorvaderlijk huis te stichten, er de oorzaak van zijn dat namen uit enkele geslachtslijsten werden weggelaten, terwijl nieuw gestichte huizen voor nieuwe namen op de lijsten konden zorgen. Het ligt derhalve voor de hand dat de namen in een later geslachtsregister in veel opzichten van die in een vroegere lijst konden verschillen.

Een aantal familiehoofden kan voorkomen in wat een lijst van broers schijnt te zijn, maar waarbij in werkelijkheid ook neven inbegrepen zijn. Zo zei Jakob toen hij Jozefs zonen „adopteerde”: „Efraïm en Manasse zullen van mij worden als Ruben en Simeon” (Gen. 48:5). Dientengevolge worden Efraïm en Manasse later naast hun ooms als stamhoofden gerekend. — Num. 2:18-21; Joz. 17:17.

Nehemia hoofdstuk 10 bevat een aantal namen van personen die een „betrouwbare overeenkomst” om Gods geboden te onderhouden, met een zegel bekrachtigden (Neh. 9:38). De in deze lijsten voorkomende namen behoeven niet noodzakelijkerwijs de namen te zijn van de afzonderlijke personen die de overeenkomst aangingen, maar kunnen ook betrekking hebben op de desbetreffende voorvaderlijke huizen, wier hoofd genoemd wordt. (Vergelijk Ezra 10:16.) Dit wordt wellicht te kennen gegeven door het feit dat veel van de opgetekende namen dezelfde zijn als de namen van degenen die 80 jaar voordien met Zerubbabel uit Babylon terugkeerden. Hoewel dus degenen die aanwezig waren, in sommige gevallen dezelfde naam als het hoofd van hun huis gehad kunnen hebben, kan het ook zijn dat het hier slechts om vertegenwoordigers van de met name genoemde voorvaderlijke huizen ging.

Herhaling van namen of verschillende namen voor dezelfde persoon

Het gebeurt heel vaak dat in een geslachtslijst dezelfde naam meer dan eenmaal voorkomt. Het gebruik van dezelfde naam voor een latere nakomeling was ongetwijfeld een methode die het deze persoon gemakkelijker maakte zijn afstammingslijn vast te stellen, ofschoon natuurlijk soms personen met dezelfde naam in afzonderlijke familielijnen voorkwamen. Alleen al het feit dat in de verschillende opeenvolgende geslachten een aantal personen in dezelfde afstammingslijn dezelfde naam droegen, is een verdere aanwijzing dat de Israëlieten een bericht van hun afstamming bijhielden. Enkele van de vele gevallen waarin namen in dezelfde afstammingslijn meer dan eenmaal voorkomen, zijn: Zadok (1 Kron. 6:8, 12), Azarja (1 Kron. 6:9, 13, 14) en Elkana. — 1 Kron. 6:34-36.

In een reeks gevallen verschillen de in parallelle lijsten voorkomende namen van elkaar. De reden hiervoor kan zijn dat bepaalde personen meer dan één naam hadden, zoals bijvoorbeeld Jakob, die ook „Israël” werd genoemd (Gen. 32:28). Volgens de rabbijnse opvatting had Mozes’ schoonvader Rehuël zeven namen. Bovendien kan er een geringe verandering in de schrijfwijze van een naam hebben plaatsgevonden, waardoor de naam soms zelfs een andere betekenis kreeg. Enkele voorbeelden hiervan zijn: Abram („verheven [of hoge] vader”) en Abraham („vader van een menigte”), Sarai („strijdbaar”) en Sara („vorstin”). Elihu, de voorvader van de profeet Samuël, schijnt ook Eliab en Eliël genoemd te zijn. — 1 Sam. 1:1; 1 Kron. 6:27, 34.

In de christelijke Griekse Geschriften worden zo nu en dan bijnamen gebruikt, zoals in het geval van Simon Petrus, die „Cefas” werd genoemd; „Cefas” komt van het Aramese woord dat synoniem is met de Griekse naam voor „Petrus” (Luk. 6:14; Joh. 1:42); nog een voorbeeld is dat van Johannes Markus (Hand. 12:12). Iemand kon vanwege een kenmerkende eigenschap een naam krijgen. Simons bijnaam „de Kananeeër” (of „de ijveraar”) onderscheidt deze apostel van Simon Petrus (Matth. 10:4; Luk. 6:15). In sommige gevallen wordt een onderscheid gemaakt door uitdrukkingen als „Jakobus, de zoon van Alfeüs”, waardoor hij onderscheiden wordt van Jakobus, de zoon van Zebedeüs en de broer van de apostel Johannes (Matth. 10:2, 3). Soms werd de stad, het district of de streek van iemands herkomst aan de naam toegevoegd, zoals in het geval van Jozef van Arimathea en Judas de Galileeër (Mark. 15:43; Hand. 5:37). Judas Iskariot betekent vermoedelijk Judas, „een man uit Kerioth” (Matth. 10:4). Dezelfde methoden werden in de Hebreeuwse Geschriften gevolgd (Gen. 25:20; 1 Sam. 17:4, 58). Om iemands identiteit vast te stellen, werd ook wel de naam van zijn broer verschaft (Joh. 1:40). Vrouwen met dezelfde naam werden op soortgelijke wijze onderscheiden doordat men ook de naam van de vader, de moeder, de broer, de zuster, de echtgenoot of de zoon noemde. — Gen. 11:29; 28:9; 36:39; Joh. 19:25; Hand. 1:14; 12:12.

Wanneer in de Hebreeuwse of in de christelijke Griekse Geschriften een familienaam of een titel wordt gebruikt, wordt de persoon in kwestie geïdentificeerd doordat zijn eigennaam wordt verschaft of anders de tijd wordt vermeld waarin hij leefde en de historische gebeurtenissen waarmee hij te maken had. Abimelech bijvoorbeeld was blijkbaar hetzij een persoonsnaam of een titel van drie Filistijnse koningen, te vergelijken met „Farao” bij de Egyptenaren (Gen. 20:2; 26:26; 40:2; Ex. 1:22; 3:10). Van welke Abimelech of welke Farao sprake is, moet derhalve op grond van de tijd en de omstandigheden worden bepaald. Herodes was een familienaam; Caesar was een familienaam, die naderhand een titel werd. Wanneer iemand over een Herodes sprak, kon hij — ingeval het niet duidelijk was wie hij bedoelde — de persoonsnaam of een aanvullende titel verschaffen zoals Herodes Antipas, Herodes Agrippa en op overeenkomstige wijze met de Caesars, zoals Caesar Augustus, Tiberius Caesar; of men gebruikte alleen de persoonsnaam van de betrokkene, zoals bijvoorbeeld Agrippa. — Luk. 2:1; 3:1; Hand. 25:13.

NAMEN VAN VROUWEN

Nu en dan werden er in de geslachtsregisters vrouwen met name genoemd. Dit gebeurde wanneer zij uit historisch oogpunt een rol speelden. De reden waarom in Genesis 11:29, 30 Sarai (Sara) wordt genoemd, is klaarblijkelijk dat het beloofde Zaad via haar en niet via een andere vrouw van Abraham zou komen. Mogelijk wordt in dezelfde passage Milka genoemd omdat zij de grootmoeder van Rebekka, de vrouw van Isaäk, was; daardoor werd getoond dat Rebekka rechtstreeks van Abrahams bloedverwanten afstamde, want Isaäk mocht geen vrouw uit de andere natiën nemen (Gen. 22:20-23; 24:2-4). In Genesis 25:1 wordt de naam van Abrahams latere vrouw Ketura genoemd. Hieruit blijkt dat Abraham na de dood van Sara opnieuw huwde en dat zijn voortplantingsvermogen meer dan 40 jaar na de door een wonder van Jehovah bewerkstelligde vernieuwing, nog steeds functioneerde (Rom. 4:19; Gen. 24:67; 25:20). Bovendien wordt door de vermelding van Ketura de verwantschap van Midian en andere Arabische stammen met Israël onthuld.

Lea, Rachel en Jakobs bijvrouwen worden samen met de zonen die zij baarden, genoemd (Gen. 35:21-26). Hierdoor worden wij geholpen een beter begrip te krijgen van de wijze waarop God later met deze zonen handelde. Om soortgelijke redenen staan ook de namen van andere vrouwen in de geslachtsregisters. Wanneer een erfdeel via een vrouw werd overgedragen, kon haar naam eveneens worden vermeld (Num. 26:33). Tamar, Rachab en Ruth zijn natuurlijk in het oog springende gevallen. Elk van hen werd op een zeer opmerkelijke wijze een schakel in de afstammingslijn van de Messias, Jezus Christus (Gen. hfdst. 38; Ruth 1:3-5; 4:13-15; Matth. 1:1-5). Andere voorbeelden waarbij vrouwen in de geslachtslijsten worden vermeld, zijn onder andere in 1 Kronieken 2:35, 48, 49 en 3:1-3, 5 te vinden.

GESLACHTSREGISTERS EN GESLACHTEN

In sommige geslachtsregisters vindt men de namen van een man en zijn nakomelingen tot de achter-achterkleinzonen vermeld. Van een bepaald standpunt uit bezien, zou men hier vier of vijf geslachten kunnen tellen. Maar de eerstgenoemde man kan lang genoeg geleefd hebben om al deze geslachten van nakomelingen te zien. Van zijn standpunt uit kon een „geslacht” derhalve de tijdsperiode betekenen van zijn geboorte tot aan zijn dood of ook van zijn geboorte tot aan de verste nakomeling die hij nog tijdens zijn leven zag. Als dit soort van „geslacht” wordt bedoeld, zou het natuurlijk een veel langere tijdsperiode beslaan dan in het eerder genoemde geval.

Ter verduidelijking: Adam leefde 930 jaar en kreeg zonen en dochters. Gedurende die tijd zag hij minstens acht geslachten van zijn nakomelingen, maar tegelijk viel zijn levensduur gedeeltelijk samen met die van Lamech, de vader van Noach. Van dit standpunt uit bezien, brak de Vloed dus in het derde geslacht van de menselijke geschiedenis los. — Gen. 5:3-32.

In de bijbel vindt men een paar gevallen waaraan de laatste berekeningswijze ten grondslag ligt. Jehovah beloofde Abraham dat zijn zaad een inwonende vreemdeling zou worden in een land dat niet het hunne was en dat zij „in het vierde geslacht” naar Kanaän zouden terugkeren (Gen. 15:13, 16). De in Numeri hoofdstuk 1 tot 3 opgetekende volkstelling laat zien dat er gedurende het 215 jaar durende verblijf in Egypte veel vader-op-zoon-geslachten geweest moeten zijn. Het totale aantal van de mannen die kort na de uittocht uit Egypte 20 jaar of ouder waren, bedroeg namelijk 603.550 (uitgezonderd de stam Levi). Maar de in Genesis 15:16 genoemde ’vier geslachten’ vanaf de tijd van de intocht in Egypte tot de uittocht kunnen op twee manieren worden berekend: (1) Levi, (2) Jochebed, (3) Aäron, (4) Eleazar (Num. 26:59, 60); of: (1) Levi, (2) Kehath, (3) Amram, (4) Mozes (Ex. 6:16, 18, 20). De gemiddelde levensduur van deze personen bedroeg veel meer dan 100 jaar. Elk van deze vier „geslachten” zag derhalve talloze nakomelingen, mogelijk de achter-achterkleinkinderen of nog verdere afstammelingen, wanneer men voor de tijdruimte van de vader tot de geboorte van zijn eerste zoon 20 of soms zelfs 30 jaar rekent. Op deze wijze kan verklaard worden hoe ’vier geslachten’ tot aan de tijd van de uittocht zo’n geweldige bevolkingsgroei te zien konden geven. — Zie UITTOCHT UIT EGYPTE.

Nog een probleem waarvoor bijbelgeleerden zich gesteld zien, betreft de zojuist genoemde volkstelling. In Numeri 3:27, 28 staat dat van Kehath vier families afstamden, wat ten tijde van de uittocht het hoge aantal van 8600 mannelijke personen van een maand oud en daarboven opleverde. Naar het schijnt, had Mozes dus tegen deze tijd 8599 broers, neven en oomzeggers. Sommigen hebben hieruit opgemaakt dat Mozes niet de zoon was van Amram, de zoon van Kehath, maar van een andere Amram, en dat er verschillende geslachten tussen hebben gelegen, zodat er voldoende tijd was dat er zich in slechts vier Kehathitische families tot aan de tijd van Israëls uittocht uit Egypte zo’n omvangrijke mannelijke bevolking kon ontwikkelen.

Het probleem kan echter op tweeërlei wijze worden opgelost. Ten eerste: Zoals reeds eerder is toegelicht, werden niet altijd alle zonen van een man met name genoemd. Het is derhalve mogelijk dat Kehath, Amram en Amrams vier met name genoemde zonen meer zonen hadden dan die welke specifiek worden vermeld. Ten tweede: Ook al vertegenwoordigen Levi, Kehath, Amram en Mozes vier geslachten vanuit het standpunt van de toenmalige levensduur beschouwd, dan nog kon elk tijdens zijn leven verscheidene geslachten hebben gezien. Zelfs als wij dus voor de tijd tussen de geboorte van Levi en Kehath, Kehath en Amram, en Amram en Mozes telkens 60 jaar rekenen, konden er binnen elke periode van 60 jaar vele geslachten geboren zijn. Mozes kon tegen de tijd van de uittocht achterachter-achterneven en mogelijk zelfs hun kinderen hebben gezien. Derhalve hoeft men uit het totale aantal van 8600 mannelijke personen niet op te maken dat er tussen Amram, de zoon van Kehath, en Mozes nog een andere Amram geleefd moet hebben.

Dan rijst er een vraag in verband met de afstammingslijn van het beloofde Zaad, de Messias, namelijk in het geslachtsregister van Nahesson, die na de uittocht de overste van de stam Juda was. In Ruth 4:20-22 wordt Isaï in de geslachtslijn van Nahesson tot David als vijfde schakel genoemd. De tijdruimte van de uittocht tot David bedraagt ongeveer 400 jaar. Dit zou betekenen dat elk van deze voorvaders van David bij de geboorte van zijn zoon gemiddeld 80 jaar oud was. Dit zou niet onmogelijk zijn, en het kan heel goed het geval zijn geweest. Elk van de in het boek Ruth genoemde zonen hoeft echter niet per se de eerstgeboren zoon geweest te zijn, zoals ook David niet de eerstgeborene was, maar de jongste van Isaï’s verscheidene zonen. Bovendien kan Jehovah ervoor hebben gezorgd dat de afstammingslijn van het zaad dit bijna miraculeuze verloop had, zodat achteraf zou blijken dat hij al die tijd de aangelegenheden betreffende het beloofde Zaad had geleid, zoals hij dit ongetwijfeld ook in het geval van Isaäk en Jakob had gedaan.

Ook kunnen er in deze periode van 400 jaar van het Messiaanse geslachtsregister — dat eveneens in 1 Kronieken 2:11-15; Mattheüs 1:4-6 en Lukas 3:31, 32 staat opgetekend — opzettelijk namen zijn weggelaten. Anderzijds kan echter het feit dat al de lijsten in dit deel van het geslachtsregister overeenstemmen, betekenen dat er geen namen werden weggelaten. Doch zelfs al hebben de kroniekschrijvers die deze lijsten samenstelden, bepaalde namen weggelaten die zij voor hun doel niet belangrijk of noodzakelijk achtten, dan nog zou dit geen probleem vormen, want de veronderstelling dat er nog meer geslachten tussen lagen, zou noch aan de chronologie noch aan andere bijbelse verklaringen afbreuk doen.

DE BETROUWBAARHEID VAN DE BIJBELSE GESLACHTSREGISTERS

De nauwgezette en oprechte onderzoeker van de bijbelse geslachtsregisters zal niet beweren dat de kroniekschrijvers van de bijbel zich in een poging om hun natie, een stam of een afzonderlijke persoon te verheerlijken, schuldig hebben gemaakt aan slordigheid, onnauwkeurigheid of overdrijving. Men mag niet vergeten dat degenen die geslachtsregisters in hun geschriften opnamen (Ezra en Nehemia bijvoorbeeld), zich op het nationale archief beriepen en hun materiaal uit de hun ter beschikking staande officiële bronnen putten. (Zie KRONIEKEN, DE BOEKEN DER.) Daar vonden zij de inlichtingen die zij nodig hadden. Zij gebruikten deze lijsten om tegenover allen afdoende te bewijzen wat destijds bewezen moest worden. Klaarblijkelijk werden hun geslachtslijsten door hun tijdgenoten — personen die toegang tot de annalen hadden en van de feiten op de hoogte waren — volledig geaccepteerd. Dientengevolge moet men rekening houden met de speciale situatie die er bestond toen de lijsten werden vervaardigd. Toen Ezra en Nehemia met deze taak bezig waren, was het juist een tijd van reorganisatie, en de geslachtsregisters die zij samenstelden, waren onontbeerlijk om dingen die voor het bestaan van de natie van vitaal belang waren, soepel te doen functioneren.

Zulke geslachtslijsten waren van tijd tot tijd vanzelfsprekend aan veranderingen onderhevig: Nieuwe namen werden toegevoegd en andere weggelaten. Vaak werden alleen de belangrijkere familiehoofden met name genoemd, vooral degenen uit het verder terugliggende verleden. In sommige gevallen konden op bepaalde lijsten minder belangrijke namen verschijnen omdat ze van actueel belang waren. De bronnen die men in sommige gevallen raadpleegde, kunnen slechts gedeeltelijke lijsten zijn geweest. Misschien ontbraken enkele gedeelten, of de kroniekschrijver kan zelf gedeelten hebben overgeslagen omdat hij ze voor zijn doel niet nodig had. En voor ons doel in deze tijd hebben wij ze ook niet nodig.

Het is zoals de apostel Paulus schreef: „De gehele Schrift is door God geïnspireerd en nuttig om te onderwijzen, terecht te wijzen, dingen recht te zetten, streng te onderrichten in rechtvaardigheid, opdat de mens Gods volkomen bekwaam zij, volledig toegerust voor ieder goed werk” (2 Tim. 3:16, 17). Derhalve kan men zich volledig op de in de bijbel opgetekende geslachtsregisters verlaten. Ze verschaften niet alleen destijds, toen ze werden samengesteld, uiterst belangrijke gegevens, maar ook wij kunnen er thans nog voordeel van trekken. Dank zij deze nauwkeurige genealogische gegevens kunnen wij ons er namelijk volledig van overtuigen dat Jezus Christus het beloofde, langverwachte Zaad van Abraham is. Ze zijn voor ons een grote hulp om de chronologie tot op Adam te kunnen terugvoeren, iets wat met geen andere literaire bron mogelijk is. Zoals wij weten, heeft God „uit één mens elke natie van mensen gemaakt om op de gehele oppervlakte der aarde te wonen, en hij heeft de gezette tijden en de vastgestelde grenzen van de woonplaats der mensen verordend” (Hand. 17:26). Wij zien inderdaad dat „toen de Allerhoogste de natiën een erfdeel gaf, toen hij de zonen van Adam van elkaar scheidde, . . . hij voorts de grenzen der volken [vaststelde], rekening houdend met het aantal der zonen van Israël” (Deut. 32:8), en het is ons duidelijk geworden op welke wijze de natiën aan elkaar verwant zijn.

Aangezien wij de oorsprong van de mensheid kennen — Adam was immers oorspronkelijk „de zoon van God” (Luk. 3:38) — hebben wij een duidelijk begrip van de woorden: „Daarom, zoals door één mens de zonde de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood, en aldus de dood zich tot alle mensen heeft uitgebreid omdat zij allen gezondigd hadden” (Rom. 5:12). Op grond van deze kennis begrijpen wij voorts hoe Jezus Christus „de laatste Adam” en de „Eeuwige Vader” kan zijn; dit is namelijk mogelijk omdat alle mensen van Adam afstammen, en „evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in de Christus allen levend gemaakt worden” (Jes. 9:6; 1 Kor. 15:22, 45). Wij kunnen ons nu een beter begrip vormen van Gods voornemen om gehoorzame mensen weer in de verhouding van „kinderen Gods” terug te brengen (Rom. 8:20, 21). Wij hebben waargenomen dat Jehovah jegens degenen die hem liefhebben en zijn geboden onderhouden, liefderijke goedheid bewijst „tot in duizend geslachten” (Deut. 7:9). Wij hebben bemerkt dat hij zich aan zijn verbond houdt en waarachtig en betrouwbaar is en dat hij erop heeft toegezien dat er een historisch verslag zorgvuldig bewaard is gebleven, waarop wij veilig ons geloof kunnen bouwen. Zowel de geslachtsregisters als andere in het oog springende kenmerken van de bijbel bewijzen dat God de grote Geschiedschrijver en Bewaarder van de geschiedenis is.

PAULUS’ RAAD MET BETREKKING TOT GESLACHTSREGISTERS

De apostel Paulus, die omstreeks 61–64 G.T. schreef, waarschuwde Timotheüs om geen aandacht te schenken aan „onware verhalen en aan geslachtsregisters, die ten slotte nergens op uitlopen, maar die eerder vragen ter navorsing verschaffen dan dat er iets door God wordt uitgedeeld in verband met geloof” (1 Tim. 1:4). Hoe gegrond deze waarschuwing was, kunnen wij pas ten volle begrijpen als wij weten tot welke uitersten de joden later gingen bij het navorsen van geslachtsregisters en hoe minutieus zij elke mogelijke tegenstrijdigheid onderzochten. Zo staat er in de talmoed dat ’er 900 kameelladingen aan commentaren bestonden over 1 Kron. viii. 37 tot ix. 44’ (een genealogisch bijbelgedeelte). En The Jewish Encyclopedia (1903, Deel V, blz. 597) betreurt de eigendunk die veel joden aan de dag legden wanneer het om hun stamboom ging.

Het was echter zinloos en doelloos om zulke dingen te bestuderen en erover te discussiëren, vooral in de tijd dat Paulus aan Timotheüs schreef. Het was namelijk niet meer van essentieel belang om de geslachtsregisters in stand te houden, aangezien God het onderscheid tussen jood en heiden in de christelijke gemeente niet langer erkende (Gal. 3:28). Ook hadden de geslachtsregisters de afstamming van Christus via Davids geslachtslijn reeds bevestigd. Bovendien zou Jeruzalem kort nadat Paulus deze waarschuwing had opgetekend, samen met de joodse geslachtsregisters worden vernietigd. God zag er niet op toe dat ze bewaard bleven. Paulus was derhalve bezorgd toen hij Timotheüs en de gemeenten waarschuwde zich niet op een zijspoor te laten brengen door tijd aan het navorsen van hun eigen stamboom te besteden of er een geschilpunt van te maken, daar dit het christelijke geloof geenszins bevorderde. Het in de bijbel vervatte geslachtsregister bewijst genoegzaam dat Jezus de Messias is — een genealogische aangelegenheid die voor christenen van het grootste belang is. Bovendien leggen de andere bijbelse geslachtsregisters getuigenis af van het feit dat het bijbelse verslag authentiek, ja, werkelijk historisch is.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen