KORINTHIËRS, DE BRIEVEN AAN DE.
Twee geïnspireerde canonieke brieven die de apostel Paulus in de 1ste eeuw G.T. aan de christenen in Griekenland schreef (1 Kor. 1:1, 2; 2 Kor. 1:1). De authenticiteit en algemene aanvaarding van beide brieven worden door externe bewijzen bevestigd. Prominente schrijvers uit de 1ste tot de 3de eeuw schrijven de beide brieven aan Paulus toe. Ook in de zogeheten „Canon van Athanasius” (367 G.T.) worden onder de „veertien brieven van de apostel Paulus” ook „twee aan de Korinthiërs” vermeld. Deze lijst is het eerste voorbeeld van een catalogus van boeken van de christelijke Griekse Geschriften zoals wij ze thans hebben en is 30 jaar ouder dan de lijst die in 397 G.T. op het concilie of de synode van Carthago (Afrika) werd gepubliceerd.
KORINTHE EN DE DAAR DOOR PAULUS VERRICHTE BEDIENING
In de dagen van Paulus was Korinthe niet alleen een groot handelscentrum, dat bekend was om zijn rijkdom, maar tevens de hoofdstad van Achaje. Er werd daar grove immoraliteit beoefend en eens werd zelfs de christelijke gemeente in die stad erdoor aangetast, zodat de apostel het noodzakelijk achtte de gemeente terecht te wijzen omdat zich onder hen een geval had voorgedaan van „zulk een hoererij als zelfs onder de natiën niet voorkomt”; een zekere man had de vrouw van zijn vader genomen (1 Kor. 5:1-5). Korinthe was bekend om zijn prachtige openbare gebouwen, theaters, tempels en standbeelden van valse goden en godinnen. Volgens de Griekse geograaf Strabo (die misschien tussen 63 v.G.T. en 24 G.T. heeft geleefd) waren er in de tempel van Aphrodite niet minder dan 1000 prostituées of courtisanes. In openbare gebeden smeekte men de goden om het aantal prostituées in de stad te vermeerderen.
De Istmische spelen werden gehouden op de istmus waarop Korinthe lag. Daar de christenen in Korinthe bekend waren met zulke sportwedstrijden, begrepen zij heel goed wat Paulus bedoelde toen hij hen aanmoedigde de christelijke wedloop met vastberadenheid te lopen. — 1 Kor. 9:24-27.
ÉÉN KORINTHIËRS
Wanneer en waar geschreven, en het doel van de brief
Tijdens zijn derde zendingsreis bracht Paulus enige tijd in Efeze door (Hand. 19:1). Waarschijnlijk gedurende het laatste jaar van zijn verblijf aldaar ontving de apostel verontrustend nieuws over de toestanden in de gemeente in Korinthe. De „huisgenoten van Chloë” hadden Paulus verteld dat er onenigheden onder de Korinthiërs bestonden (1 Kor. 1:11). Misschien had hij ook enkele inlichtingen over de situatie aldaar vernomen van Stefanas, Fortunatus en Achaïkus, die eveneens uit Korinthe waren gekomen (1 Kor. 16:17, 18). Bovendien had Paulus een brief van de christelijke gemeente in Korinthe ontvangen waarin men hem vragen stelde (1 Kor. 7:1). Uit diepe bezorgdheid voor het geestelijke welzijn van zijn medegelovigen aldaar schreef Paulus derhalve omstreeks 55 G.T. deze eerste brief aan de christelijke gemeente in Korinthe. Dat de brief in Efeze werd geschreven, blijkt uit Paulus’ woorden in 1 Korinthiërs 16:8: „Tot het pinksterfeest blijf ik echter in Efeze.”
In de inleiding van Eén Korinthiërs noemt Paulus een metgezel, Sosthenes, die de brief misschien heeft opgetekend zoals die door Paulus werd gedicteerd. Dit is heel goed mogelijk, aangezien wij aan het einde van de brief lezen: „Dit is mijn groet, die van Paulus, in mijn eigen handschrift.” — 1 Kor. 1:1; 16:21.
OVERZICHT VAN DE INHOUD
I. Aanmoediging (1:1-9)
II. Vermaning tot eenheid (1:10–4:21)
A. Mensen navolgen, is dwaas en getuigt van wereldse wijsheid; daardoor wordt verdeeldheid veroorzaakt (1:10-21)
B. Men moet roemen in God, die alle dingen door bemiddeling van Christus verschaft, en niet in mensen (1:22–4:21)
1. Gods geest heeft de heiligen de wijsheid van God geleerd (hfdst. 2)
2. Het geestelijke bouwwerk zal beproefd worden; inferieur werk zal verwoest worden (hfdst. 3)
3. Dat God met de apostelen als „ondergeschikten van Christus” handelt, toont aan hoe dwaas het is om op grond van wereldse wijsheid opgeblazen te zijn (hfdst. 4)
III. Immoraliteit uitbannen (5:1–6:20)
A. De man die bloedschande heeft gepleegd, moet uitgesloten worden (5:1-13)
B. Broeders dienen elkaar niet voor een wereldlijk gerecht te dagen (6:1-8)
C. Geestelijke of morele onreinheid verontreinigt Gods tempel; onreinen zullen Koninkrijk niet binnengaan (6:9-20)
1. Hoererij maakt een lid van het lichaam van Christus tot één vlees met een hoer
2. Hoererij is een zonde tegen het eigen lichaam
IV. Het huwelijk en de ongehuwde staat (7:1-40)
A. De huwelijksplicht dient nagekomen te worden, maar men dient daarbij consideratie te gebruiken (7:1-7)
B. Het is beter te trouwen dan te branden van hartstocht (7:8, 9)
C. Een christen dient zijn ongelovige huwelijkspartner niet te verlaten (7:10-16)
1. Gezinsverdienste ten opzichte van huwelijkspartner en kinderen
2. Misschien kan huwelijkspartner uiteindelijk geholpen worden de waarheid te aanvaarden
D. Niet noodzakelijk zijn status te veranderen wanneer men een christen wordt (7:17-35)
1. Besneden of onbesneden, ongehuwd of gehuwd, vrij of slaaf
2. Wie ongehuwd blijft, heeft meer vrijheid om zich volledig aan Gods dienst te wijden
E. Het is niet verkeerd om te trouwen, maar trouw „alleen in de Heer” (7:36-40)
V. Consideratie hebben met geweten en omstandigheden van broeders (8:1–10:33)
A. Liefde superieur aan kennis (8:1-3)
B. De kwestie van het eten van voedsel dat aan afgoden is geofferd (8:4-13)
C. Het recht van een bedienaar om materieel ondersteund te worden; Paulus maakte geen gebruik van dit recht (9:1-27)
D. Een waarschuwing tegen zelfgenoegzaamheid, immoraliteit en afgoderij (10:1-22)
E. Alle dingen zijn geoorloofd, maar niet alle dingen bouwen op (10:23-33)
VI. De orde in de gemeente (11:1–14:40)
A. Het gezagsbeginsel (11:1-16)
B. Het avondmaal des Heren (11:17-34)
C. De gaven van de geest (12:1-31)
D. De allesovertreffende weg der liefde (13:1-13)
E. Betamelijkheid en orde op gemeentevergaderingen (14:1-40)
VII. De opstanding (15:1-58)
A. Christus’ opstanding een waarborg (15:1-34)
B. Het fysieke lichaam en het geestelijke lichaam (15:35-49)
C. Onsterfelijkheid en onverderfelijkheid (15:50-58)
VIII. Algemene vermaningen, groeten, aanbeveling van getrouwe broeders (16:1-24)
TWEE KORINTHIËRS
Wanneer en waar geschreven
Paulus schreef zijn tweede brief aan de Korinthiërs waarschijnlijk in de nazomer of vroege herfst van het jaar 55 G.T. De apostel had de eerste brief geschreven in Efeze, waar hij vermoedelijk zoals gepland tot Pinksteren van dat jaar of nog langer is gebleven (1 Kor. 16:8). Vervolgens vertrok Paulus naar Troas, waar hem een teleurstelling wachtte omdat hij er Titus niet aantrof, die men naar Korinthe had gezonden om hulp te verlenen bij de inzameling die daar werd gehouden voor de heiligen in Judea. Daarom zette Paulus zijn reis voort naar Macedonië, waar Titus zich bij hem voegde en verslag uitbracht over de wijze waarop de Korinthiërs op zijn eerste brief hadden gereageerd (2 Kor. 2:12, 13; 7:5-7). Vanuit Macedonië schreef Paulus toen de tweede brief aan hen, die hij klaarblijkelijk door Titus liet bezorgen. Enkele maanden later slaagde hij er vervolgens in een bezoek aan Korinthe te brengen. In feite heeft Paulus de Korinthiërs dus tweemaal bezocht. Na zijn eerste bezoek, bij welke gelegenheid hij de gemeente had opgericht, was hij voornemens hen een tweede maal te bezoeken, maar dit plan viel in duigen. „De derde keer” echter dat hij plannen maakte of „gereed” was, had hij succes, want in 56 G.T. zag hij kans hen weer te zien (2 Kor. 1:15; 12:14; 13:1). Tijdens dit tweede bezoek aan Korinthe schreef hij zijn brief aan de Romeinen.
Waarom geschreven
Titus bracht Paulus een goed bericht. De eerste brief had de Korinthiërs op godvruchtige wijze bedroefd gemaakt en tot berouw gebracht. Ja, de brief had nog meer in hen teweeggebracht, namelijk ernst, een verlangen zich te zuiveren, verontwaardiging en vrees, wat hen ertoe bracht het onrecht te herstellen. Paulus reageerde hierop door zijn tweede brief te schrijven, waarin hij hen prees omdat zij de raad hadden aanvaard en toegepast, terwijl hij hen aanspoorde om de berouwvolle man, die klaarblijkelijk uit de gemeente was gesloten, ’goedgunstig te vergeven en te vertroosten’ (2 Kor. 7:8-12; 2:1-11; vergelijk 1 Korinthiërs 5:1-5). Paulus wilde hen ook aanmoedigen voort te gaan met het ondersteuningswerk ten bate van hun behoeftige medegelovigen in Judea (2 Kor. 8:1-15). Voorts waren er ook personen in de gemeente die nog steeds de positie en autoriteit van Paulus als apostel in twijfel trokken, zodat hij genoodzaakt was zijn apostelschap te verdedigen; ja, dat Paulus in zijn brief duidelijke taal sprak en ’roemde’ met betrekking tot zijn geloofsbrieven als apostel, was niet ter wille van hemzelf maar „voor God”, d.w.z. om de gemeente te redden die God toebehoorde. — 2 Kor. 5:12, 13; 10:7-12; 11:16-20, 30-33; 12:11-13.
OVERZICHT VAN DE INHOUD
I. Paulus betuigt zijn oprechtheid en liefde jegens de Korinthiërs (1:1–7:16)
A. De reden waarom hij hen tot nu toe niet voor een tweede maal heeft bezocht (1:15-24)
B. Zijn bezorgdheid om hun welzijn (2:1-13)
1. Hij vermaant hen de man die zij voordien bestraft hadden, te vergeven, opdat zij niet hardvochtig en onverzoenlijk jegens berouwvollen zullen worden
2. Paulus is ongerust in zijn geest omdat hij Titus niet in Troas aantrof
C. Paulus en zijn metgezellen zijn geen venters van Gods woord, maar zijn voldoende bekwaam gemaakte dienaren van het nieuwe verbond (2:14–7:16)
1. De Korinthiërs zijn een aanbevelingsbrief, geschreven op harten (3:1-3)
2. Paulus en zijn metgezellen hebben van Jehovah, de Geest, vrijmoedigheid van spreken ontvangen en weerspiegelen zijn heerlijkheid (3:4–4:6)
3. Hoewel zij als aarden vaten veel te verduren hebben, blijven zij al het mogelijke doen om hun opdracht als ’gezanten in de plaats van Christus’ ten uitvoer te brengen (4:7–6:10)
4. Hun hart heeft zich verruimd; derhalve smeken zij de Korinthiërs zich in hun genegenheden eveneens te ’verruimen’ (6:11–7:4)
a. Paulus en zijn metgezellen hebben een voortreffelijk voorbeeld van liefde gegeven
b. De Korinthiërs dienen deze liefde te beantwoorden door zich verre te houden van ongelovigen en van elke soort van onreinheid
5. Paulus is zeer vertroost door het bericht over hun reactie op zijn eerste brief — hun droefheid, hun berouw en hun herstellen van het onrecht (7:5-16)
II. Vermaning om de noodlijdende broeders in Judea te helpen (8:1–9:15)
A. De Macedoniërs geven een goed voorbeeld (8:1-9)
B. Paulus stelt de bereidwilligheid van de Korinthiërs in dit opzicht op prijs; hij zendt Titus en andere getrouwe broeders om hulp te verlenen bij de regelingen (8:10-24)
C. Het geven dient van ganser harte te geschieden; Jehovah, de Verzorger, zal de produkten van zulk een rechtvaardigheid vermenigvuldigen (9:1-10)
D. Hun edelmoedigheid zal ertoe leiden dat degenen die zij hebben geholpen, hen zullen liefhebben en ertoe bewogen zullen worden God te danken en te verheerlijken (9:11-15)
III. Argument tegen lastige valse apostelen (10:1–12:21)
A. Paulus zal geestelijke wapenen tegen hen gebruiken, opdat hij elke gedachte van de Korinthiërs gehoorzaam aan de Christus kan maken (10:1-6)
B. Paulus antwoordt zijn tegenstanders, die gezegd hebben dat hij „zwak” was, dat hij zich bewoog ’binnen de grenzen van het gebied dat hun toebehoorde’, dat hij „inferieur” aan hen was, alsook „onbedreven in het spreken” en „onredelijk”; bovendien hebben zij beweerd dat hij er blijk van heeft gegeven geen apostel zoals zij te zijn doordat hij zich heeft vernederd en wat werelds werk heeft verricht om in zijn onderhoud te voorzien (10:7–12:21)
1. Valse apostelen zijn in werkelijkheid dienaren van Satan (11:12-15)
2. Zij nemen weg wat de broeders hebben, verheffen zich boven hen, ’slaan hen in het gezicht’ en beroemen zich op onredelijke wijze op vleselijke verwantschap (11:16-20)
3. Wat zijn afstamming betreft, is Paulus aan hen gelijk, maar hij overtreft hen doordat hij om Christus’ wil meer vervolging heeft verduurd, zich meer om de gemeenten heeft bekommerd, meer visioenen heeft gehad en meer tekenen van zijn apostelschap kan aanvoeren (11:21–12:21)
a. Het visioen van het paradijs
b. Wonderen en krachtige werken
C. Tweede bezoek, nadat vorige poging om hen te bezoeken was mislukt (13:1-14)
1. Hoopt hen in een betere geestestoestand aan te treffen; zal, indien nodig, krachtig optreden
2. Bidt voor hun welzijn; legt uit dat hij op deze krasse wijze geschreven heeft om hen terecht te brengen en de eenheid te herstellen
Zie het boek „De gehele Schrift is door God geïnspireerd en nuttig”, blz. 210-217.