Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 379-381
  • Esther, het boek

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Esther, het boek
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • DE SCHRIJVER VAN HET BOEK
  • HISTORISCHE OMSTANDIGHEDEN
  • AUTHENTICITEIT EN CANONICITEIT
  • Historisch en archeologisch bewijsmateriaal
  • INHOUD
  • Esther, Het boek
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
  • Bijbelboek nummer 17 — Esther
    „De gehele Schrift is door God geïnspireerd en nuttig”
  • Jehovah laat zijn volk niet in de steek
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1979
  • Hoofdpunten uit het boek Esther
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2006
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 379-381

ESTHER, HET BOEK.

Een boek van de Hebreeuwse Geschriften, dat zijn titel aan de naam van de hoofdfiguur in het boek ontleent, alhoewel het in sommige exemplaren van de Latijnse Vulgaat „Ahasveros” wordt genoemd, naar de Perzische koning die in het verslag een belangrijke rol speelt. De joden noemen het Meghil·lathʹ ’Es·terʹ of eenvoudig de Meghil·lahʹ, wat „rol; boekwerk” betekent, want bij hen staat deze rol in zeer hoog aanzien.

DE SCHRIJVER VAN HET BOEK

In de Schrift wordt niet gezegd wie het boek Esther schreef. Door sommige geleerden wordt het boek aan Ezra toegeschreven, maar het getuigenis in zijn geheel genomen duidt op Mordechai als de schrijver. Volgens de Grote Synagoge der joden, Josephus en Clemens van Alexandrië was Mordechai de schrijver. Mordechai verkeerde in de positie om tot in de kleinste details op de hoogte te zijn met alle in het verhaal vermelde feiten, zoals de aangelegenheden die hem persoonlijk en ook Esther aangingen, wat er zich allemaal in het huis van Haman afspeelde en vooral wat er in de burcht Susan gebeurde. Na zijn bevordering tot eerste minister van Perzië had hij toegang tot de in het verslag vermelde officiële documenten, en net zoals Daniël, Ezra en Nehemia tijdens andere periodes een officiële positie in de Perzische regering bekleedden en bijbelboeken schreven waarin de verhouding van de joden tot die wereldmacht geschilderd werd, was het hoogstwaarschijnlijk Mordechai die met Jehovah’s zegen het boek Esther schreef.

HISTORISCHE OMSTANDIGHEDEN

Volgens de gegevens in het verslag zelf speelden de gebeurtenissen zich tijdens de regering van Ahasveros af, toen het Perzische Rijk zich van India tot Ethiopië uitstrekte en 127 provincies of rechtsgebieden omvatte (Esth. 1:1). Deze gegevens, alsook het feit dat het boek door Ezra in de canon opgenomen werd, beperken de tijdruimte die het beslaat, tot de regeringstijd van een van de volgende drie koningen die de wereldlijke geschiedenis kent: de Pers Darius I, Xerxes I en Artaxerxes Longimanus. Maar van zowel Darius I als Artaxerxes Longimanus is bekend dat zij de joden reeds voor het 12de jaar van hun respectieve regeringsperiodes gunst betoonden, hetgeen niet strookt met de Ahasveros uit het boek Esther, daar hij naar het schijnt niet goed bekend was met de joden en hun religie en eerst ook geen neiging vertoonde hen te begunstigen. Dan is van Xerxes I bekend dat hij in het 3de jaar van zijn regering, voordat hij tegen Griekenland optrok, een groot feestmaal aanrechtte en een krijgsraad hield — een verdere bevestiging voor de slotsom dat de koning Ahasveros uit het boek Esther en Xerxes I een en dezelfde persoon geweest moeten zijn (Esth. 1:3). In de vertaling door dr. James Moffatt en in An American Translation staat zelfs Xerxes in plaats van Ahasveros in de tekst. (In de WV wordt de naam Xerxes I in de voetnoot vermeld.) Xerxes I begon in 486 v.G.T. te regeren, en volgens de geschriften van Thucydides (uit de 5de eeuw v.G.T.), beschouwd in samenhang met een tijdtafel van Diodorus (uit de 1ste eeuw v.G.T.), eindigde zijn regering omstreeks 474 v.G.T. Hij regeerde dus ongeveer 12 jaar, waarschijnlijk tot in zijn 13de jaar, zoals door Esther 3:7 en 9:1, alsook door de in Esther 9:15 tot 10:3 beschreven gebeurtenissen te kennen wordt gegeven. Aangezien de in het begin van het boek Esther verhaalde gebeurtenissen zich in het 3de jaar van zijn regering voordeden en de rest van het verslag het overige gedeelte van zijn regering omvat, beslaat het boek de periode van ongeveer 484 tot 474 v.G.T., ofte wel een tijdruimte van ongeveer tien jaar. — Zie AHASVEROS nr. 3.

Ongetwijfeld werd het boek Esther kort na de daarin geschilderde gebeurtenissen, omstreeks 474 v.G.T., geschreven. De levendige stijl waarin het boek is geschreven, doet vermoeden dat de schrijver een ooggetuige was. Daar bovendien duidelijk uit het boek opgemaakt kan worden dat de schrijver toegang had tot staatsdocumenten (Esth. 10:2), werd het boek hoogstwaarschijnlijk in Susan in de provincie Elam — destijds een deel van Perzië — geschreven. De vele Perzische en Aramese woorden die in de Hebreeuwse tekst voorkomen, passen zowel bij de bovengenoemde tijd waarin het boek werd geschreven als bij de plaats waar het werd geschreven, het land Perzië.

Ezra kan het boek in 468 v.G.T. vanuit Babylon naar Jeruzalem hebben meegebracht, want de Grote Synagoge van Jeruzalem had het reeds in de canon opgenomen voordat haar periode omstreeks 300 v.G.T. ten einde liep.

AUTHENTICITEIT EN CANONICITEIT

Dat het boek Esther tot de canon behoort, wordt door sommigen in twijfel getrokken omdat het nergens in de christelijke Griekse Geschriften wordt aangehaald, noch terloops wordt vermeld. Maar dit is geen doorslaggevend bezwaar, want hetzelfde geldt voor andere boeken die algemeen als canoniek worden aanvaard, zoals bijvoorbeeld Ezra en Prediker. Melito van Sardes, Gregorius van Nazianze en Athanasius behoren tot degenen die het boek Esther niet in hun catalogus van canonieke boeken hebben opgenomen. Hiëronymus, Augustinus en Origenes verwijzen er echter met name naar. In de Chester Beatty-​collectie vormt het samen met de boeken Ezechiël en Daniël een codex, die waarschijnlijk in de eerste helft van de 3de eeuw G.T. werd samengesteld. Dat het boek Esther tot de canon behoort, schijnt door de joden en de vroege christenen als geheel nooit in twijfel te zijn getrokken. In joodse bijbels staat het boek Esther achter de Pentateuch en tussen de boeken Jozua en Prediker, en soms onder de Hagiografen (de Geschriften) tussen Prediker en Daniël.

Later werden er apocriefe toevoegsels in het boek ingelast. Sommige geleerden dateren de oorsprong van deze toevoegsels op omstreeks 100 v.G.T., toen de canon van de Hebreeuwse Geschriften volgens de overlevering reeds ongeveer 300 jaar vaststond.

Het boek Esther wordt van overdrijving beticht omdat het melding maakt van een 180 dagen durend feestmaal in het 3de regeringsjaar van Ahasveros (1:3, 4). Er is echter geopperd dat zo’n langdurig feest gehouden kan zijn in het belang van de talrijke functionarissen uit de vele provincies, die vanwege hun ambtsbezigheden niet tijdens het gehele feest en ook niet allemaal op dezelfde tijd aanwezig konden zijn. In werkelijkheid zegt de tekst ook niet dat het feest zo lang duurde, maar dat de koning hun 180 dagen lang de rijkdom en heerlijkheid van zijn koninkrijk toonde. Een feestmaal wordt in 1:3 en 1:5 genoemd. Het kan zijn dat niet twee feestmalen bedoeld zijn, maar dat het zevendaagse feestmaal voor allen in de burcht aan het einde van de grote bijeenkomst hetzelfde is als het in vers 3 genoemde feestmaal (Keil en Delitzsch, Commentaries on the Old Testament, „Esther”). Zo’n grote bijeenkomst gepaard met een feestmaal stemt overeen met hetgeen Herodotus vermeldt over de eerste voorbereidingen van Xerxes voor zijn veldtocht tegen Griekenland.

Aangezien in het boek geen enkele rechtstreekse vermelding van God voorkomt, is het als areligieus bestempeld. Niettemin wordt er melding gemaakt van vasten en een „hulpgeschreeuw” van de zijde der joden, wat gebed impliceert (4:3, 16; 9:31). Ook duidt de op het juiste moment optredende slapeloosheid van de koning erop dat God de gebeurtenissen gemanoeuvreerd heeft (6:1), en een mogelijke zinspeling op Gods voornemen is de opmerking waarom Esther koningin werd (4:14). Bovendien vormt het feit dat Mordechai hardnekkig weigerde voor Gods vijand Haman te buigen, die als Agagiet een lid van het Amalekitische koningsgeslacht geweest kan zijn, een bewijs dat Mordechai een aanbidder van Jehovah was. — 3:1-6; Ex. 17:14.

Historisch en archeologisch bewijsmateriaal

Historische feiten en archeologische ontdekkingen hebben eveneens de authenticiteit van het boek Esther bevestigd. Enkele voorbeelden zullen voldoende zijn. De wijze waarop de Perzen een man eerden, wordt op authentieke wijze beschreven (Esth. 6:8). Wit en blauw (of violet) waren de kleuren van het Perzische koningshuis. In Esther 8:15 lezen wij dat Mordechai een „koninklijk gewaad van blauwe stof en linnen” droeg, alsook een roodpurperen mantel.

Esther „ging staan in het binnenste voorhof van het huis van de koning tegenover het huis van de koning, terwijl de koning gezeten was op zijn koninklijke troon in het koninklijke huis tegenover de ingang van het huis. Het geschiedde dan dat zodra de koning Esther, de koningin, in het voorhof zag staan, zij gunst verwierf in zijn ogen” (5:1, 2). Opgravingen hebben de nauwkeurigheid van deze gedetailleerde beschrijving gestaafd. Vanuit het Vrouwenhuis leidde een galerij naar het binnenste voorhof van het paleis. In dat voorhof bevond zich tegenover de galerij de troonzaal. Tegen het midden van de muur, tegenover de ingangsdeur, stond de hoge troon vanwaar de koning over het gordijn heen kon kijken dat hem van de om audiëntie verzoekende koningin scheidde. Verdere in het boek Esther genoemde details verraden eveneens dat de schrijver over een grondige kennis van het paleis beschikte. Het ligt dus voor de hand dat de tegen het boek ingebrachte bezwaren, zoals dat het niet historisch is en dat Perzische zeden en gewoonten onnauwkeurig worden beschreven, ongegrond zijn.

Een zeer krachtig bewijs voor de authenticiteit van het boek is het Poerimfeest of Lotenfeest, dat de joden tot op de huidige dag jaarlijks vieren en ter gelegenheid waarvan het gehele boek in hun synagogen wordt voorgelezen. Een in Borsippa gevonden spijkerschriftinscriptie zou betrekking hebben op een Perzische beambte met de naam Mardukâ (Mordechai?), die zich aan het einde van de regering van Darius I of het begin van de regering van Xerxes I in Susa (Susan) bevond.

INHOUD

Na een korte beschrijving van de setting schildert hoofdstuk 1 een tafereel in het voorhof van de tuin van het paleis van de koning, waar een groot feestmaal voor al het volk dat zich in de burcht Susan bevindt, wordt gehouden. Op het hoogtepunt van het feest beveelt koning Ahasveros koningin Vasthi te verschijnen en het volk en de vorsten haar lieftalligheid te tonen. Wegens haar hardnekkige weigering om te komen, verstoot hij haar op aanbeveling van de vorsten en laat dit onder alle volken van het rijk bekendmaken.

Dan worden er volgens hoofdstuk 2 regelingen getroffen om alle schone maagden van het rijk naar de burcht te brengen en hen schoonheidsbehandelingen te laten ondergaan voordat zij voor de koning worden gebracht. Uit hen moet de koning zijn nieuwe koningin kiezen. Zijn keus valt op Esther, een joods meisje, de nicht van Mordechai, die haar verzorger en een dienaar in de poort van de koning is.

Hoofdstuk 3 vertelt over de promotie van Haman en hoe hij erin slaagt van de koning de volmacht te krijgen om een decreet uit te vaardigen waarin de verdelging van alle joden in het rijk wordt gelast.

Vervolgens geeft Mordechai Esther de dringende raad om voor haar volk te pleiten, ook al moet zij daarvoor haar leven op het spel zetten. — Esth. 4:2-17.

Esther verschijnt ongenodigd voor de koning met het verzoek of hij en Haman nog diezelfde dag bij een feestmaal haar gasten willen zijn. Na het feestmaal verplaatst het toneel zich naar Hamans huis, waar Haman en enkelen van zijn vrienden bijeen zijn. Zij besluiten een 50 el hoge paal te laten oprichten, waaraan Mordechai opgehangen moet worden. — Esth. 5:1-14.

Haman gaat naar de koning teneinde toestemming te vragen om Mordechai op te hangen. In plaats daarvan zegt de koning tot Haman dat hij Mordechai moet eren voor de grote dienst die deze de koning bewezen heeft door een tegen hem gericht komplot te onthullen. Haman moet Mordechai met een koninklijk gewaad bekleden en hem op een paard om het stadsplein leiden, waarbij hij voor hem uit moet roepen: „Zo wordt gedaan met de man in wiens eer de koning zelf een welbehagen heeft gevonden.” Na deze vernederende ervaring spoedt Haman zich naar huis. — Esth. 6:4-14.

Een tweede feestmaal vindt in de woonvertrekken van Esther plaats. Op aandringen van de toornige koning stelt Esther Haman aan de kaak als de beramer van het plan om alle joden in het rijk, met inbegrip van haarzelf, uit te roeien. Daarop laat de koning Haman aan de voor Mordechai gereedgemaakte paal ophangen. — Esth. 7:1-10.

Daar het decreet om de joden te doden, volgens Medo-Perzisch gebruik onveranderlijk is, wordt er een tegenbevel uitgevaardigd, waarin het de joden wordt toegestaan zich te verdedigen. — Esth. 8:1-17.

Hoofdstuk 9 bericht dat de joden hun vijanden in Susan en overal in de provincies verdelgen, waarbij zij ook de tien zonen van Haman doden en vervolgens ophangen. Mordechai en Esther vaardigen het gebod uit om jaarlijks op de 14de en 15de dag van de maand Adar deze bevrijding te herdenken. Deze dagen worden Poerim genoemd, omdat Haman het Poer, ofte wel het lot, als een vorm van waarzeggerij gebruikte om de gunstigste tijd voor de verdelging van de joden uit te kiezen.

Hoofdstuk 10 besluit het verslag met een korte vermelding van Mordechai’s grootheid en energieke werk ten behoeve van zijn volk.

Zie het boek „De gehele Schrift is door God geïnspireerd en nuttig”, blz. 91-94.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen