DOTHAN
(Do̱than).
Een stad die in twee bijbelverhalen voorkomt. Dothan, dat met het huidige Tell Dothan wordt geïdentificeerd, lag op een heuvel in een tussen de heuvels van Samaria en het Karmelgebergte gelegen kleine bekkenvormige vlakte, ongeveer 16 km ten N.O. van Samaria.
De jonge Jozef vond zijn broers met hun kudde „te Dothan”. Men vermoedt dat zij zich ten N. van deze stad op het weiland bevonden waar de weg doorheen liep die Gilead (ten O. van de Jordaan) met de Middellandse-Zeekust en Egypte verbond. Dit kan de weg zijn geweest die werd gevolgd door de „karavaan Ismaëlieten” waaraan Jozef werd verkocht. — Gen. 37:17-36.
Eeuwen later zond de koning van Syrië een sterke krijgsmacht naar Dothan om Elisa te arresteren. Hier werden de ogen van de bevreesde bediende van de profeet door een wonder geopend, zodat hij Gods vurige oorlogsuitrusting in het „bergland [d.w.z. hetzij op de heuvel waarop Dothan lag, of op de nabijgelegen heuvels ten O., Z. en W. van Dothan] . . . rondom Elisa” zag (2 Kon. 6:11-17). De Syriërs, die de stad omsingelden, kunnen zich eveneens op deze omliggende heuvels geposteerd hebben, vanwaar zij vervolgens „afkwamen” of afdaalden toen Elisa hun uit de stad tegemoetkwam. De vijandelijke strijdkrachten werden echter buiten gevecht gesteld toen Jehovah hen op miraculeuze wijze met een soort blindheid sloeg, waarbij hij zich misschien van hemelse strijdkrachten bediende. — Vs. 18, 19; vergelijk Genesis 19:1, 10, 11.
Sommigen zijn van mening dat de ruïnes van Tell Dothan een tamelijk volledig beeld geven van de Palestijnse cultuur tot de 3de of 4de eeuw G.T. Dothan was gedurende de bovengenoemde bijbelse tijdsperiodes klaarblijkelijk een bloeiende stad. Sommige geleerden geloven dat de „waterput” waarin Jozef geworpen werd, er ongeveer zo uitgezien kan hebben als de vierhoekige, 3 m diepe regenputten die men daar gevonden heeft.