Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 328-332
  • Edom, Edomieten

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Edom, Edomieten
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • SEÏR EN EDOM
  • GEOGRAFISCHE BESCHRIJVING
  • STRATEGISCH GUNSTIGE LIGGING
  • DE BEVOLKING VAN EDOM
  • DE GESCHIEDENIS VAN EDOM VANAF DE EXODUS TOT HET EINDE VAN DE GESCHIEDENIS VAN JUDA
  • EDOM IN DE PROFETIEËN
  • LATERE GESCHIEDENIS EN EINDE VAN EDOM
  • Edom
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
  • Bijbelboek nummer 31 — Obadja
    „De gehele Schrift is door God geïnspireerd en nuttig”
  • Het tegenbeeldige Edom moet worden weggevaagd
    Wereldomvattende zekerheid onder de „Vredevorst”
  • Jehovah laat de naties zijn verontwaardiging voelen
    Jesaja’s profetie — Licht voor de hele mensheid I
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 328-332

EDOM

(Edom) [rood, rossig], Edomieten.

Edom was de tweede naam of bijnaam van Esau, de tweelingbroer van Jakob (Gen. 36:1). Esau kreeg deze naam omdat hij zijn eerstgeboorterecht voor een rood gerecht verkocht (Gen. 25:30-34). Toevallig was Esau bij zijn geboorte ook erg rossig (Gen. 25:25), en bepaalde delen van het land dat hij en zijn nakomelingen later bewoonden, hadden een soortgelijke kleur.

SEÏR EN EDOM

Te eniger tijd gedurende Jakobs 20-jarige verblijf in Haran begon Esau (Edom) zich in het land Seïr, „het veld van Edom”, te vestigen (Gen. 32:3). Hij begon dus kennelijk al voor de dood van zijn vader Isaäk (Gen. 35:29) diens profetische zegen te vervullen doordat hij uit de vruchtbare landstreken rond Hebron wegtrok en vervolgens samen met de onder zijn bevel staande 400 man ’van zijn zwaard begon te leven’ (Gen. 27:39, 40; 32:6, 8). Uit het verslag blijkt echter dat hij zijn woon- of standplaats in het gebied van Hebron nog aanhield en pas na de dood van zijn vader (1738 v.G.T.) voorgoed naar het bergland Seïr verhuisde. Zijn gezin was inmiddels gegroeid en zijn bezittingen waren vele geworden. — Gen. 36:6-8.

Het land Seïr was voordien door de Horieten bewoond (Gen. 14:6; 36:20-30), maar Esau’s zonen verdreven de Horitische stamhoofden en namen het gebied in bezit (Deut. 2:12). Daarna kwam het als het land Edom bekend te staan, hoewel de oudere naam Seïr ook nog in gebruik bleef (Num. 24:18). De naam Seïr schijnt nog te weerklinken in de huidige naam Dzjebel esj-Sjera’, de naam van de voornaamste bergketen ten Z. van de Dode Zee en ten O. van de Araba (de zuidelijke uitloper van de Jordaanslenk).

GEOGRAFISCHE BESCHRIJVING

Het gebied van Edom strekte zich vanaf het stroomdal van de Zered, dat de noordelijke grens met Moab vormde, ongeveer 160 km naar het Z. uit, tot aan Elath (Eloth) aan de Golf van Akaba (Deut. 2:1-8, 13, 14; 1 Kon. 9:26). In het O. reikte het gebied van de Edomieten klaarblijkelijk tot aan de rand van de Arabische Woestijn en in het W. strekte het zich uit over de Araba tot de wildernis van Zin en omvatte het hoogland van de Negeb, dat vanaf de zuidwestpunt van de Dode Zee tot aan Kades-Barnea liep. Het westelijke gedeelte van Edom vormde derhalve uiteindelijk de zuidoostelijke grens van het gebied van Juda. — Joz. 15:1; vergelijk Numeri 34:3.

Het eigenlijke centrum van het gebied van Edom lag echter klaarblijkelijk ten O. van de Araba, want hier valt in het bergland, dat hier en daar een hoogte van wel 1700 m bereikt, enige neerslag. Dit komt doordat de Negeb, het land ten W. van de Araba, aanmerkelijk lager gelegen is, zodat de resterende onweerswolken die van de Middellandse Zee komen, kunnen overdrijven en de hogere bergen van Edom kunnen bereiken, waar ze hun neerslag voor een deel laten vallen. Zo is men bij archeologische onderzoekingen langs een smalle strook bebouwbaar land op het hoogste gedeelte van dit langgerekte tafellandschap of plateau, op een reeks oude nederzettingen en vestingen gestuit, die echter in zuidelijke richting, naar de Golf van Akaba, steeds zeldzamer worden. In het huidige Tafile, ongeveer 30 km van de zuidpunt van de Dode Zee vandaan, bevinden zich grote olijfgaarden, hoewel dit grotendeels toe te schrijven is aan het feit dat dit gebied door acht voortreffelijke bronnen wordt bewaterd, aangezien er jaarlijks slechts zo’n 28 cm neerslag valt.

STRATEGISCH GUNSTIGE LIGGING

Mozes vroeg voor Israël toestemming om langs de „koningsweg” door Edom te trekken (Num. 20:17). Deze weg, ook wel de „koninklijke weg” genoemd, loopt van de Golf van Akaba naar Damaskus in Syrië. Door Edom volgt hij de rand van de hoge plateaus die de oostkant van de Araba omzomen. Langs deze weg lagen de voornaamste steden van Edom, met inbegrip van Bozra en Petra (dat met het bijbelse Sela in verband wordt gebracht) (Gen. 36:33; 2 Kon. 14:7). Ook liep er een weg vanaf de Negeb via Petra oostwaarts door Ma‛an aan de rand van de Arabische Woestijn en kwam daar samen met een andere, van N. naar Z. lopende weg. Langs deze wegen werden vele kostbare goederen uit Egypte, Arabië, Syrië en Mesopotamië vervoerd. De tol die van de voorbijtrekkende kameel- of ezelkaravanen werd geïnd, droeg waarschijnlijk in belangrijke mate tot Edoms rijkdom bij. Vermoeide woestijnreizigers die in Edom arriveerden, betaalden vermoedelijk ook voor voedsel en onderdak. Zo werd Petra een rijke handelsstad, die wat belangrijkheid betreft met Damaskus concurreerde.

De naar de Araba steil aflopende wand van het plateau vormde vanuit die richting een voortreffelijke bescherming voor de voornaamste vesting van Edom. Het diepe ravijn van het stroomdal van de Zered verhinderde een invasie vanuit Moab. (Zie echter Amos 2:1.) Een keten van vestingen beschermde de meer kwetsbare oostzijde, in de richting van de woestijn, tegen de Midianieten en andere nomadenstammen. Bovendien zijn de bergen en de plateaus doorkliefd met gevaarlijke ravijnen die veelal door steile, ontoegankelijke rotswanden van rood zandsteen omgeven zijn. Niet voor niets zei Jehovah bij monde van zijn profeet Jeremia over de Edomieten dat zij vol vertrouwen verblijf hielden „in de schuilhoeken van de steile rots” en „de hoogte van de heuvel” bezet hielden, ja, dat zij ’hun nest hoog bouwden, net als een arend’. — Jer. 49:7, 16.

DE BEVOLKING VAN EDOM

Als nakomelingen van Esau waren de Edomieten in wezen Semieten, maar met een sterke Hamitische inslag, aangezien twee van Esau’s vrouwen van Hamitisch-Kanaänitische (Hethitische en Hevitische) afkomst waren; slechts een van de met name genoemde vrouwen was een Semitische, die van Abrahams zoon Ismaël afstamde (Gen. 36:2, 3). Indien, zoals sommige geleerden beweren, de naam „Horiet” eenvoudig „holbewoner” betekent, zou het kunnen zijn dat Esau’s Hevitische vrouw Oholibama, de dochter van Ana, van de Horitische bewoners van Seïr afstamde. (Vergelijk Genesis 36:2, 20, 24, 25.) In ieder geval waren de Edomieten, evenals de nakomelingen van Lot, de Moabieten en de Ammonieten (zie Daniël 11:41), aan de Israëlieten verwant en pasten zij oorspronkelijk ook de besnijdenis toe (Jer. 9:25, 26; vergelijk Ezechiël 32:29). Jehovah verwees naar hen als Israëls „broeders”, en de Israëlieten mochten op hun tocht door de wildernis de landrechten van de Edomieten — Jehovah had de nakomelingen van Edom het gebergte Seïr tot een bezitting gegeven — niet schenden. — Deut. 2:1-8.

De Edomitische stammen, die oorspronkelijk verscheidene sjeikdommen vormden, werden later onder een koninkrijk georganiseerd. Uit de reeks opeenvolgende koningen blijkt dat dezen uit verschillende stammen of sjeikdommen afkomstig waren. De troonopvolging berustte derhalve niet op erfrecht (Gen. 36:15-19, 31-43). Sommige critici beschouwen Genesis 36:31, waar over de Edomitische heersers gezegd wordt: „Dit nu zijn de koningen die in het land Edom hebben geregeerd voordat er enige koning over de zonen van Israël regeerde”, als een anachronisme of een latere toevoeging. Deze opvatting is echter niet steekhoudend, want Mozes, de schrijver van Genesis, wist reeds dat God uitdrukkelijk aan Jakob (Israël) beloofd had: „Koningen zullen uit uw lendenen voortkomen” (Gen. 35:11). Mozes zelf voorzei dat Israël uiteindelijk een koning zou hebben. — Deut. 28:36.

DE GESCHIEDENIS VAN EDOM VANAF DE EXODUS TOT HET EINDE VAN DE GESCHIEDENIS VAN JUDA

De verdelging van Farao’s strijdkrachten en Israëls miraculeuze bevrijding bij de Rode Zee lieten in Edom, evenals in het gehele gebied in en rond Kanaän, een diepe indruk achter (Ex. 15:14, 15). De eersten die Israël in de wildernis van het schiereiland Sinaï gewapende tegenstand boden, waren de Amalekieten, die ver verwant waren aan de Edomieten en tijdens hun gehele geschiedenis een bron van moeilijkheden voor de Israëlieten waren (Ex. 17:8-16; vergelijk Genesis 36:12, 16; zie AMALEK, AMALEKIETEN). Toen Mozes tegen het einde van de 40-jarige omzwerving beleefd vroeg of zij ongehinderd langs de koningsweg door Edom mochten trekken, werd zijn verzoek afgewezen en trok de niet met name genoemde koning van Edom er met een sterke legermacht op uit om een eventuele Israëlitische invasie te verhinderen (Num. 20:14-21). Nadat Aäron op de berg Hor, die aan de grens van Edom lag, was gestorven (Num. 20:22-29), trokken de Israëlieten derhalve om het centrum van Edom heen, legerden zich bij het stroomdal van de Zered en trokken vervolgens langs de oostgrens van Moab verder naar het N. zonder aangevallen te worden. — Num. 21:4, 10-13; Recht. 11:18; vergelijk Deuteronomium 2:26-29.

In de poëtische zegen die Mozes voor zijn dood over Israël uitsprak, zei hij over Jehovah God dat hij ’van de Sinaï was gekomen’ en ’stralend was opgegaan uit Seïr Edom’ en ’in lichtglans was verschenen van het bergland van Paran’. Een soortgelijke beschrijving komt in het lied van Barak en Debora en in de profetie van Habakuk voor (Deut. 33:2; Recht. 5:4, 5; Hab. 3:3, 4). Deze profetische schildering verschaft klaarblijkelijk een beeld van het toneel of de plaats van handeling waar Jehovah zich aan zijn pasgevormde natie had geopenbaard en haar als het ware met lichtstralen, die over de bergtoppen heen schijnen, verlichtte.

Israël had het gebod ontvangen: „Gij moogt een Edomiet niet verfoeien, want hij is uw broeder” (Deut. 23:7, 8). Doch niet alleen de agressieve stam der Amalekieten, maar heel Edom was Israël vijandig gezind. Saul voerde met succes oorlog tegen hen (1 Sam. 14:47, 48). Toch had Saul een Edomiet, Doëg, als opperste van zijn herders en deze man verraadde David bij Saul. Toen Sauls mannen aarzelden tegen de priesters van Nob op te treden, liet hij Doëg een massale slachting verrichten. — 1 Sam. 21:7; 22:9-18.

David behaalde als koning een geweldige overwinning op de Edomieten in het Zoutdal (2 Sam. 8:13). Er wordt niet gezegd wat de aanleiding tot deze strijd was, maar ongetwijfeld was een aanval van de zijde der Edomieten de oorzaak, want zij hebben waarschijnlijk gedacht dat Davids veldtochten naar Syrië een gunstige gelegenheid waren voor een inval in het zuidelijke deel van zijn koninkrijk. Volgens 1 Kronieken 18:12 versloeg Abisaï de Edomieten, terwijl het opschrift boven Psalm 60 deze overwinning aan Joab toeschrijft. Aangezien David de opperbevelhebber en Joab zijn legeroverste was, terwijl Abisaï daarentegen onder Joab het commando voerde over een afdeling van het leger, konden de verslagen over de overwinning, al naar gelang het gezichtspunt van waaruit ze werden geschreven, verschillen, zoals dat ook nu nog wel voorkomt. Insgelijks is het verschil in aantallen in deze teksten waarschijnlijk toe te schrijven aan het feit dat de vertellers van verschillende gezichtspunten uitgingen of verschillende fasen in de oorlog in gedachten hadden. (Vergelijk 1 Koningen 11:15, 16.) In ieder geval stationeerde David in heel Edom Israëlitische garnizoenen, en de overgebleven Edomieten werden aan Israël onderworpen (2 Sam. 8:14; 1 Kron. 18:13). Het „juk” van Jakob rustte nu zwaar op Edoms (Esau’s) nek. — Gen. 27:40; vergelijk Numeri 24:18.

Salomo trouwde met Edomitische vrouwen (1 Kon. 11:1) en gebruikte Israëls macht over de aan de Rode Zee gelegen kuststeden Eloth (Elath) en Ezeon-Geber om een scheepvaartonderneming op te bouwen (1 Kon. 9:26; 2 Kron. 8:17, 18). Edoms uitgedunde mannelijke bevolking was niet in staat het Israëlitische juk af te werpen, alhoewel Hadad, een ontsnapte koninklijke afstammeling, toch een soort opstand heeft geleid. — 1 Kon. 11:14-22.

Of deze situatie nog een hele eeuw na Davids eerste overwinning onveranderd bleef, kan niet gezegd worden. De aanval door „de zonen van Ammon en Moab en het bergland Seïr [Edom]” (2 Kron. 20:1, 2, 10, 22) kan hebben plaatsgevonden voor de gezamenlijke aanval van de strijdkrachten van Juda, Israël en Edom op Moab (2 Kon. 3:5-9; zie MOAB, MOABIETEN). Edom was kennelijk bij elk van deze drievoudige allianties betrokken en streed eerst aan de ene en dan aan de andere zijde. Verder wordt bericht dat Edom tijdens de regering van Josafat een tijdlang geen koning had maar door een gevolmachtigde werd geregeerd, die klaarblijkelijk verantwoording verschuldigd was aan de koning van Juda, en dat Juda vrije toegang tot de Golf van Akaba en zijn haven of havens had (1 Kon. 22:47, 48). Wat de veldtocht tegen Moab betreft, de voorspelde overstroming van het tevoren droge stroomdal, waar de geallieerde strijdkrachten gelegerd waren, kan veroorzaakt zijn door een wolkbreuk boven het hoger gelegen plateau. Door zulke woestijnonweersbuien ontstaan ook thans nog stortvloeden van water die door de wadi’s naar de Araba stromen. Het water kan echter ook zuiver door een wonder verschenen zijn. — 2 Kon. 3:16-23.

Onder de regering van Joram, de zoon van Josafat, kwamen de Edomieten in opstand. Zij wierpen het Judese juk af en richtten weer een onafhankelijk koninkrijk op. Alhoewel Joram in een treffen met hen een militaire overwinning behaalde, volhardden de Edomieten in hun opstand (2 Kon. 8:20-22; 2 Kron. 21:8-10). In de eerste helft van de regering van Amazia (858–829 v.G.T.) was het Zoutdal opnieuw het toneel van een nederlaag voor Edom, en Amazia nam de Edomitische hoofdstad Sela in. Vervolgens liet hij zich er echter toe verleiden de machteloze valse goden van Edom te aanbidden (2 Kon. 14:7; 2 Kron. 25:11-20). Zijn zoon Uzzia (Azarja) bracht Elath weer onder Judese heerschappij. — 2 Kon. 14:21, 22.

In een offensief tegen Juda tijdens de regering van Achaz (761–745 v.G.T.) gaf Syrië Elath (Eloth), de haven aan de Rode Zee, aan Edom terug (2 Kon. 16:5, 6). Nadat de Edomieten klaarblijkelijk vrij waren geworden van Juda’s heerschappij, sloten zij zich bij Assyrië en andere natiën aan, die invallen deden in het gebied van Juda. — 2 Kron. 28:16-20; vergelijk Psalm 83:4-8.

EDOM IN DE PROFETIEËN

Reeds tijdens de heerschappij van koning Uzzia verkondigden de profeten Joël en Amos Jehovah’s uitdrukkelijke oordeel ten aanzien van de Edomieten, die in hun onverbiddelijke toorn tegen Israël meedogenloos gebruik hadden gemaakt van het zwaard (Amos 1:6, 11, 12). Wegens hun vijandige houding tegenover Jehovah’s verbondsvolk hadden de Edomieten hun recht op het land dat hun door God tot een bezitting was gegeven, verbeurd (Joël 3:19; Amos 9:11, 12). De Edomieten bezegelden hun ondergang toen de Babyloniërs in 607 v.G.T. Juda en Jeruzalem veroverden. Hun haat bleek duidelijk doordat zij zich over de rampspoed van Juda verheugden en zijn verwoesters nog aanspoorden ook (Ps. 137:7). Zij gingen in hun vijandigheid en wraakzucht zelfs zo ver dat zij Judese vluchtelingen aan de Babyloniërs overleverden om gedood te worden. Te zamen met andere naburige volken plunderden zij het land en maakten plannen om het verlaten gebied van Juda en Israël in bezit te nemen. Ook spraken zij pochend tegen Jehovah. Daarom gebood Jehovah zijn profeten Jeremia, Ezechiël en Obadja om de Edomieten er duidelijk van in kennis te stellen dat hun vreugde slechts van korte duur zou zijn en dat hun hetzelfde lot als Juda te wachten stond (Klaagl. 4:21, 22; Ezech. 25:12-14; 35:1-15; 36:3-5; Obad. 1-16). Zoals de profeet Jesaja reeds eerder had voorzegd, zouden de oorlogszuchtige Edomieten allemaal — groot en klein — als ten dode gedoemde offerdieren aan het goddelijke zwaard van gerechtigheid en oordeel ten prooi vallen. — Jes. 34:5-8.

Edom zou net als Sodom en Gomorra voor altijd een onbewoonde plaats worden (Jer. 49:7-22; vergelijk Jesaja 34:9-15). Edom verdiende het door Jehovah gehaat te worden en zou derhalve „het gebied der goddeloosheid” en „het volk dat door Jehovah tot onbepaalde tijd openlijk veroordeeld is” worden genoemd (Mal. 1:1-5). In Jesaja 63:1-6 is Edom klaarblijkelijk het symbool van de verstokte vijanden van Gods verbondsvolk. Daar wordt namelijk over de in met bloed bevlekte kleding gehulde goddelijke Krijgsman, die de wijnpers van Gods toorn heeft getreden, treffend gezegd dat hij uit Edom (wat „rood” betekent) komt en uit Edoms beroemde stad Bozra (wat „versterkte plaats” betekent, hoewel het hier mogelijk ook om een woordspeling met de Hebreeuwse uitdrukking ba·tsirʹ „wijnoogst” kan gaan). — Vergelijk Openbaring 14:14-20; 19:11-16.

LATERE GESCHIEDENIS EN EINDE VAN EDOM

Enkele Judese ballingen vonden tijdelijk toevlucht in Edom. Na de aftocht van de Babylonische troepen keerden zij naar hun land terug, maar vluchtten toen naar Egypte (Jer. 40:11, 12). Spoedig daarna brak de tijd aan dat Edom de beker van Jehovah’s toorn moest beginnen te drinken, want de Babylonische strijdkrachten ondernamen opnieuw een veldtocht in het gebied van Palestina, en Edom kwam, zoals voorzegd, onder het juk van Babylon (Jer. 25:15-17, 21; 27:2-7). Volgens de joodse geschiedschrijver Josephus (De joodse geschiedenis, X, ix, 7) ondernam Nebukadnezar in het 23ste jaar van zijn regering nog een veldtocht tegen Syrië-Palestina („Coele-Syrië”), waarbij hij Ammon en Moab aanviel. (Vergelijk Jeremia 52:30.) Waarschijnlijk richtte hij toen (602/601 v.G.T.) ook zijn aandacht op Edom, hoewel het land door de Babylonische verovering niet volledig verwoest werd. Ongeveer vanaf de 5de eeuw v.G.T. begonnen uit Arabië binnendringende nomaden echter druk uit te oefenen op de Edomieten. Tegen de 3de eeuw hadden de Nabateeërs de Edomieten uit het centrum van hun land en uit het voornaamste gebied van Petra verdreven naar de Negeb ten Z. van Juda. Ten slotte trokken de Edomieten verder noordwaarts tot aan Hebron. Het zuidelijke gedeelte van Juda kwam nu als Idumea bekend te staan. Volgens Josephus (De joodse geschiedenis, XIII, ix, 1; XV, vii, 9) onderwierp Johannes Hyrcanus de Edomieten tussen 130 en 120 v.G.T. en dwong hij hen de joodse religie aan te nemen. Daarna werden zij geleidelijk door de joodse natie geassimileerd, en na de verwoesting van Jeruzalem door de Romeinen in het jaar 70 G.T. hielden zij als volk op te bestaan. (Vergelijk Jesaja 11:13, 14; Obadja 10, 17-21.) De Herodianen waren in wezen van Edomitische afstamming.

[Kaart op blz. 330]

(Zie publicatie voor volledig gezette tekst)

Het land Edom

EDOM

WILDERNIS VAN ZIN

MOAB

ARABISCHE WOESTIJN

Dode Zee

Stroomdal v. d. Zered

Bozra

Berg Hor

Kades-Barnéa

ARABA

Ezeon-Geber

Elath

Golf van Akaba

Koningsweg

Petra

Teman(?)

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen