Watchtower ONLINE LIBRARY
Watchtower
ONLINE LIBRARY
Nederlands
  • BIJBEL
  • PUBLICATIES
  • VERGADERINGEN
  • ad blz. 327-328
  • Eden

Voor dit gedeelte is geen video beschikbaar.

Helaas was er een fout bij het laden van de video.

  • Eden
  • Hulp tot begrip van de bijbel
  • Onderkopjes
  • Vergelijkbare artikelen
  • GEBEURTENISSEN IN EDEN
  • GEOGRAFISCHE LIGGING VAN EDEN
  • Eden
    Inzicht in de Schrift, Deel 1
  • Waar was de hof van Eden?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 1971
  • Wat is Gods bedoeling met de aarde?
    Echt geloof leidt tot een gelukkig leven
  • Is er echt een Hof van Eden geweest?
    De Wachttoren — Aankondiger van Jehovah’s koninkrijk 2011
Meer weergeven
Hulp tot begrip van de bijbel
ad blz. 327-328

EDEN

(E̱den) [geneugte, verrukking].

Een landstreek waarin de Schepper een op een park gelijkende tuin als oorspronkelijke woonplaats voor het eerste mensenpaar plantte. De vermelding dat de tuin zich „in Eden, tegen het oosten”, bevond, schijnt erop te duiden dat de tuin slechts een deel besloeg van de landstreek die als Eden werd aangeduid (Gen. 2:8). Daarna wordt de tuin echter „de tuin van Eden” genoemd (Gen. 2:15), en nog later wordt ernaar verwezen als „Eden, de tuin van God” (Ezech. 28:13), en „de tuin van Jehovah”. — Jes. 51:3.

In de Septuaginta wordt het Hebreeuwse woord voor „tuin” (gan) met het Griekse woord pa·ra·deiʹsos weergegeven, dat ontleend is aan de Oudperzische uitdrukking pairidaeza, die „omheining” en later „park” of „lusthof” betekende. Hierop is het verband tussen ons Nederlandse woord „paradijs” en de hof van Eden terug te voeren.

In Genesis 2:15 staat: „God nam nu de mens en plaatste hem in de tuin van Eden.” Hoewel men hieruit zou kunnen opmaken dat de mens buiten de tuin werd geschapen, kan de uitdrukking ’God nam de mens’ echter ook eenvoudig betekenen dat hij de mens — nadat hij hem uit de elementen van de aarde gevormd en geschapen had — de tuin, waarin hij tot leven was gebracht, als aanvankelijke woonplaats toewees. De mens kreeg de taak om de tuin te bebouwen en te verzorgen. Er waren in Eden niet alleen bomen en planten die ter verfraaiing van de tuin dienden, maar er waren er ook die een rijke verscheidenheid aan vruchten droegen (Gen. 2:9, 15). Hieruit alleen al zou moeten blijken dat de tuin een tamelijk groot gebied besloeg.

Er was in deze tuin ook een grote verscheidenheid van dieren. Als een van de eerste taken die Adam te vervullen had, moest hij „alle huisdieren en . . . de vliegende schepselen van de hemel en . . . al het wild gedierte van het veld”, die God tot hem bracht, een naam geven (Gen. 2:19, 20). De aardbodem van Eden werd niet door regen gedrenkt, maar door de rivier die „van Eden uitging”, alsook door de „nevel” die uit de aarde opsteeg (Gen. 2:5, 6, 10). Aangezien de mens naakt was, moet het klimaat zeer mild en aangenaam zijn geweest. — Gen. 2:25.

GEBEURTENISSEN IN EDEN

Van alle vruchtbomen in Eden mocht de mens „tot verzadiging” eten (Gen. 2:16). Slechts één boom, de „boom der kennis van goed en kwaad”, was een verboden boom voor het mensenpaar. Volgens Eva’s woorden, die een herhaling waren van het verbod dat God aan haar man had gegeven, viel zelfs het „aanraken” van de boom onder deze verbodsbepaling, terwijl het geringschatten en overtreden van de goddelijke wet de doodstraf tot gevolg zou hebben. — Gen. 2:17; 3:3; zie BOMEN.

Hoewel sommige hedendaagse critici het verslag over Eden wegens zijn eenvoud verwerpen, moet het toch duidelijk zijn dat een eenvoudige beproeving niet alleen aan de werkelijke omstandigheden beantwoordde, maar ook zeer passend was. Het leven van het pasgeschapen mensenpaar was eenvoudig, ongecompliceerd en vrij van alle ingewikkelde problemen, hachelijke situaties en moeilijkheden die sindsdien wegens ongehoorzaamheid aan God over het mensengeslacht zijn gebracht. Ofschoon de beproeving eenvoudig was, wees ze toch onmiskenbaar en bewonderenswaardig effectief op de universele waarheid dat God de hoogste Soeverein is en dat de mens van hem afhankelijk is en verplichtingen tegenover hem heeft. Verder moet gezegd worden dat het verslag over de gebeurtenissen in Eden ondanks zijn eenvoud van een oneindig hoger gehalte is dan de theorieën volgens welke de mens aanvankelijk niet in een tuin, maar in een grot gewoond heeft, dat hij primitief en onwetend was en geen moraliteitsbesef had. De eenvoud van de beproeving in Eden illustreert het beginsel dat Gods Zoon duizenden jaren later onder woorden bracht, toen hij zei: „Wie getrouw is in het geringste, is ook getrouw in veel, en wie onrechtvaardig is in het geringste, is ook onrechtvaardig in veel.” — Luk. 16:10.

Het was echter duidelijk niet de bedoeling dat de verboden boom in Eden voor het eerste mensenpaar als een ’doorn in het vlees’ zou dienen. Ook stond hij er niet om aanleiding tot een strijdvraag te geven of stof tot een discussie te verschaffen. Wanneer beiden alleen maar Gods wil hadden erkend en zijn instructies hadden opgevolgd, zou hun paradijstehuis nog steeds een hof van geneugte of lusthof zijn geweest. Het verslag toont dat Gods tegenstander de boom tot het voorwerp van een strijdvraag en een discussie maakte en de mens verleidde Gods gebod te overtreden (Gen. 3:1-6). Aangezien zij hun vrije wil aanwendden om tegen Gods rechtmatige soevereiniteit in opstand te komen, verbeurden zij hun paradijstehuis en het geluk dat zij binnen de grenzen ervan genoten. Nog erger, zij verloren de gelegenheid om van een andere boom in Eden te mogen eten, namelijk van de boom die het recht op eeuwig leven symboliseerde. — Gen. 3:22-24.

GEOGRAFISCHE LIGGING VAN EDEN

Waar de hof van Eden oorspronkelijk lag, laat zich slechts vermoeden. De beste mogelijkheid om de geografische ligging ervan vast te stellen, is de beschrijving van de rivier die „van Eden uitging” en zich vervolgens in vier „hoofdtakken” — de Eufraat, Hiddekel, Pison en Gihon genoemd — splitste (Gen. 2:10-14). De Eufraat (Hebreeuws: Perathʹ) is goed bekend, en „Hiddekel” is de naam die in oude inscripties voor de Tigris wordt gebruikt. (Vergelijk Daniël 10:4.) De andere twee rivieren, Pison en Gihon, kunnen echter niet gelokaliseerd worden.

Het vermoeden dat Eden in een bergland lag, wordt ondersteund door het feit dat de ark met de overlevenden „op de bergen van Ararat” kwam te rusten (Gen. 8:4). Aangezien de ark niet ergens door voortbewogen werd maar eenvoudig dreef, kan men redelijkerwijs aannemen dat ze ongeveer op dezelfde plaats weer is neergekomen vanwaar de vloedwateren haar hadden opgeheven. Dat Eden mogelijk door een natuurlijke grens, zoals door bergen, omgeven was, kan worden opgemaakt uit het feit dat er volgens het verslag alleen in het O., daar waar Adam en Eva de hof verlieten, cherubs werden gestationeerd (Gen. 3:24). Volgens de overlevering moet de hof van Eden derhalve in het O. van het huidige Turkije, ongeveer 225 km ten Z.W. van de Ararat en enkele kilometers ten Z. van het Van Meer, hebben gelegen.

Daar er na Adams verdrijving uit de paradijstuin niemand meer was „om die te bebouwen en er zorg voor te dragen”, kan men aannemen dat dit gebied tot een wildernis met een weelderige vegetatie uitgroeide, waar alleen nog maar dieren verbleven, totdat het ongeveer 1656 jaar later door de onstuimige wateren van de Vloed werd weggevaagd, zodat men thans behalve de gegevens in het door God geïnspireerde verslag geen aanknopingspunten heeft om vast te kunnen stellen waar Eden precies gelegen heeft.

    Nederlandse publicaties (1950-2026)
    Afmelden
    Inloggen
    • Nederlands
    • Delen
    • Instellingen
    • Copyright © 2026 Watch Tower Bible and Tract Society of Pennsylvania
    • Gebruiksvoorwaarden
    • Privacybeleid
    • Privacyinstellingen
    • JW.ORG
    • Inloggen
    Delen